Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-23
ECLI:NL:RBNNE:2026:690
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/4493 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen [naam] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân (gemachtigde: L.M. van Benthem). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [plaats] (derde-partij). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom vanwege bouwen zonder omgevingsvergunning op het perceel de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Eiser is het niet eens met deze last onder dwangsom wat betreft de bouw van de dakkapel. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last onder dwangsom. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 30 november 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd die onder meer ziet op de dakkapel van de woning. Met het bestreden besluit van 27 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij die last gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hangende de procedure de begunstigingstermijn van de last verlengd tot zes maanden na de uitspraak op dit beroep. Tegen die verlenging zijn geen beroepsgronden aangevoerd. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en derde-partij. Eiser heeft [naam] , [naam] , [naam] en [naam] meegenomen die met instemming van partijen als informant zijn gehoord tijdens de zitting. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Op 1 maart 2021 heeft het college een handhavingsverzoek van derde-partij ontvangen. 3.1. De toezichthouder heeft bij een controle op 11 maart 2021 geconstateerd dat aan de achterzijde van de woning een dakkapel over de volledige breedte van de woning is gebouwd. 3.2. Eiser heeft in 2021 de woning verkocht. Het college heeft aan de koper van de woning een voornemen tot een last onder dwangsom opgelegd. Hiertegen heeft de koper een zienswijze ingediend. 3.3. Op 30 november 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan de koper van de woning en diens rechtsopvolgers. Het college heeft de last gericht tegen het in stand laten van een bouwwerk zonder te beschikken over een vergunning en een welstandsexces. De last ziet op het beëindigen en beëindigd houden van een vijftal overtredingen waaronder het in stand houden van een dakopbouw die zonder de benodigde omgevingsvergunning over de gehele breedte van de woning is gerealiseerd. 3.4. Bij arrest van 9 januari 2024 van het hof Arnhem-Leeuwarden is de koopovereenkomst tussen eiser en de koper van de woning vernietigd. Eiser is daardoor met terugwerkende kracht eigenaar gebleven van de woning. Daarom heeft het college eiser in de gelegenheid gesteld om alsnog bezwaar te maken tegen de last onder dwangsom. 3.5. Eiser heeft op 10 april 2024 bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom. 3.6. Het college heeft eisers bezwaar, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, ongegrond verklaard en de last in stand gelaten onder aanvullende motivering. Toetsingskader 4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op een last onder dwangsom die voor die datum is opgelegd het oude recht van toepassing tot de last is uitgevoerd, de dwangsom is verbeurd en betaald of de last is opgeheven. In dit geval is de last opgelegd voor 1 januari 2024 en is de last nog niet opgeheven of uitgevoerd en zijn er geen dwangsommen verbeurd. Dat betekent dat het oude recht van toepassing is. 4.1. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. 4.2. Bij handha Daarmee is de dakkapel zonder vergunning gerealiseerd. De rechtbank overweegt verder dat de dakkapel, gelet op de omvang (hoogte) ervan, niet voldoet aan de eisen voor vergunningvrij bouwen. Eiser bestrijdt dat ook niet. Daarmee is zonder vergunning gebouwd en levert het in stand houden van de dakkapel een overtreding op van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Het college is daarom in beginsel bevoegd om hiertegen handhavend op te treden. Zijn er bijzondere redenen om van handhaving af te zien? Concreet zicht op legalisatie 6. Eiser voert aan dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, omdat er concreet zicht is op legalisatie. Eiser heeft op 15 december 2024 met een potentiële koper ( [bedrijf] ) een intentieovereenkomst gesloten, waarin is opgenomen dat hij de woning van eiser zal koper, mits ook de naastgelegen woning aan haar zal worden verkocht. De intentie is dat de woningen zullen worden gesloopt. 6.1. Volgens het college is geen sprake van concreet zicht op legalisatie, omdat de dakkapel in strijd is met redelijke eisen van welstand en een welstandsexces oplevert en daarom niet kan worden vergund. Ter zitting heeft het college opgemerkt dat het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet bekend was met de intentieovereenkomst. Het college vindt de plannen uit die overeenkomst te onzeker om concreet zicht op legalisatie te kunnen aannemen. 6.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Daartoe overweegt zij als volgt. 6.3. Er zou in dit geval concreet zicht op legalisatie bestaan, indien voor de dakkapel een omgevingsvergunning kan worden verleend. De rechtbank stelt vast dat eiser geen aanvraag heeft ingediend voor de legalisering van de dakkapel. Het college heeft in het primaire besluit gemotiveerd waarom er geen concreet op legalisatie bestaat. Volgens het college kan de dakkapel niet worden vergund, omdat de dakkapel een welstandsexces oplevert. Ter onderbouwing daarvan heeft het college verwezen naar adviezen van de welstandscommissie. Eiser heeft die niet bestreden. De rechtbank ziet ook anderszins geen aanknopingspunt dat het college tot dat standpunt heeft kunnen komen. Het college is niet bereid mee te werken aan vergunningverlening. De rechtbank overweegt dat strijd met redelijke eisen van welstand een weigeringsgrond zou opleveren indien eiser alsnog een aanvraag zou doen. Gelet daarop heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat in dit geval geen concreet zicht op legalisatie bestaat. 6.4. Dat de woning mogelijk zal worden verkocht aan een derde en vervolgens gesloopt, doet daar niet aan af. Het college was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet op de hoogte van de toekomstige plannen van eiser. Eiser heeft dit niet betwist. Het college kon dat ook niet zijn, want het moment van tekenen van de intentieovereenkomst tussen eiser en [bedrijf] is na het nemen van het bestreden besluit. Daarnaast is de mogelijke sloop van de woning, wat daar verder ook van zij, onvoldoende om concreet zicht op legalisatie van de bestaande situatie aan te nemen. Tijdsverloop 7. Eiser voert aan dat het college in de periode vanaf 9 september 2010 tot maart 2021 niets heeft ondernomen tegen de dakopbouw. Pas na een handhavingsverzoek is het college hiertegen gaan handhaven. Het college heeft door het tijdsverloop de situatie gedoogd, zodat van handhavend optreden moest worden afgezien. 7.1. Het college heeft ter zitting aangevoerd dat het tijdsverloop niet maakt dat handhaving in dit geval onevenredig is. Het college geeft aan dat handhaving niet verjaart. Bovendien gaat het om een forse afwijking en een welstandsexces, zodat handhaving in dit geval geboden is. 7.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. 7.3. De rechtbank stelt vast dat niet in geding is dat de dakkapel in ieder geval sinds 2009 aanwezig is. De rechtbank is van oordeel dat het tijdsverloop tot aan het besluit tot handh Dit is namelijk een risico dat voor rekening van eiser moet komen, omdat hij heeft gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning. Dat er toekomstige plannen zijn om het pand te slopen doet aan het voorgaande niets af. Die plannen zijn van na het bestreden besluit. Bovendien kan de rechtbank het college volgen dat die plannen nog dermate onzeker zijn dat het college ook om die reden daarmee geen rekening heeft kunnen houden. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E.C. Garcea, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, (…) 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt. Artikel 2.3a Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op: (…) b. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h of i; (…) Artikel 2.10 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: (…) d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; (…) Besluit omgevingsrecht Bijlage II Artikel 2 Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: (…) 4. Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voorzien van een plat dak, b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m, c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet, d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, e. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en f. niet op: 1°. een woonwagen, 2°. een gebouw waarvoor