Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-21
ECLI:NL:RBNNE:2026:492
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/5125 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen AZexpress holding B.V., uit Groningen, eiseres (gemachtigde: mr. A. Kwint-Ocelikova), en Instituut Mijnbouwschade Groningen. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het Instituut volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 5 december 2023. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 3. Eiseres heeft op 5 december 2023 een aanvraag ingediend om schadevergoeding. De aanvraag heeft betrekking op het pand aan de Stavangerweg 33 te Groningen. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is verstreken. Eiseres heeft het Instituut op 3 september 2025 in gebreke gesteld en gevraagd om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Toen een besluit uitbleef, heeft eiseres op 3 december 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. 4. De rechtbank stelt vast dat het Instituut op 4 augustus 2025 een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het besluit is op dezelfde dag door het Instituut geplaatst in ‘mijn dossier’. De gemachtigde van eiseres heeft een e-mailnotificatie ontvangen dat er een brief klaarstond in het dossier. Het voorgaande geldt ook voor het besluit naar aanleiding van de ingediende ingebrekestelling. De gemachtigde van eiseres stelt echter pas met de toezending van de processtukken door de rechtbank bekend te zijn geworden met beide besluiten. 5. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:40 Awb een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Zolang een besluit nog niet bekend is gemaakt heeft het derhalve nog niet de gevolgen van een rechtshandeling. Een onjuist bekend gemaakt besluit kan immers gevolgen hebben voor de aanvang van de bezwaartermijn. 5.1. Artikel 2:14, eerste lid, van de Awb maakt verzending van berichten (een bericht kan ook een besluit zijn) langs elektronische weg in plaats van verzending (of uitreiking) aan een of meer geadresseerden alleen mogelijk voor zover die geadresseerden hebben laten weten dat zij langs die weg voldoende bereikbaar zijn. Uit de door de gemachtigde van eiseres overgelegde correspondentie blijkt dat zij expliciet heeft meegedeeld niet via ‘Mijn dossier’ te willen communiceren en dat het Instituut heeft bevestigd dat correspondentie via de post wordt verzonden. Nu de gemachtigde van eiseres niet kenbaar heeft gemaakt langs de elektronische weg bereikbaar te zijn, is hiermee niet voldaan aan de bekendmaking van het besluit in de zin van artikel 3:40 van de Awb. 5.2. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank verzocht te oordelen dat het besluit voor het eerst op 16 december 2025 bekend is gemaakt, namelijk doordat het besluit in het kader van de beroepsprocedure kenbaar is geworden aan de gemachtigde. Volgens eiseres staat daarmee vast dat het beroep wegens het niet tijdig beslissen terecht is ingesteld en dat het Instituut in gebreke is gebleven door het besluit niet op correcte wijze bekend te maken. 5.3. Volgens vaste rechtspraak is de toezending van het besluit als bijlage bij de gedingstukken voor een beroepsprocedure geen toereikende wijze van bekendmaking. Dat betekent dat het Instituut het besluit nog niet op de juiste wijze bekend heeft gemaakt. Bekendmaking van een genomen besluit kan op grond van artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Awb middels beroep worden afgedwongen. Het