Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-01-29
ECLI:NL:RBNNE:2026:379
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,025 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNNE:2026:379 text/xml public 2026-03-30T08:52:43 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-29 LEE 23/5535 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:379 text/html public 2026-03-30T08:52:32 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:379 Rechtbank Noord-Nederland , 29-01-2026 / LEE 23/5535 BPM RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 23/5535 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. P.A.J.M. Lodestijn), en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/kantoor Breda , de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan eiseres met dagtekening 11 mei 2023 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd ten bedrage van € 3.551. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 1.3. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens de inspecteur mr. [naam 1] en [naam 2] . Feiten 2. 2.1. Eiseres heeft op 12 januari 2022 aangifte Bpm gedaan voor een personenauto, een Mini Cabrio 1.5 Cooper Classic (de auto). De datum eerste toelating van de auto is 22 maart 2021. Bij onderdeel 8a van de aangifte – de vraag of het motorrijtuig nieuw en ongebruikt is – is 'nee' aangevinkt. 2.2. De Bpm is door eiseres berekend aan de hand van een taxatierapport. Daarbij is uitgegaan van een kilometerstand van 89. 2.3. De datum van keuring door de RDW is 27 januari 2022, waarbij de kilometerstand 89 was. 2.4. De aangifte is geselecteerd voor een nacontrole. Op basis van de nacontrole heeft de inspecteur op 10 februari 2023 aangekondigd een naheffingsaanslag te gaan opleggen. In deze kennisgeving heeft de inspecteur, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: "Naheffing bpm U hebt bij de maandaangifte van april een bedrag aan bpm van € 2.295 aangegeven en betaald. Dit bedrag is lager dan het bpm-bedrag dat ik heb berekend. Ik ben daarom van mening dat u te weinig belasting hebt betaald en ben van plan u een naheffingsaanslag bpm op te leggen. Motivering Het verschil tussen het aangegeven bedrag aan bpm en het door mij berekende bedrag, is als volgt te verklaren. Het voertuig is aangegeven als gebruikt. Het voertuig in de aangifte moet echter worden aangemerkt als “nieuw en ongebruikt”. (…) De RDW heeft op 27 januari 2022 een kilometerstand van 89 kilometers vastgesteld. Ik concludeer daaruit dat er sprake is van een “nieuw en ongebruikt” voertuig. Dat betekent dat u geen aanspraak kunt maken op een vermindering van de belasting." Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of voor de auto een vermindering van de Bpm – al dan niet met toepassing van artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) – plaats kan vinden en, indien ja, tot welk bedrag. 4. Indien de rechtbank van oordeel is dat er géén plaats is voor een vermindering als bedoeld in 3., is het bedrag van de naheffingsaanslag tussen partijen niet in geschil. 5. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting verklaard dat de auto niet op de weg in gebruik is geweest en dat de schade waarschijnlijk is ontstaan tijdens het transport van de auto. Ook als sprake is van een nieuwe auto – in die zin dat de auto niet of nauwelijks op de weg in gebruik is geweest – is volgens eiseres echter een vermindering van de Bpm op haar plaats, omdat de auto zeer substantiële schade heeft. Het niet toekennen van een vermindering wegens die schade levert strijd op met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), aldus eiseres. Ter onderbouwing van de in aanmerking te nemen vermindering heeft eiseres een taxatierapport ingebracht (zie 2.2). 6. De inspecteur stelt dat de auto, gelet op de lage kilometerstand en het kentekenbewijs waaruit volgt dat de auto op naam van de fabrikant stond vóór de import, niet of nauwelijks in het buitenland op de weg in gebruik is geweest en daarom aangemerkt moet worden als een nieuwe auto. Voor een vermindering van Bpm is volgens de inspecteur daarom geen plaats. 7. De rechtbank overweegt dat het onderscheid tussen een nieuwe of gebruikte personenauto van belang is voor de hoogte van de Bpm die op grond van de Wet Bpm is verschuldigd. Voor gebruikte personenauto’s wordt op grond van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet Bpm een vermindering toegepast op de Bpm zoals die in eerste instantie op grond van artikel 9 Wet Bpm wordt bepaald. Nieuwe personenauto’s komen voor zo’n vermindering niet in aanmerking. Een gebruikte auto is een auto die in het buitenland geregistreerd is geweest met het oog op toelating op de weg en die ook daadwerkelijk in het buitenland op de weg in gebruik is geweest. Een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg is gebruikt, blijft daarom voor de toepassing van de artikelen 9 en 10 van de Wet Bpm een nieuwe auto. 8. Gelet op de verklaring van de gemachtigde van eiseres, stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat de auto niet of nauwelijks op de weg in gebruik is geweest. De rechtbank concludeert dat de auto dan ook niet als een gebruikte auto voor de toepassing van de artikelen 9 en 10 van de Wet Bpm kan worden aangemerkt (zie 7.). De omstandigheid dat de auto voorafgaande aan de eerste ingebruikneming op de weg schade in welke vorm dan ook heeft opgelopen, maakt dat niet anders. Voor een vermindering op grond van artikel 10 van de Wet Bpm is dan ook geen plaats. 9. Verder overweegt de rechtbank dat bij de toepassing van artikel 110 VWEU het erop aankomt vast te stellen of ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig motorvoertuig niet méér Bpm wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige motorvoertuigen die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn. Het is niet in strijd met artikel 110 VWEU om bij de heffing van een registratiebelasting onderscheid te maken tussen ongebruikte motorvoertuigen en gebruikte motorvoertuigen, mits binnen de desbetreffende groep de registratiebelasting op gelijksoortige motorvoertuigen in gelijke mate drukt. Wanneer het gelijksoortige motorvoertuig op de Nederlandse handelsmarkt voorafgaand aan de heffing van Bpm een motorvoertuig is dat niet of nauwelijks eerder op de weg in gebruik is geweest, en daarom niet als een gebruikt motorvoertuig wordt aangemerkt, kan de heffing van Bpm bij de mededinging tussen dat gelijksoortige motorvoertuig en het desbetreffende motorvoertuig dat is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen rol spelen. Immers, het op de Nederlandse handelsmarkt aangeboden, gelijksoortige motorvoertuig is een nieuw motorvoertuig ter zake waarvan nog geen Bpm is geheven. In dat geval zal bij registratie in het Nederlandse kentekenregister van een nieuwe auto die is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen hogere binnenlandse belasting (Bpm) worden geheven dan die welke, al dan niet rechtstreeks, ter zake van die gelijksoortige auto zal worden geheven. 10. De gelijksoortige motorvoertuigen waarmee de auto in het kader van artikel 110 VWEU moet worden vergeleken, zijn dus personenauto’s die voorafgaand aan het belastbare feit niet of nauwelijks op de weg in gebruik zijn geweest. Voor dergelijke motorvoertuigen geldt, of zij nu uit Nederland of uit een andere lidstaat afkomstig zijn, dat geen vermindering van Bpm in verband met eventuele schade in aanmerking kan worden genomen. Van discriminatie van uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen is geen sprake.