Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-12
ECLI:NL:RBNNE:2026:759
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/2656 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst, Midden- en Kleinbedrijf/kantoor Emmen , de inspecteur. (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ) Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 juli 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.782. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 3.492 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en eiser een verzuimboete van € 5.514 opgelegd. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en belastingrentebeschikking gehandhaafd. De verzuimboete heeft hij verminderd tot € 1.000. 1.4. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de inspecteur. Eiser is – zonder bericht van verhindering – niet op zitting verschenen. De griffier van de rechtbank heeft op 15 december 2025 in het digitale dossier van eiser een bericht geplaatst waarbij eiser onder vermelding van tijd en plaats is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 3 februari 2025. Omdat eiser niet digitaal procedeert heeft de griffier eveneens op 15 december 2025 een afschrift van dit bericht aangetekend verstuurd naar het adres van eiser dat hij op zijn beroepschrift heeft vermeld. Die brief heeft de rechtbank op 7 januari 2026 retour ontvangen. Als reden voor de retourzending is aangegeven dat de brief geweigerd is. De rechtbank heeft vervolgens het adres van eiser opgezocht in de Basisregistratie Personen (BRP) en geconstateerd dat eiser op een ander adres dan vermeld op zijn beroepschrift staat ingeschreven. De rechtbank heeft de brief met de uitnodiging op 7 januari 2026 per reguliere post, en op 12 januari 2026 per aangetekende post, naar het adres waarop eiser staat ingeschreven, verzonden. Eiser is aldus op het adres waarop hij volgens de BRP staat ingeschreven zowel per aangetekende post als per reguliere post uitgenodigd. De rechtbank heeft daarom de zitting doorgang laten vinden. Feiten 2.1. Eiser is bij brief van 27 februari 2021 uitgenodigd om aangifte IB/PVV 2020 te doen. 2.2. Op verzoek van eiser heeft de inspecteur uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV 2020 verleend tot 1 mei 2022. 2.3. Eiser heeft niet voor 1 mei 2022 zijn aangifte IB/PVV 2020 ingediend. 2.4. Bij brief van 30 mei 2022 heeft de inspecteur eiser er aan herinnerd dat hij de aangifte IB/PVV 2020 voor 1 mei 2022 had moeten indienen. De inspecteur heeft eiser daarbij tot 14 juni 2022 gegeven om de aangifte alsnog in te dienen. 2.5. Eiser heeft de aangifte IB/PVV 2020 niet voor 14 juni 2022 ingediend. 2.6. Bij brief van 8 juli 2022 heeft de inspecteur eiser aangemaand om alsnog de aangifte IB/PVV 2020 te doen. De inspecteur heeft eiser daarbij tot 22 juli 2022 gegeven om de aangifte alsnog in te dienen. Deze brief heeft kenmerk [nummer] . 2.7. Bij brief van 18 juli 2022 heeft eiser gereageerd op de aanmaning van 8 juli 2022. Eiser schrijft in zijn brief – voor zover hier van belang – het volgende: “ Kenmerk: [nummer] “Aangifte 2020” Geachte drs. [naam] , De aangifte inkomstenbelasting 2020 red ik niet voor de door u gestelde datum. De reden hiervoor is dat ik het goed wil doen (ik ben tevens bezig met afronding jaarverslagen BV en Holding inclusief aangifte hiervan van de afgelopen jaren). Ik zal gezien de vakanties de aangifte 2020 in de maand september van dit jaar digitaal indienen. ” 2.8. Bij brief van 11 augustus 2022 heeft de inspecteur gereageerd op de brief van eiser van 18 juli 2022. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “ Op 20 juli 2022 hebt u uitstel aangevraagd voor het doen van uw aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw) 2020. lk verleen u geen uitstel omdat u al een aanmaning voor het doen van aangifte heeft ontvangen. ” 2.9. Met dagtekening 2 oktober 2024 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 ambtshalve vastgesteld. 2.10. Eiser heeft tijdens de bezwaarprocedure tegen de aanslag IB/PVV 2020 op 17 december 2024 een aangifte IB/PVV 2020 ingediend. 2.11. Eiser heeft ook de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2019 niet tijdig ingediend. Daarvoor heeft de inspecteur eerder de volgende boetes opgelegd: Jaar Uitnodiging Aanmaning Ontvangst aangifte Boete 2014 28-02-2015 22-07-2016 07-08-2016 € 344 2015 28-02-2016 20-06-2017 07-08-2018 € 369 2016 28-02-2017 29-06-2018 06-10-2019 € 369 2017 28-02-2018 27-03-2019 € 369 2018 28-02-2019 20-12-2019 19-10-2021 € 369 2019 28-02-2020 21-07-2021 23-08-2023 € 1.378 Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht een boete heeft opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2020. Verder beoordeelt de rechtbank of de inspecteur de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd heeft. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de verzuimboete terecht heeft opgelegd. De verzuimboete van € 1.000 is ook passend en geboden . Verder is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd heeft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Verzuimboete 5. Eiser stelt de aanmaning (zie 2.6.) niet te hebben ontvangen, zodat de boete onterecht is. 6. De inspecteur stelt onder verwijzing naar de door hem bij het verweerschrift overgelegde verzendrapportage dat de aanmaning wel aan eiser verzonden is. Dan geldt het vermoeden dat de aanmaning ook is ontvangen. Verder wijst de inspecteur er op dat eiser in zijn brief van 18 juli 2022 heeft gereageerd op de aanmaning. Daaruit volgt dat eiser de aanmaning heeft ontvangen. 7. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat eiser de aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 niet heeft ingediend binnen de in de aanmaning gestelde termijn. Eiser stelt echter dat hij de aanmaning niet heeft ontvangen. Het ligt dan op de weg van de inspecteur om het bewijs te leveren dat de aanmaning wel is ontvangen door eiser. De aanmaning vormt immers een bestanddeel van het beboetbaar feit. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dat betekent dat de inspecteur overtuigend dient aan te tonen dat belanghebbende de aanmaning wel heeft ontvangen. 8. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de inspecteur in de op hem rustende bewijslast. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit eisers brief van 18 juli 2022 – waarin eiser blijkens de vermelding van het briefkenmerk reageert op de aanmaning – dat eiser de aanmaning heeft ontvangen. 9. Voor zover eiser een beroep doet op afwezigheid van alle schuld (avas), omdat hij een verzoek heeft ingediend om niet verschillende jaren IB/PVV tegelijk te hoeven betalen waar nog niet op gereageerd was, overweegt de rechtbank dat dat geen avas oplevert. Die omstandigheid staat immers niet in de weg aan de mogelijkheid voor eiser om zijn aangifte tijdig in te dienen. 10. Gelet op het voorgaande kon de inspecteur een verzuimboete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank was het opleggen van een boete van € 1.000 in dit geval ook passend en geboden. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser al jaren structureel zijn aangiften IB/PVV niet tijdig indient en daarvoor ook al een aantal maal een lagere boete heeft gekregen (zie 2.11.).