Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-18
ECLI:NL:RBNNE:2026:424
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/3923 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen Natuur- en Landschapsvereniging “De Wâlden/Marren”, uit Eastermar, eiseres (gemachtigde: mr. M.T. Hoen), en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel , het college (gemachtigde: F. de Jong). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit Houtigehage (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor een steiger in het meer De Leijen. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning zo niet had mogen afgeven. Het aangevraagde gebruik van de steiger en het daarbij behorende terrein voor recreatie en onderhoud is in strijd met het bestemmingsplan. Dat is door het college niet onderkend. Het besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en niet voldoende gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Vergunninghouder is eigenaar van perceel [perceelnummer] (het perceel). Dat perceel ligt in en aan het meer De Leijen en bestaat voor een deel uit water en voor het overige uit een oever met een vaste wal (het terrein). Eiseres houdt zich als vereniging bezig met het behouden en versterken van de kenmerkende landschapselementen in de Friese Wouden, waaronder ook de Leijen. Eiseres controleert in dat licht regelmatig de oevers van De Leijen en documenteert de staat van de natuur en de rietkragen. 2.1. In 2022 is het college overgegaan tot handhaving. Op het perceel bevond zich toen een illegale steiger. De steiger is vervolgens verwijderd. 2.2. Vergunninghouder heeft op 16 juni 2023 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. 2.3. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 18 september 2023 geweigerd. 2.4. Vergunninghouder is daar in bezwaar tegen opgekomen. 2.5. De commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft vervolgens in het bestreden besluit van 24 mei 2024 de omgevingsvergunning verleend. Het college is daarbij afgeweken van de bouwregels van het bestemmingsplan. 2.6. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.7. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.8. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], met hun gemachtigde, de gemachtigde van het college en vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. 3.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreden van de Omgevingswet, blijft de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing. 3.2. Het ter plaatse geldend planologisch regime is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’. Op het perceel gelden de bestemmingsvlakken ‘Waarde - Landschap (Open Landschap)’ en ‘Natuur’. In de bestemmingsomschrijving staat (onder a t/m q) waar de voor ‘Natuur’ aangewezen gronden precies voor zijn bestemd en is ook omschreven welke daaraan ondergeschikte functies er zijn (onder r t/m gg). Wat is vergund? 4. De omgevingsvergunning is verleend voor de steiger voor de activiteiten Daar komt bij dat artikel 24.1, onder x en y van het bestemmingsplan bepalen dat ‘recreatief en educatief’ medegebruik, ondergeschikt aan de bestemming ‘Natuur’, is toegestaan. Deze planregel moet letterlijk worden uitgelegd, dus er moet sprake zijn van de combinatie van recreatief én educatief gebruik. Niet in geschil is dat geen sprake is van educatief gebruik. Nu vaststaat dat alleen recreatief gebruik is beoogd en niet educatief gebruik, is het gebruik ook daarom in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank concludeert daarom dat het gebruik van de steiger voor recreatief (en niet ook educatief) gebruik in strijd is met de planvoorschriften. Gebruik van het bij de steiger behorend terrein voor recreatie en onderhoud 6.7. Ook het gebruik van het bij de steiger behorend terrein voor recreatie is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 24.1, onder ff, van de planregels brengt de bij de steiger behorende erven en terreinen ook onder de werkingssfeer van het artikel. Wat de rechtbank zojuist heeft geoordeeld over de strijdigheid van de steiger met de planregels, geldt daarmee ook voor het daarbij behorend terrein. 6.8. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het gebruik van het bij de steiger behorend terrein voor onderhoud in strijd is met het bestemmingsplan. Het gebruik van het perceel voor onderhoud zoals hierboven is omschreven, is niet toegestaan, omdat onderhoud niet in artikel 24.1 van de planvoorschriften staat genoemd. Het feit dat artikel 24.5.2 van het bestemmingsplan bepaalt dat voor normaal onderhoud geen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘werken of werkzaamheden’ nodig is, betekent niet dat het terrein voor het onderhoud mag worden gebruikt zoals vergunninghouder dat heeft aangevraagd. 6.9. Overigens is het uitgevoerde onderhoud dat vergunninghouder ter plaatse verricht, in samenhang bekeken met het (beoogd) recreatief gebruik naar het oordeel van de rechtbank niet ondergeschikt aan de bestemming ‘Natuur’. De planvoorschriften bepalen immers dat de bestemming ‘Natuur’ leidend is en andere vormen van gebruik daaraan ondergeschikt moeten zijn. Alles duidt erop dat het onderhoud op het terrein is uitgevoerd met als doel het perceel in te richten om te kunnen recreëren. Ook daarom is het gebruik waarvoor de aanvraag is gedaan in strijd met het bestemmingsplan. 6.10. Omdat vaststaat dat het gebruik van zowel de steiger als het terrein voor recreatie en onderhoud op meerdere punten strijdig zijn met het bestemmingsplan, zijn hiervoor ook omgevingsvergunningen nodig voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’. 6.11. Het college moet bij strijd met de planregels ambtshalve beoordelen of het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk is voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’. Het staat vast dat het college dit niet heeft beoordeeld. Het college zal daarom alsnog moeten beoordelen of hiervoor kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Het beroep slaagt daarom. 6.12. Vanuit het oogpunt van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank hieronder nog ingaan op een andere beroepsgrond. Was de aanvraag volledig? 7. Eiseres heeft ook aangevoerd dat de vergunningsaanvraag onvolledig was, dat er informatie ontbrak en dat het college op basis hiervan geen besluit heeft kunnen nemen. De activiteit is (mede) aangevraagd voor het gebruik van de gronden en bouwwerken in strijd met de planvoorschriften en volgens eiseres is er geen informatie waaruit zou blijken dat dit niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Volgens eiseres is het daarmee juist wel in strijd. 7.1. Het college is enkel uitgegaan van een aanvraag voor de bouw van een steiger en betoogt dat voor het beoordelen daarvan kon worden volstaan met constructietekeningen van de steiger. Volgens het college mocht zij gelet op de beschikbare gegevens overigens concluderen dat sprake was van een goede ruimtelijke ordening en dat de natuurwaarde Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 24 mei 2024; - draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden; - bepaalt dat het college voor € 50,58,- aan reiskosten aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 7:12 1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2026-01-01) van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied. (…) Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 2.10 (…) 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c , en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c , kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a.indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: (…) 2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of (…) Besluit omgevingsrecht – Bijlage II Artikel 4 Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: (…) 3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 10 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; (…) Ministeriële regeling omgevingsrecht In of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet , verstrekt de aanvrager gegevens en bescheiden over: (…) de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening; Bestemmingsplan Buitengebied 2013. Artikel 1 Begrippen 106 recreatief medegebruik een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan; Artikel 24 Natuur 24.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Natuur ’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water, waaronder meren, plassen,