Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-02-20
ECLI:NL:RBNNE:2026:554
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
1,262 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNNE:2026:554 text/xml public 2026-02-26T15:06:12 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-20 LEE 26/185 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:554 text/html public 2026-02-26T15:05:17 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:554 Rechtbank Noord-Nederland , 20-02-2026 / LEE 26/185 Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom. Verzoeker heeft niet gereageerd op het verzoek van de voorzieningenrechter om zijn spoedeisend belang te onderbouwen. Het is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken dat verzoeker in financiële nood dreigt te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom geen sprake van een spoedeisend belang. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/185 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2026 in de zaak tussen [naam], uit Nieuwe Pekela, verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pekela. Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om verzoeker een last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van het perceel [adres]. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen eerst of er sprake is van spoedeisend belang. Als dat zo is, kan aan de orde komen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het besluit te schorsen. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat in dit geval geen sprake is van spoedeisend belang. 1.2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter Procesverloop 2. Op 19 maart 2025 heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 11 december 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de last onder dwangsom gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Onverwijlde spoed 3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is daarbij bedoeld als spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het beroep is beslist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. 3.1. De voorzieningenrechter heeft verzoeker per brief van 5 februari 2026 gevraagd om vóór 12 februari 2026 te laten weten of sprake is van onverwijlde spoed en zo ja, om toe te lichten waaruit die onverwijlde spoed bestaat. In dezelfde brief heeft de voorzieningenrechter verzoeker ook in de gelegenheid gesteld om alsnog het griffierecht te betalen vóór 12 februari 2026. 3.1.1. De voorzieningenrechter heeft de brief van 5 februari 2026 met een beveiligd emailbericht aan verzoeker gestuurd en vastgesteld dat het emailbericht door verzoeker ook is geopend. Verzoeker heeft het griffierecht daarna op 9 februari 2026 betaald. 3.1.2. Verzoeker heeft niet gereageerd op het verzoek om te laten weten of sprake is van onverwijlde spoed en die te onderbouwen. Het is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken dat verzoeker in financiële nood dreigt te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom geen sprake van een spoedeisend belang. 3.2. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat geen spoedeisend belang kan worden aangenomen, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in beroep in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet overduidelijk is dat het besluit geen stand zal kunnen houden. Conclusie en gevolgen Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.