Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-09-01
ECLI:NL:RBNNE:2026:3810
Tussenuitspraak en schorsing van de omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet voor het realiseren van een dakopbouw. Welstandsadvisering. Het welstandsadvies dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit is niet op schrift gezet. Het uitgewerkte welstandsadvies naar aanleiding van de bezwaren is niet ondertekend en is opgesteld door een interne ambtenaar in dienst van de gemeente. Geen externe deskundige. Bovendien is niet ingegaan op de door verzoekers naar voren gebrachte argumenten met betrekking tot de toepasselijke welstandscriteria. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht locatie Groningen zaaknummers: LEE 26/2650 en 26/2651-T uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [verzoekers] , uit [plaats], verzoekers, (gemachtigde: J.J. Schreuder), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen , het college, (gemachtigde: mr. C. Bouwmeester). Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde belanghebbende], uit [plaats], vergunninghoudster. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening tegen de aan vergunninghouders verleende omgevingsvergunning voor het vergroten van de entree en het plaatsen van een dakopbouw op de woning aan de [adres] in Groningen (het perceel). Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekers daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. 1.1. Het college heeft bij primair besluit van 24 maart 2026 aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning op het perceel in Groningen. Uit de vergunningaanvraag blijkt dat ook de entree van de woning wordt vergroot, maar daarvoor is geen omgevingsvergunning nodig. Met het bestreden besluit van 28 juli 2026 op de bezwaren van verzoekers is het college bij dit besluit gebleven. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht de verleende omgevingsvergunning te schorsen totdat op het beroep is beslist. 1.2. Het college heeft gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening met een verweerschrift. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekers is [naam] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en K. Strating. Vergunninghoudster is in persoon verschenen, bijgestaan door [naam]. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter beoordeelt de omgevingsvergunning die is verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning op het perceel in Groningen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van verzoekers. 3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep gegrond is. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden toegewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Feiten 4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 4.1. Vergunninghoudster heeft op 12 januari 2026 een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning en het vergroten van de entree van de woning op het perceel in Groningen bij het college ingediend. 4.2. Het college heeft bij het primaire besluit van 24 maart 2026 aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning op het perceel in Groningen. Verder heeft het college in dit besluit aangegeven dat het vergroten van de entree van de woning omgevingsvergunningvrij is. 4.3. Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. 4.4. Verzoekers hebben de bezwaren mondeling toegelicht op een hoorzitting van 21 juli 2026 van de adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Groningen (de commissie). 4.5. De commissie heeft het college bij brief van 27 juli 2026 geadviseerd om de bezwaren van verzoekers ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten. 4.6. Met het bestreden besluit op de bezwaren van verzoekers is het college bij dit besluit gebleven. Is er sprake van een spoedeisend belang? 5. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als onverwijlde spoed dat vereist. Omdat vergunninghoudster op korte termijn wil beginnen met de bouwwerkzaamheden, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan de zijde van verzoekers gegeven. Welk recht is van toepassing? 6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat in deze procedure het nieuwe recht (waaronder de Ow) van toepassing is, omdat de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is ingediend op 12 januari 2026. Het geschil 7. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het college terecht een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning op het perceel in Groningen heeft verleend. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Regelgeving en toetsingskader 8. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van vergunninghoudster was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “De Hunze/Van Starkenborgh” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt nu onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Groningen (het Omgevingsplan) . Op het perceel geldt - voor zover voor dit bouwplan van belang - de bestemming “Wonen-2”. 9. Artikel 13.2.2 van de planregels van het Omgevingsplan bepaalt dat binnen deze bestemming voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen gelden: a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd; (…), c. de bouw- en goothoogte mogen maximaal de aangegeven bouw- en goothoogte bedragen (11 meter); d. de dakhelling mag maximaal 60 graden bedragen; (…). 10. Voor het realiseren van de dakopbouw is op grond van het Omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit vereist. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de beoordelingsregels die het toetsingskader vormen voor het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het Omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Uit artikel 32.29, eerste lid, van het Omgevingsplan volgt dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met de in het Omgevingsplan gestelde regels over bouwen en ook niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Voldoet de dakopbouw aan de bouwregels van het Omgevingsplan? 11. Het college stelt zich op het standpunt dat er vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de omgevingsplanactiviteit bouwen geen redenen zijn om de omgevingsvergunning te weigeren. Het bouwplan voldoet aan de bouwregels voor de bestemming “Wonen-2” die zijn neergelegd in de planregels van het bestemmingsplan “De Hunze/Van Starkenborgh”. Verder voldoet de aanvraag volgens het college aan de welstandscriteria. Omdat sprake is van een gebonden beschikking, is het college gehouden om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen en heeft het college geen ruimte voor het maken van een belangenafweging. 12. Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat het bouwplan voldoet aan de maximale bouwhoogte van 11 meter, zoals neergelegd in artikel 13.2.2, onder c, van de planregels van het Omgevingsplan. Hieruit volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dakopbouw in zoverre past binnen het Omgevingsplan. Wel is tussen partijen in geschil of de aangevraagde dakopbouw voldoet aan redelijke eisen van welstand. In de hierna volgende overwegingen gaat de voorzieningenrechter daarop in. Voldoet de dakopbouw aan redelijke eisen van welstand? 13. Verzoekers betogen dat de aangevraagde dakopbouw niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Verzoekers voeren aan dat de huidige welstandsadvisering bij de gemeente Groningen intern-ambtelijk is en dus niet meer extern en onafhankelijk. Verder voeren verzoekers aan dat de beoogde dakopbouw een nadrukkelijke dissonant wordt in dit architectonisch unieke nog bijna gave straatbeeld (even huisnummers) van de Rietveldlaan. In de visie van verzoekers voldoet de dakopbouw niet aan de algemene en specifieke criteria van de welstandsnota. Naar de mening van verzoekers levert de geplande dakopbouw in dit deel van de Rietveldlaan, en bij de vrijwel intacte zijde met de even huisnummers, geen positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. In dit verband wijzen verzoekers erop dat de dakopbouw door de hoogte (en het materiaalgebruik) een nadrukkelijk zichtbare dissonant in het straat- en bebouwingsbeeld is. Daar komt volgens verzoekers bij dat deze dakopbouw, die ook contrasteert met de omgeving, op alle schaalniveaus (context, gebouw en uitwerking) van buitengewoon hoge architectonische kwaliteit dienen te zijn (toelichting bij het algemene criterium 1). Dat is de geplande standaard uitvoering met zilvergrijze golfplaten zeker niet. Verder wijzen verzoekers erop dat de verwijzingen naar stijlen en associaties met de bouwperiode, gebouwtypen en architectuurprincipes bij de geplande dakopbouw niet zorgvuldig zijn toegepast. Daarnaast voeren verzoekers aan dat bij de welstandstoetsing gekeken moet worden naar de architectonische kwaliteit als uitgangspunt van vormgeving (toelichting algemene criterium 3). In de visie van verzoekers respecteert het bouwinitiatief niet de hiërarchische stedenbouwkundige structuur van het unieke architectonische project. Het materiaalgebruik van de dakopbouw met de zilvergrijze aluminium dakopbouw past niet in de, bij het unieke architectonische project, afgesproken en gebruikte variërende materiaal- en detailtoepassingen en constructiewijze. Bovendien zijn volgens verzoekers het materiaalgebruik, de kleur en de detaillering voor de dakopbouw ook niet afgestemd op de aangrenzende en overliggende bebouwing. Aluminium zilvergrijze golfplaten voor gevelbekleding (entreevergroting, rest trappenhuis daarboven, beoogde dakopbouw) passen naar de mening van verzoekers niet dit straatbeeld met allure. Crème witte houten stroken kunnen desgewenst worden vervangen door crème wit High Pressure Laminate (HPL) die onderhoudsarm en beter brandwerend zijn. Daar komt volgens verzoekers bij dat zij als gevolg van het materiaalgebruik en de lichte kleurstelling vrezen overlast te zullen ondervinden in verband met de reflectie van zonlicht. 13.1. Het college heeft gesteld dat aan het bestreden besluit een welstandsadvies en een nader uitgewerkt welstandsadvies ten grondslag is gelegd. In het nader uitgewerkte advies is aangegeven dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, gelet op de algemene Groninger criteria en de gebiedscriteria van het betreffende welstandsgebied van de welstandsnota. 13.2.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat het welstandsadvies dat aan het primaire besluit ten grondslag ligt niet op schrift is gesteld en zich niet onder de gedingstukken bevindt. Daar komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij dat door het college niet duidelijk is gemaakt aan welke welstandscriteria (sneltoets-, algemene- en/of gebiedspecifieke criteria) is getoetst bij dit welstandsadvies. 13.2.2. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat het door het college alsnog in geding gebrachte uitgewerkte welstandsadvies niet is voorzien van een datering en niet van een ondertekening door de opsteller daarvan. Op zitting heeft de gemachtigde van het college nader uiteengezet dat dit bouwplan meerdere keren is beoordeeld door de welstandsadviseurs in dienst van de gemeente Groningen en dat het uitgewerkte welstandsadvies is opgesteld door de interne ambtenaar Helder, die beschikt over specifieke deskundigheid op het gebied van welstand (en architect is). Gelet daarop ziet het college niet in waarom de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) met betrekking tot welstandsadvisering niet van toepassing is. Met verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat de welstandsadvisering door de interne ambtenaar in dienst van de gemeente Groningen niet kan worden beschouwd als onafhankelijke welstandsadvisering door een externe deskundige. Hieruit volgt dat de door het college genoemde vaste jurisprudentie van de Afdeling in dit geval niet onverkort van toepassing is. Dit betekent dat het college niet zonder nadere motivering op het uitgewerkte welstandsadvies mocht afgaan en verzoekers in dit geval niet gehouden waren om een contra-expertise van een deskundige op het gebied van welstand te overleggen om het uitgewerkte welstandsadvies beargumenteerd te weerleggen. Dat (externe) welstandsadvisering geen verplichting is voor het college, maakt vanzelfsprekend niet dat aan een welstandstoets door een interne ambtenaar de status van een onafhankelijk deskundigenadvies toekomt. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij nog op dat de interne werkwijze van het college (geen schriftelijk advies/anoniem en ongedateerd uitgewerkt advies) het bovendien onmogelijk maakt om te controleren van wie het advies afkomstig is, in welke mate diegene als onafhankelijk kan worden beschouwd en welke eventuele expertise hem/haar kan worden toegedicht. 13.2.3. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat in het uitgewerkte welstandsadvies niet inhoudelijk is ingegaan op een aantal inhoudelijke argumenten van verzoekers voor wat betreft (met name) de gebiedspecifieke criteria van de welstandsnota. De enkele zin in het uitgewerkte welstandsadvies dat de aanvraag is getoetst aan de Algemene Groninger Criteria en de gebiedscriteria van het betreffende welstandsgebied is daartoe ontoereikend. Ook de alinea over contrasterend materiaal in het uitgewerkte welstandsadvies is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan te merken als een onvolledige en ontoereikende reactie op de door verzoekers naar voren gebrachte argumenten ten aanzien van materiaalgebruik, kleur en detaillering van de te plaatsen dakopbouw in het licht van de gebiedspecifieke criteria. Daar komt nog bij dat de conclusie in het uitgewerkte welstandsadvies enkel luidt dat de aanvraag in voldoende mate voldoet aan de Algemene Groninger Criteria van de welstandsnota en dat het bouwplan daarom voldoet aan redelijke eisen van welstand. Omdat het uitgewerkte welstandsadvies niet volledig en ontoereikend ingaat op de door verzoekers naar voren gebrachte argumenten ten aanzien van (met name) de gebiedspecifieke criteria mocht het college dit welstandsadvies niet zonder meer ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit voor wat betreft de redelijke eisen van welstand onzorgvuldig tot stand is gekomen en ontoereikend is gemotiveerd. Om die reden is het beroep van verzoekers gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. 13.3. Hoewel hiermee kan worden volstaan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om nog op een andere grond in te gaan om proceseconomische redenen en voor zover die van belang is voor het vervolg van deze procedure. Nadere eisen aan bouwwerk 14. Verzoekers betogen dat het college ten onrechte heeft nagelaten om nadere eisen te stellen als bedoeld in artikel 13.3, onder a, van de planregels. Verzoekers voeren hiertoe aan dat de grote raampartij beneden (en boven) naar opzij is gericht in zuidwestelijke richting. En daarmee is de hoofdraampartij (beneden en boven) naar hun woning georiënteerd. Van het glasoppervlak van de woonkamer beneden is volgens verzoekers circa 62% van de grote raampartij midden in de zijgevel helemaal gericht op hun woning (alle glas minder dan 60 cm boven de vloer daarbij niet meegerekend). Volgens de bouwvoorschriften zal dat wel in orde zijn, maar in de woonkamer van verzoekers woning is het nu al gauw donker. De daadwerkelijke nadelige invloed van een verhoging van de naastgelegen woning (door de dakopbouw) op toetreding van daglicht in de woonkamer zal in de visie van verzoekers aanzienlijk en permanent worden. Dat wordt dan vooral nadelig in het herfst- en winterperiode. En er zal in ieder geval volgens verzoekers ook aanmerkelijke permanente invloed zijn op het uitzicht, zowel vanuit de woonkamer als vanuit de middelste kamer boven, waarnaar de ramenpartij doorloopt. Verder zal er volgens verzoekers aanmerkelijke permanente invloed zijn op de bezonningssituatie van hun woning en tuin. Daarnaast zijn eisers van mening dat een enkele (volledige) dakopbouw zou door de plaats en afmetingen (en bovendien ook nog door het materiaalgebruik) een nadrukkelijk zichtbare dissonant worden in het aan deze zijde nog vrijwel intacte straat- en bebouwingsbeeld. Volgens verzoekers is het niet harmonieus. Naar de mening van verzoekers had het college nadere eisen kunnen behoren te stellen met betrekking tot de woonsituatie en het straat- en bebouwingsbeeld. 14.1. Artikel 13, derde lid, van de planregels geeft het college de bevoegdheid om nadere eisen aan de afmetingen en plaats van de bebouwing te stellen voor onder meer de woonsituatie en het straat- en bebouwingsbeeld. 14.2. De voorzieningenrechter overweegt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan met de gevolgen van de toegestane bouwhoogte al rekening is gehouden en dat een afweging van belangen in dat kader al heeft plaatsgevonden. De eventuele beperking van deze bouwhoogte met gebruikmaking van de bevoegdheid om nadere eisen te stellen, is een discretionaire bevoegdheid van het college, waarvan de bestuursrechter het gebruik terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen, zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het stellen van nadere eisen de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden niet mag belemmeren. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de bevoegdheid om nadere eisen te stellen uitsluitend mag worden toegekend met het oog op incidentele gevallen, wanneer een aanvraag om vergunning daartoe aanleiding geeft, met het oog op een goede planologische inpassing van het bouwplan in het concrete geval, en niet mag voorzien in een regeling die wezenlijk afbreuk kan doen aan de bouwmogelijkheden waarin het bestemmingsplan bij recht voorziet. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien om gebruik te maken van de bevoegdheid om nadere eisen te stellen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het bouwwerk binnen de maximale bebouwingsmogelijkheden van het bestemmingsplan blijft. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy of een onevenredige vermindering van de lichtinval in vergelijking met de bouwmogelijkheden die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan. Over de stelling van verzoekers dat de dakopbouw op een andere plaats moet worden gesitueerd en met ander materiaal moet worden uitgevoerd, overweegt de voorzieningenrechter dat het college eerst en vooral heeft te beslissen over het bouwplan zoals dat is aangevraagd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat er in dit geval geen aanleiding bestond om gebruik te maken van de bevoegdheid om ten aanzien van de dit bouwplan nadere eisen te stellen. Deze grond van verzoekers slaagt niet. Conclusie en gevolgen 15. De voorzieningenrechter kan het college in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De voorzieningenrechter doet in dat geval een tussenuitspraak. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het onderzoek te heropenen om het college in de gelegenheid te stellen de onder overweging 13.2.3. genoemde gebreken te herstellen. Dat herstellen kan ofwel met een aanvullende motivering aan de hand van een inhoudelijk kenbaar welstandsadvies van een onafhankelijke (externe) welstandscommissie ofwel een nader uitgewerkt kenbare welstandstoets van de daartoe gespecialiseerde interne ambtenaar, waarbij wordt ingegaan op alle door verzoekers naar voren gebrachte argumenten ten aanzien van de Algemene Groninger Criteria en de gebiedspecifieke criteria. Ofwel, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met de intrekking van het nu bestreden besluit. De voorzieningenrechter stelt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 16. Als het college geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen een week na verzending van de tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank. Als het college wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de voorzieningenrechter verzoekers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beide gevallen en in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. Voor wat betreft het beroep houdt de voorzieningenrechter iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. 17. Gelet op de voorgaande overwegingen en na afweging van de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende de schorsing van het bestreden besluit, totdat definitief op het beroep is beslist. 17.1. Nu niet gebleken is van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht van € 200,- aan hen dient te vergoeden. Beslist wordt als volgt. Beslissing De voorzieningenrechter: ten aanzien van het beroep: - heropent het onderzoek; - stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de onder overweging 13.2.3. genoemde gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - draagt het college op de voorzieningenrechter zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen een week na verzending van deze tussenuitspraak, mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen; - draagt het college op, indien hij gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, de rechtbank zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk mee te delen op welke wijze het gebrek is hersteld en tot welke bevindingen of nader besluit hij is gekomen; - houdt voor wat betreft het beroep iedere verdere beslissing aan. ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe; - schorst het bestreden besluit van het college totdat definitief op het beroep van verzoekers is beslist; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026. griffier voorzieningenrechter (De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen) Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen de uitspraak in de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Tegen de tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:81 1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. (…). Artikel 8:86 1. Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2025-04-04), nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. (…); 3. Partijen worden in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2025-04-04), gewezen op de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, en indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, tevens op de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid. Omgevingswet Artikel 5.1 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit (…), tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Artikel 5.18 Beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1. 2. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren. (…). Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet A. Begrippen Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan, b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving Artikel 8.0a Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. (…). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 december 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2018:4049, r.o. 5.2. Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 november 2014 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2014:4260, r.o. 5.1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 februari 2015 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2015:432, r.o. 10.7. Vergelijk de uitspraak van 12 juli 2023 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2023:2677, r.o. 6.2. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb. Met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb.