Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-20
ECLI:NL:RBNNE:2026:745
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/2582 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. R.J.A. Steenbergen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren , het college (gemachtigden: J. Dolfijn en L. Hijlkema). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Us Nije Gea uit Elahuizen, de stichting (gemachtigde: mr. M.A. Jansen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering om aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen en verduurzamen van het voormalige schoolgebouw tot woning op het perceel Buorren 8a in Elahuizen (het perceel). Eiser is het niet eens met de weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de weigering onvoldoende en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het verbouwen en verduurzamen van het gebouw tot woning op het perceel. Op 25 september 2023 is van rechtswege een omgevingsvergunning gegeven. Met het bestreden besluit van 29 april 2024 op het bezwaar van de stichting heeft het college deze omgevingsvergunning herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De stichting heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.2. De rechtbank heeft een eerste zitting gehouden op 21 november 2025. De behandeling van de zaak is aangehouden, omdat de gemachtigden van het college door een fout in het gemeentelijk zaaksysteem niet van de zitting op de hoogte waren en niet aanwezig waren. Na die zitting heeft het college aanvullende stukken ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, bouwkundige [bouwkundige], de gemachtigden van het college, [persoon 1] [persoon 2] en [persoon 3] namens de stichting en de gemachtigde van de stichting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser is eigenaar van het voormalige schoolgebouw gelegen op het perceel. Dit voormalig schoolgebouw vormt één gebouw met het dorpshuis. De stichting is eigenaar van dit dorpshuis, dat op het perceel Buorren 8 in Elahuizen ligt. Eiser wil het voormalig schoolgebouw verbouwen tot woning. Het gebruik van de voormalige school als woning is echter in strijd met het bestemmingsplan ‘Elahuizen’ (het bestemmingsplan), omdat het perceel de bestemming ‘maatschappelijk’ heeft. Eiser heeft het college daarom verzocht om af te wijken van het bestemmingsplan. Eiser is het niet eens met het alsnog weigeren van de omgevingsvergunning voor die afwijking. Welk recht is van toepassing? 4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 4.1. Eiser heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 24 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor), zoals die golden voor 1 januari 2024, van toepassing blijven. 5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Heeft het Eiser moet namelijk als derde-belanghebbende tijdens de hernieuwde bezwaarfase in de gelegenheid worden gesteld om op het gewijzigde standpunt over het geluidsaspect met de bijbehorende onderbouwing te reageren met eventueel een tegenonderzoek, mocht het college dit gewijzigde standpunt ten grondslag willen leggen aan het nieuwe besluit. 6.2.5. De rechtbank ziet wel aanleiding om hierna over een aantal geschilpunten te oordelen, zodat de discussie in de bezwaarfase en daarna niet nogmaals daarover hoeft te gaan. Wordt het strategisch afwegingskader als vaste gedragslijn toegepast? 7. Eiser heeft aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd dat het strategisch afwegingskader als vaste gedragslijn wordt toegepast bij bouwplannen van vijf of minder woningen. 7.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat alle plannen voor woningbouw die in strijd zijn met het bestemmingsplan worden getoetst aan het strategisch afwegingskader, ook als het gaat om vijf of minder woningen. Dat is een vaste interne gedragslijn. Hiermee wordt een consistente beoordeling beoogd en willekeur voorkomen. Het college heeft bij het verweerschrift twee brieven uit 2021 en 2022 overgelegd om de vaste gedragslijn te onderbouwen. 7.2. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt hiertoe het volgende. Uit het ‘Herzien uitvoeringsprogramma Woningbouw 2016-2026’ volgt dat het strategisch afwegingskader wordt toegepast op plannen van meer dan vijf woningen. Met de toelichting in het verweerschrift en de brieven die het college bij het verweerschrift heeft overgelegd, heeft het college echter voldoende gemotiveerd dat het strategisch afwegingskader als vaste gedragslijn wordt toegepast bij bouwplannen van vijf of minder woningen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het college op de zitting heeft toegelicht dat er niet meer (kleine) woningbouwplannen zijn geweest. Het college heeft op 8 januari 2026 aanvullend een verslag van het ‘Intaketeam woningbouwprojecten’ van 13 juni 2024 overgelegd. Hierin wordt bevestigd dat het strategisch afwegingskader wordt toegepast bij kleine woningbouwplannen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zijn de afspraken van de gemeente met het dorpshuis duidelijk? 8. Eiser heeft aangevoerd dat de afspraken met het dorpshuis onduidelijk zijn. Het is onduidelijk wanneer de afspraken zijn gemaakt en wat er met wie is afgesproken. De geanonimiseerde e-mail die door het college is overgelegd, is onvoldoende. 8.1. De rechtbank is met het college van oordeel dat de afspraken van de gemeente met het dorpshuis duidelijk zijn. In het bestreden besluit is de voorgeschiedenis weergegeven en uit de e-mail van 30 mei 2016 blijken de gemaakte afspraken. Weliswaar is de e-mail geanonimiseerd, maar duidelijk is dat de e-mail afkomstig is van de gemeente. Uit de inhoud kan verder worden opgemaakt dat dit afspraken zijn tussen de gemeente en het dorpshuis. Onder optie A staat de volgende afspraak: ‘Bij optie A is het de bedoeling te bezien of er voor de op bijgevoegde plattegrond geel en blauw gearceerde gedeelten van de voormalige school met bijbehorende grond een koper is te vinden. Hierbij zal nadrukkelijk worden aangegeven dat de gemeente enkel bereid is medewerking te verlenen aan een lichte bedrijfsmatige functie (dus geen wonen dan wel een combinatie van wonen en werken) (…).’ Naar het oordeel van de rechtbank is dit een duidelijke afspraak over het beoogde gebruik van het voormalig schoolgebouw. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is er verschil tussen eisers gebouw en een voormalig schoolgebouw in Sondel? 9. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en betoogd dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er een relevant verschil is tussen zijn gebouw en het voormalige schoolgebouw in Sondel. De voormalige school in Sondel voldeed niet aan het strategisch afwegingskader en heeft wel een woonbestemming gekregen. Ruimtelijk gezien is er echter geen verschil tussen de schoolgebouwen. Daar komt bij dat het college in De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een bestuurlijke lus). Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar wat in overweging 6.2.4. is opgenomen. 12. De rechtbank bepaalt dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van de stichting moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor twaalf weken. 13. Het college moet eiser als derde-belanghebbende in de bezwaarprocedure - voordat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt - de gelegenheid geven om te reageren op het gewijzigde standpunt over het geluidsaspect, eventueel met een tegenonderzoek, mocht het college het gewijzigde standpunt ten grondslag willen leggen aan het nieuwe besluit. 14. Eiser heeft zich verder op de zitting beroepen op de (binnenplanse) wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan. Het college moet hierop reageren in het nieuwe besluit op bezwaar. 15. Met de vernietiging van het bestreden besluit herleeft de omgevingsvergunning die op 25 september 2023 van rechtswege is gegeven. Gelet op wat hiervoor in overwegingen 6.2.1. tot en met 6.2.4. is benoemd, overweegt de rechtbank dat niet bij voorbaat vaststaat dat die omgevingsvergunning in de hernieuwde bezwaarfase stand zal houden. Om die reden schorst de rechtbank de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning tot opnieuw op het bezwaar van de stichting is beslist. 16. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht van € 187,- aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift ingediend en aan de zittingen deelgenomen. Daarbij merkt de rechtbank de zitting van 22 januari 2026 aan als een nadere zitting. Daarnaast heeft eiser recht op vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van beide zittingen. Die reiskostenvergoeding bedraagt € 89,40 (tweemaal een retourreis met het openbaar vervoer, tweede klasse, tussen [adres] in [plaats] en Guyotplein 1 in Groningen). De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 2.424,40. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 29 april 2024; draagt het college op om binnen twaalf (12) weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van de stichting te nemen, met inachtneming van deze uitspraak; schorst bij wijze van voorlopige voorziening de omgevingsvergunning die op 25 september 2023 van rechtswege is gegeven tot opnieuw op het bezwaar van de stichting is beslist; bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 2.424,40 aan proceskosten aan eiser; veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding van € 400,- aan eiser voor geleden immateriële schade; veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 100,- aan eiser voor geleden immateriële schade. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraa