Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-14
ECLI:NL:RBNNE:2026:75
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18.205201.24 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 en 17 december 2025. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 14 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen. Tenlastelegging Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd: in vereniging plegen van mensenhandel ten opzichte van [slachtoffer] (sub 1, 4, 6) in de periode van 1 april 2023 tot en met 26 maart 2024 te Assen en/of Heerenveen en/of Groningen; medeplegen van verkrachting van [slachtoffer] op of omstreeks de periode van 3 januari 2024 tot en met 26 maart 2024, althans in de periode 1 april 2023 tot en met 26 maart 2024, te Assen. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als de bijlage bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 en 2. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) betrouwbaar zijn en worden ondersteund door voldoende andere bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen en chatberichten tussen aangeefster, verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van feiten 1 en 2. Er is onvoldoende steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. Verdachte heeft betwist dat hij degene is die onder het Snapchat-account [gebruikersnaam] met aangeefster chatte. Hij heeft weliswaar 5.000,00 van aangeefster ontvangen, maar dit was omdat hij boos op haar was omdat zij zijn mailadres had misbruikt en staat dus los van (eventuele) uitbuiting. Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman verder - kort gezegd - aangevoerd dat aangeefster weliswaar op enig moment is uitgebuit, maar dat verdachte hier geen rol in heeft gespeeld. Bij het werven van aangeefster (sub 1) en het beschikbaar stellen voor werken (bij medeverdachte [medeverdachte 2] , hierna [medeverdachte 2] ) en bij [Medeverdachte 4] (hierna: [Medeverdachte 4] ) was verdachte niet betrokken (sub 4). Van profiteren van de opbrengst van de werkzaamheden van aangeefster voor [medeverdachte 2] en [Medeverdachte 4] is evenmin gebleken en dus kan voordeeltrekken uit de criminele uitbuiting (sub 6) niet bewezen worden. Verdachte heeft weliswaar eenmalig geld ontvangen van [slachtoffer] , maar daarbij was geen sprake van een uitbuitingssituatie. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de pleegperiode dient te worden ingekort naar januari 2024 tot 26 maart 2024. Verdachte is in 2023 enkele maanden niet bij aangeefster betrokken geweest. Ook kan uit onder meer de verklaringen van aangeefster worden afgeleid dat ze pas beperkt werd in haar vrijheid vanaf het moment dat ze met [naam 2] had gesproken en [medeverdachte 1] en verdachte daar achter waren gekomen. Uit de chatberichten tussen aangeefster en medeverdachte [medeverdachte 2] kan ook worden afgeleid dat voor die tijd het werken bij [medeverdachte 2] in ieder geval vrijwillig is geweest. Aangeefster hoefde blijkens de chatberichten ook niet zoveel te werken als zij verklaarde bij de politie. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman verder gewezen op inconsistenties als het gaat om het moment waarop een verkrachting in maart 2024 zou hebben plaatsgevonden. De data en tijden waarover getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) verklaarde, komen niet overeen met de camerabeelden van 22 maart 2024. Oordeel van De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de feitelijke gang van zaken - kort samengevat - vast als het gaat om de voor uitbuiting relevante omstandigheden. Begin mei 2023 ontmoetten aangeefster, verdachte en [medeverdachte 1] elkaar in een tattooshop, waarna aangeefster en [medeverdachte 1] contact hielden. Aangeefster raakte verliefd op [medeverdachte 1] . Hij was lief voor haar en ze hadden elke dag seks. Aangeefster vertelde hem over de nare relatie met haar drugsverslaafde ex-vriend en [medeverdachte 1] beloofde haar tegen die ex-vriend te beschermen. Na enkele weken wilde [medeverdachte 1] dat aangeefster ook seks had met verdachte. Dat wilde aangeefster niet, waarna er ruzie ontstond. [medeverdachte 1] kwam bij aangeefster langs met een pistool en zette het pistool op haar hoofd. Hij zei haar dat ze een boete moest betalen, anders zou hij haar vingers eraf knippen. Aangeefster koos ervoor om de boete te betalen. Toen ze de volgende dag aangaf geen contact meer met [medeverdachte 1] te willen, zei hij dat ze zich aan de afspraak moest houden en een boete van 1.500,00 moest betalen. Aangeefster ging dit bedrag voor hem pinnen. Omdat de daglimiet was bereikt bij de pinautomaat, moest ze het resterende bedrag overmaken aan de moeder van [medeverdachte 1] . Deze overboeking was op 1 juni 2023. [medeverdachte 1] ging zich opstellen als baas van aangeefster. Ze moest hem aanspreken met “meneer”, moest doen wat hij wilde en moest toestemming vragen als ze naar anderen wilde, wat regelmatig werd geweigerd. [medeverdachte 1] zei dat aangeefster zijn bezit was en ze mocht niet met andere jongens praten. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden een trio met aangeefster. Toen [medeverdachte 1] minder tijd voor aangeefster had, zei hij dat ze seks met alleen verdachte moest hebben, wat ook gebeurde. Aangeefster moest ook naar verdachte luisteren. Aangeefster was er inmiddels achter dat [medeverdachte 1] getrouwd was, maar [medeverdachte 1] hield haar voor dat zijn huwelijk alleen zakelijk was. Aangeefster hield hoop dat als zij naar hem luisterde, dat hij voor haar zou kiezen en dat dingen beter zouden worden. Verdachte hield deze situatie ook in stand. Toen aangeefster hem via Snapchat vroeg of [medeverdachte 1] met een andere vrouw was, wilde hij geen antwoord geven, maar zei haar wel “dat het het waard was”. Aangeefster werd echter door zowel verdachte als [medeverdachte 1] mishandeld en bedreigd. [medeverdachte 1] bedreigde en sloeg haar meermalen met een pistool. Verdachte bedreigde haar met een mes. Ook dreigde [medeverdachte 1] om de familie van aangeefster iets aan te doen. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden de sleutel van de woning van aangeefster en brachten in de zomer van 2023 een kluis met drugs, een tas met geld en een wapen onder in haar woning. Verdachte en [medeverdachte 1] legden aangeefster allebei boetes op. Op enig moment had aangeefster 17.000,00 aan boetes betaald aan verdachte en [medeverdachte 1] . Ook kocht ze dure kleding, schoenen, brillen en boksbeugels voor hen. Omdat de opgelegde boetes hoger waren dan het salaris van aangeefster, regelde [medeverdachte 1] dat aangeefster kon “werken” voor kennissen van hem. Ze moest zich ziekmelden bij haar eigen werk en ging bankhelpdeskfraude plegen met medeverdachte [medeverdachte 2] . Aangeefster kreeg drugs van verdachte en [medeverdachte 1] . Op het laatst gebruikte ze elke dag drugs om wakker te blijven. In januari 2024 overhandigde aangeefster 10.000,00 aan verdachte. Ze maakte een opname van de overdracht met haar telefoon. In februari 2024 werd aangeefster door [medeverdachte 1] meegenomen naar een hotel voor een afspraak met medeverdachte [Medeverdachte 4] (hierna: [Medeverdachte 4] ). Daarbij was verdachte ook aanwezig. Verdachte en [medeverdachte 1] wilden dat aangeefster in de prostitutie ging werken. [Medeverdachte 4] werd gevraagd of hij aangeefster naar seksafspraken wilde brengen en [Medeverdachte 4] zou voor 500,00 sek Door onder de genoemde omstandigheden - kort gezegd - aangeefster boetes te laten betalen, criminele activiteiten te laten verrichten en hiervan te profiteren heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan mensenhandel, gepleegd in vereniging met [medeverdachte 1] , zoals ten laste gelegd onder feit 1, sub-onderdelen 1, 4 en 6. Met betrekking tot het plegen in vereniging overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel [medeverdachte 1] de sleutelfiguur was omdat aangeefster verliefd werd op hem en hij aanvankelijk het overwicht op haar creëerde, kwam verdachte (in ieder geval) al na vier weken in beeld. Verdachte was betrokken bij het in de zomer van 2023 plaatsen van een kluis, drugs en wapens in de woning van aangeefster, kwam regelmatig bij haar langs, had ook seks met haar en in een periode dat [medeverdachte 1] niet bij aangeefster kwam, nam verdachte het stokje van hem over. Aangeefster moest naar verdachte luisteren, moest geld betalen als ze [medeverdachte 1] weer wilde zien, en ook legde verdachte haar boetes op. Boetes die [medeverdachte 1] aan aangeefster had opgelegd, konden (ook) aan verdachte worden betaald, zo blijkt bovendien uit chatberichten van [medeverdachte 1] . Ook met betrekking tot het werken bij [medeverdachte 2] en [Medeverdachte 4] had verdachte zeggenschap, zo leidt de rechtbank onder meer af uit chatberichten tussen aangeefster en verdachte waarin aangeefster vraagt of ze mag overleggen over het werken en verdachte daarmee instemt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] , deels bestaand uit een gezamenlijke uitvoering, waaraan verdachte naar het oordeel van de rechtbank een bijdrage van voldoende gewicht had. In reactie op de (overige) verweren van de raadsman overweegt de rechtbank als volgt. Dat uit het contact tussen aangeefster, verdachte en [medeverdachte 2] aanvankelijk geen dwang of onvrijwilligheid blijkt, betekent geenszins dat aangeefster het werk en het afstaan van de opbrengsten in opdracht van verdachte en [medeverdachte 1] vrijwillig deed. Bovendien staat, zoals overwogen, (eventuele) vrijwilligheid niet in de weg aan een bewezenverklaring van uitbuiting indien sprake is van gebruik van dwangmiddelen. Dat was het geval, alleen al gelet op (het misbruik van) het onmiskenbare overwicht dat verdachte en [medeverdachte 1] op aangeefster hadden. Voor inkorting van pleegperiode - zoals verzocht door de raadsman - ziet de rechtbank geen aanleiding, gelet op hetgeen hiervoor overwogen met betrekking tot het medeplegen. Een (eventueel) kleiner aandeel van verdachte bij de uitbuiting van aangeefster kan worden meegewogen in de strafmaat. Beoordeling van feit 2: verkrachting De rechtbank constateert dat aangeefster - kort gezegd - heeft verklaard dat zij in maart 2024 door verdachte en [medeverdachte 1] samen is verkracht. Verdachte en [medeverdachte 1] ontkennen dat dit is gebeurd en er waren geen andere personen aanwezig bij de door aangeefster geschetste situatie. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad2 leidt de rechtbank af dat volgens artikel 342 lid 2 Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige - in dit geval aangeefster. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artike Als start van het tweede contactmoment die dag schrijft de hulpverlener “Wat brengt je hier vanmiddag”. Over het derde contactmoment wordt gezegd dat dit aan het eind van de avond was. Tijdens dit contactmoment vertelt aangeefster dat verdachte en [medeverdachte 1] cadeaus hebben langsgebracht omdat zij bijna jarig is.5 Gelet op deze volgorde en op de inhoud van de gesprekken kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het bezoek met de mishandeling en verkrachting op de (late) avond van 21 maart 2024 heeft plaatsgevonden en dat aangeefster vervolgens na 00:00 uur - en dus op 22 maart 2024 - hierover heeft gechat met Fier. De rechtbank ziet zich gesterkt in deze opvatting door hetgeen aangeefster vertelde over de afsluiting van het bezoek. Bij vertrek zou [medeverdachte 1] haar namelijk geld hebben willen geven voor haar aanstaande verjaardag, wat door aangeefster werd geweigerd omdat ze wilde dat hij iets voor haar zou kopen. Dit past precies bij de camerabeelden van 22 maart 2024 waarop te zien is dat verdachte en [medeverdachte 1] met een Rituals-tasje naar de woning van aangeefster gingen. De rechtbank zal 21 maart 2024 dan ook hanteren als pleegdatum. Voor verkrachtingen op andere momenten ziet de rechtbank geen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. Bewezenverklaring De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1. hij in de periode van 1 april 2023 tot en met 26 maart 2024 te Assen en Heerenveen en Groningen, tezamen en in verenging met een ander, (A) mevrouw [slachtoffer] , telkens door dwang en geweld en door dreiging met geweld en een andere feitelijkheid, en door afpersing en misleiding, en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven en vervoerd met het oogmerk van criminele en seksuele uitbuiting van die ander, (sub 1) en gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4), (B) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de criminele uitbuiting van een ander, te weten mevrouw [slachtoffer] , (sub 6), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader: een relatie met die [slachtoffer] begonnen en onderhouden en gehad, en meermalen een vuurwapen op die [slachtoffer] gericht en tegen haar hoofd gezet en haar met een vuurwapen en een mes bedreigd en gedreigd die [slachtoffer] neer te schieten en haar vingers af te knippen en die [slachtoffer] anderszins bedreigd, en die [slachtoffer] meermalen bij de keel gepakt en met een vuurwapen geslagen en aan haar haren getrokken en geschopt en op de grond gegooid en een stoot met de elleboog gegeven en gebeten en geduwd en anderszins geweld tegen haar gebruikt, en die [slachtoffer] voorgehouden dat verdachte contacten had bij de politie, en die [slachtoffer] vernederd en uitgelachen, en tegen die [slachtoffer] geschreeuwd en gescholden en boos en agressief gereageerd, en die [slachtoffer] voorgehouden dat ze het bezit van verdachte was, en die [slachtoffer] meermalen opgedragen haar huis niet uit te gaan en haar livelocatie te delen en die [slachtoffer] ongevraagd op haar werk opgezocht en daarmee die [slachtoffer] in haar bewegingsvrijheid belemmerd, en die [slachtoffer] opgedragen geen contact te hebben met familie en vrienden en telefoonnummers van vrienden te verwijderen, en die [slachtoffer] toestemming laten vragen om naar de sportschool te gaan en om naar mensen toe te gaan en naar feestjes te gaan en bepaalde kleding te dragen en aan te schaffen, en meermalen de telefoon van die [slachtoffer] gecontroleerd, en die [slachtoffer] meermalen drugs voor eigen gebruik door die [slachtoffer] gegeven en verstrekt, en die [slachtoffer] meermalen boetes variërend van meer dan 1.000,- tot 10.000,- laten betalen en termijnen gesteld voor betaling en voorgehouden dat geld moest worden betaald en een schuld moest worden betaald, en die [slachtoffer] meermalen dure goederen voor verdachten l Voorts heeft de raadsman aangegeven dat de criminele en niet de seksuele uitbuiting op de voorgrond stond en dat de ernst van de situatie opliep naarmate de tijd vorderde. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportages van onder meer 1 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan de uitbuiting en verkrachting van een jonge vrouw die verliefd op de medeverdachte was. Aanvankelijk was de medeverdachte lief voor het slachtoffer, maar na enkele weken wilde hij dat ze seks had met verdachte, bedreigde hij haar met een vuurwapen en dwong hij haar om geldbedragen te betalen. De medeverdachte maakte het slachtoffer volledig ondergeschikt aan hem. Zij moest hem en verdachte aanspreken met “meneer”, moest naar hen luisteren en moest haar huis ter beschikking stellen voor de opslag van een kluis, drugs, geld en wapens. Ze moest haar locatie delen en verdachte of de medeverdachte vragen om toestemming om ergens heen te mogen - die ze doorgaans niet kreeg. Verdachte en de medeverdachte vernederden het slachtoffer en mishandelden haar op sadistische wijze. Zo wijst de rechtbank erop dat aangeefster van verdachte en de medeverdachte moest blaffen als een hond en dat aangeefster moest tellen hoe vaak ze haar sloegen. Uiteindelijk hebben verdachte en de medeverdachte aangeefster ook gezamenlijk verkracht. Dit zijn zeer ernstige feiten waarmee verdachte op een grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent het verdachte en medeverdachte zwaar aan dat zij het slachtoffer (aanvankelijk) in de waan lieten dat de medeverdachte een relatie met (alleen) haar had en (later) dat hij bij zijn vrouw weg zou gaan, om vervolgens samen met de medeverdachte op grove wijze misbruik van haar te maken. Hier ging het slachtoffer uiteindelijk zowel financieel, fysiek als mentaal aan onderdoor. Uit de stukken volgt dat zij bijna anderhalf jaar in het stelsel bewaken en beveiligen heeft gezeten, nog steeds onder psychische behandeling is en nog een lange weg te gaan heeft. Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van normhandhaving en vergelding een onvoorwaardelijke gevangenisstaf van langere duur op zijn plaats is. Het uitgangpunt voor strafoplegging voor verkrachting is volgens de LOVS-oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 24 maanden. Voor mensenhandel in de zin van financiële uitbuiting bestaan geen oriëntatiepunten. Wel weegt de rechtbank mee dat sprake was van een kwetsbaar slachtoffer als bedoeld in artikel 273f Sr lid 3 onder 2. Het slachtoffer kwam uit een langdurige relatie waarin ze haar drugsverslaafde ex-vriend haar sloeg en seksueel misbruikte. Zij hunkerde naar liefde en veiligheid, die de medeverdachte haar aanvankelijk ook beloofde te bieden. Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 jaren passend en geboden. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte ten opzichte van de medeverdachte - aan wie een gevangenisstraf van 5 jaren is opgelegd - een iets geringer aandeel in de uitbuiting van aangeefster heeft gehad. Zo was de medeverdachte in eerste instantie degene die aangeefster heeft ingepalmd en vervolgens aan zijn wil heeft onderworpen, pas daarna kwam verdachte in beeld. De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af. De rechtbank is - met inachtneming van de recente jurisprudentie van de Hoge Raad - m Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade die alleen van verdachte wordt gevorderd heeft geleden ( 6.815,00 aan boetes en 1.254,89 aan voor verdachte gekochte goederen) en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. Uit het dossier volgt dat verdachte - niet alleen individueel, maar ook samen met [medeverdachte 1] - boetes heeft opgelegd. De vordering zal daarom op dit punt worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2024. Ten aanzien van de gezamenlijk van verdachte en medeverdachte [verdachte] gevorderde materiële schade - overweegt de rechtbank als volgt. Met betrekking tot de kosten voor gas en licht ( 13,92), en de huur ( 1.150,25), is geen verweer gevoerd. Ten aanzien van deze kosten is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom op deze punten hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2024. Ten aanzien van de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering (tweemaal 385,00) is de rechtbank van oordeel dat deze posten voldoende zijn onderbouwd. Gelet op het bewezenverklaarde en de overgelegde stukken is evident dat aangeefster in 2024 en 2025 gebruik heeft gemaakt van geestelijke gezondheidszorg en dat dit (in ieder geval deels) verband houdt met wat verdachte en [medeverdachte 1] haar hebben aangedaan. Ten aanzien van de kosten voor prepaid telefoons ( 88,94) overweegt de rechtbank dat deze kosten zien op aangekocht beltegoed zodat aangeefster gebruik kon maken van niet traceerbare telefoons. De rechtbank acht deze kosten - mede gelet op het feit dat aangeefster in het stelsel bewaken en beveiligen zat - voldoende onderbouwd en rechtstreeks voortvloeiend uit de bewezenverklaarde feiten. De vordering zal daarom ook op deze punten hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2024. Ten aanzien van de kosten van de aanschaf van de nieuwe auto is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. Het zou gaan om een auto waarvan de verdachten het kenteken niet zouden kennen en waarin aangeefster zich dus veilig zou voelen, maar uit de ter onderbouwing overgelegde factuur volgt dat het gaat om auto die is aangeschaft in november 2023, en dus middenin de pleegperiode, toen aangeefster nog veel contact had met verdachte dan wel de medeverdachte. Ten aanzien van de kosten voor het afkopen van het internetabonnement en de aanschaf van een nieuwe deurcilinder is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak van deze gemaakte kosten onvoldoende is onderbouwd. Omtrent de deurcilinder overweegt de rechtbank dat op het moment van aanschaf aangeefster niet meer in haar woning verbleef en zowel verdachte als [medeverdachte 1] zich in voorlopige hechtenis bevonden. Ten aanzien van de kosten voor een nieuwe telefoon is de rechtbank eveneens van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. De overgelegde factuur ziet op de aanschaf van een telefoon op 15 juni 2024, terwijl de oude telefoon van aangeefster al op 26 maart 2024 in beslag is genomen. Niet duidelijk is geworden of aan de politie is verzocht om ten behoeve van onderzoek overgelegde oude telefoon terug te geven aan aangeefster. Ten aanzien van de afgesloten lening bij [bedrijf] is de rechtbank van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. De aangekondigde nadere onderbouwing is niet gekomen en uit het dossier lijkt te volgen dat deze lening is gebruikt voor de aanschaf van een auto, waarmee een rechtstreeks verband met de ten laste gelegde feiten ontbreekt. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren met betrekking tot de voorgaande posten. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat ge