Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-23
ECLI:NL:RBNNE:2026:404
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/3525 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen Lambeck Tweewielers B.V., uit Appingedam, eiseres (gemachtigde: mr. P. Koeslag), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta , het college (gemachtigde: mr. I. Kadijk). Als derde-partij neemt aan het geding deel SynVest Dutch RealEstate / B.V. te Amsterdam (gemachtigde: mr. I.L. Haverkate). Procesverloop 1. In het besluit van 9 juli 2021 (primair besluit) heeft het college een vergunning verleend voor het realiseren van een sportschool op de eerste verdieping van de Farmsumerweg 126b in Appingedam (hierna: het pand). 1.1. In het besluit van 16 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 1.2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.3. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van het college was ook F. Grond, werkzaam als geluidsdeskundige bij de Omgevingsdienst Groningen (ODG), aanwezig. Namens derde-partij is verschenen L. Ottens, bijgestaan door haar gemachtigde. 1.5. In de tussenuitspraak van 17 oktober 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig en gemotiveerd was genomen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. 1.6. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. 1.7. Eiseres en derde-partij zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren, maar hebben daar geen gebruik van gemaakt. 1.8. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Overwegingen 2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 augustus 2011 en 15 augustus 2012. 3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college onvoldoende onderzocht had wat de impact van het geluid van het fitnesscentrum op de omgeving zou zijn. Het college had niet onderzocht wat de impact op de omgeving zal zijn van het contactgeluid, veroorzaakt door het gebruik van fitnesstoestellen en gewichten. Omdat in het pand, zonder vergunning, detailhandel was toegestaan was de rechtbank van oordeel dat het college dit wel had moeten onderzoeken. Hoewel van detailhandel ook contactgeluid uit kan gaan, zou dit naar het oordeel van de rechtbank (mogelijk) heel ander geluid betreffen dan contactgeluid geproduceerd door een fitnesscentrum. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat in een fitnesscentrum dagelijks mensen komen trainen met gewichten en op toestellen, waardoor er structureel en stelselmatig contactgeluid aanwezig is. In de uitgevoerde geluidonderzoeken was geen rekening gehouden met contactgeluid, maar alleen met luchtgeluid. Daarover heeft de geluidsdeskundige van de ODG ter zitting aangegeven dat de impact van contactgeluid anders kan zijn dan van luchtgeluid en dat het feit dat de situatie aanvaardbaar was voor luchtgeluid dus niet betekende dat ditzelfde gold voor contactgeluid. 3.1. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen. Daartoe diende het college te onderzoeken wat de i