Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-03
ECLI:NL:RBNNE:2026:439
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/1473 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. N.A.H. Limbourg), en de korpschef van politie, Eenheid Oost-Nederland, verweerder (gemachtigden: mr. P. Pasteuning en M. van Horn). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om rectificatie van zijn politiegegevens. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Eiser is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de afwijzing rechtmatig is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die van belang zijn. Procesverloop 2. Op 27 februari 2024 heeft eiser verzocht om rectificatie van zijn politiegegevens op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg). Specifiek gaat het om een passage in een proces-verbaal van bevindingen. 2.1. Met het bestreden besluit van 11 maart 2024 heeft verweerder dat verzoek afgewezen. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Eiser is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Is verweerder bevoegd om op het verzoek van eiser te beslissen? 3. Volgens eiser is er sprake van een bevoegdheidsgebrek. Hij voert daartoe aan dat het besluit is genomen door de politiechef van Eenheid Oost-Nederland. Dit terwijl eiser zijn verzoek heeft ingediend bij de politiechef van Eenheid Noord-Nederland. Hij stelt dat nergens uit is gebleken dat de politiechef van Eenheid Oost-Nederland op zijn verzoek had mogen beslissen. 3.1. Volgens verweerder is er van een bevoegdheidsgebrek geen sprake. Hij legt uit dat de Wpg voorschrijft dat de verwerkingsverantwoordelijke beslist op het rectificatieverzoek . In dit geval is dat de korpschef . Via mandaat is dat neergelegd bij de politiechefs en daarbij geldt geen territoriale begrenzing . 4. De rechtbank volgt hierin het standpunt van verweerder. Uit de Wpg, in samenhang met het Mandaatbesluit politie 2024, volgt dat er geen territoriale begrenzing geldt als de Wpg van toepassing is. En dat is hier het geval. Dit betekent dat verweerder de bevoegdheid heeft om te beslissen op het verzoek van eiser. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet. Heeft verweerder terecht geoordeeld dat de politiegegevens van eiser niet kunnen worden gewijzigd? 5. Eiser stelt dat verweerder de politiegegevens in het bedoelde proces-verbaal had moeten rectificeren. De verbalisant heeft hierin namelijk vermeld dat hij met eiser heeft gesproken en dat eiser de zogenaamde ‘beller’ was, waarover in het proces-verbaal wordt verklaard. Volgens eiser is dit niet waar. Daarom heeft hij bij verweerder de informatie aangedragen die wel juist is, zodat de gegevens in het proces-verbaal kunnen worden gerectificeerd. Dat verweerder vervolgens verlangt dat eiser die gegevens nader onderbouwt, vindt hij niet redelijk. Het is eiser ook niet duidelijk hoe hij dat zou moeten doen, behalve dan te vertellen hoe het wel is gegaan. Ook is er volgens eiser nu sprake van omgekeerde bewijslast. Hij voegt hieraan toe dat de verklaring van een verbalisant in een proces-verbaal niet subjectief of suggestief mag zijn. 5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rectificatierecht in de Wpg niet voor zulke wijzigingen is bedoeld. Verder merkt hij op dat als er in een proces-verbaal gegevens worden vermeld die daadwerkelijk niet juist zijn, eiser dat aannemelijk moet maken. Dat heeft hij ni