Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-08-27
ECLI:NL:RBNNE:2026:3721
Bij besluit van 26 april 2024 heeft de minister eiseres een waarschuwing preventieve stillegging van werk gegeven (waarschuwing). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft beroep ingesteld en de gronden van het beroep aangevuld. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is, omdat de minister het besluit over de waarschuwing niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank zal de minister in de gelegenheid stellen het motiveringsgebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/5135 T tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen [bedrijf uit vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. C. Dijkstra) en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister (gemachtigde: mr. S.J. Erades) Samenvatting 1. Bij besluit van 26 april 2024 heeft de minister eiseres een waarschuwing preventieve stillegging van werk gegeven (waarschuwing). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft beroep ingesteld en de gronden van het beroep aangevuld. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is, omdat de minister het besluit over de waarschuwing niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank zal de minister in de gelegenheid stellen het motiveringsgebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De minister heeft op 26 april 2024 aan eiseres een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Eveneens bij besluit van 26 april 2024 heeft de minister aan eiseres een waarschuwing gegeven. Die waarschuwing houdt in dat de minister bij herhaling van een overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml of een soortgelijke overtreding, eiseres kan bevelen werkzaamheden te staken of niet aan te vangen om verdere herhaling van overtredingen te voorkomen. Overtredingen van artikel 7, artikel 13, artikel 13a, artikel 15 en artikel 16 van de Wml worden in dat besluit als soortgelijke overtredingen beschouwd. De waarschuwing vervalt vijf jaar na dagtekening van het besluit. 2.1. Bij besluit op bezwaar van 19 november 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen de waarschuwing ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. 2.2. Bij brief van 20 maart 2025 zijn dit beroep en het beroep van eiseres tegen het besluit over de boete voor behandeling verwezen naar een meervoudige kamer. 2.3. De minister heeft op beide beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft de beroepen op 17 juli 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door haar middelijk bestuurders [naam] en [naam] , bijgestaan door hun gemachtigde en de gemachtigde van de minister. 2.5. De rechtbank doet vandaag in beide zaken apart uitspraak. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit over de waarschuwing aan de hand van de gronden die eiseres heeft aangevoerd. 3.1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze tussenuitspraak. Was de minister bevoegd een waarschuwing te geven? 4. Eiseres stelt primair dat de waarschuwing moet worden ingetrokken omdat zij artikel 18b, tweede lid, van de Wml niet heeft overtreden. Daarom is geen sprake van overtreding van een voorschrift bij of krachtens de Wml dat bestuurlijk beboetbaar is gesteld en was de minister niet bevoegd om een waarschuwing te geven. 4.1. De minister stelt dat eiseres artikel 18b, tweede lid, van de Wml heeft overtreden. Dat is een ernstige overtreding en daarom was de minister bevoegd om bij deze eerste overtreding een waarschuwing te geven. 4.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van vandaag in de boetezaak heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres artikel 18b, tweede lid, van de Wml heeft overtreden. Voor de motivering van dat oordeel verwijst de rechtbank naar die uitspraak. Daarmee is gegeven dat de minister bevoegd was om eiseres een waarschuwing te geven. Kon de minister redelijkerwijs van zijn waarschuwingsbevoegdheid gebruik maken? 5. Eiseres stelt dat de waarschuwing dient te worden ingetrokken aangezien zij adequate maatregelen heeft getroffen om overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml in de toekomst te voorkomen. 5.1. De minister stelt dat maatregelen, genomen na de overtreding, reden kunnen zijn om de waarschuwing in te trekken. Daar zou volgens de minister in dit geval echter geen sprake van zijn. Ter onderbouwing wordt in het bestreden besluit over de waarschuwing verwezen naar het bestreden besluit over de bestuurlijke boete. Daarin staat dat eiseres nog steeds zou handelen in strijd met artikel 7:623 van het Burgerlijk Wetboek, omdat zij niet schriftelijk heeft vastgelegd dat zij het loon twee dagen na afloop van de maand uitbetaalt. 5.2. Deze beroepsgrond slaagt. In de Beleidsregel preventieve stillegging arbeidswetten (Beleidsregel) staat in artikel 4, derde lid, dat de minister rekening kan houden met het feit dat de boete is gematigd bij zijn overweging om een waarschuwing achterwege te laten. Weliswaar heeft de minister de boete gematigd vanwege het tijdsverloop en nieuw beleid, maar kennelijk zag de minister daarin onvoldoende aanleiding om een waarschuwing achterwege te laten. 5.3. In de uitspraak van vandaag in de boetezaak is de oorspronkelijke boete van € 118.000,– met 12,5% gematigd, omdat eiseres adequate maatregelen heeft getroffen. Voor de motivering daarvan verwijst de rechtbank naar die uitspraak. 5.4. Daaruit volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de minister een onjuiste toepassing heeft gegeven aan (artikel 4, derde lid, van) de Beleidsregel. Hij heeft evenmin gemotiveerd waarom hij van zijn beleidsregel is afgeweken. Het bestreden besluit over de waarschuwing is niet deugdelijk gemotiveerd. Dat is in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Conclusie en gevolgen 6. Zoals hiervoor onder 5.4 is overwogen, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. 6.1. Om het gebrek te herstellen moet de minister alsnog deugdelijk motiveren of de uitspraak in de boetezaak gevolgen heeft voor het bestreden besluit in de waarschuwingszaak. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 7. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 8. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting niet worden aanvaard dat na een tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. 9. De rechtbank ziet in wat zij hiervoor heeft overwogen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Dat is nodig om te voorkomen dat de waarschuwing, waarvan in deze uitspraak is vastgesteld dat die ondeugdelijk is gemotiveerd, kan worden opgevolgd door een bevel tot stillegging. De voorlopige voorziening houdt in dat het bestreden besluit en het besluit van 26 april 2024 zijn geschorst tot de uitspraak op het beroep. 10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: draagt de minister op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; schorst de werking van het bestreden besluit en het primaire besluit bij wege van voorlopige voorziening tot de uitspraak op het beroep; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzitter, en mr. G. Knuttel en mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze tussenuitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze tussenuitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: de voor deze tussenuitspraak belangrijke wet- en regelgeving en beleid Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Artikel 7 1. De werknemer die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt heeft voor de arbeid door hem in dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever recht op een loon ten minste tot het bedrag, bij of krachtens de volgende artikelen onder de benaming minimumloon vastgesteld. 2-5. […] 6. De werkgever is met toepassing van artikel 623 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek verplicht het minimumloon tijdig te voldoen. Artikel 18b 1. […] 2. Als overtreding wordt tevens aangemerkt het door de werkgever desgevraagd niet of niet tijdig aan de toezichthouder verstrekken van: a. een opgave als bedoeld in artikel 626 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel andere bescheiden waaruit de in dat artikel voorgeschreven gegevens blijken; b. bescheiden waaruit blijkt welk loon en welke vakantiebijslag aan de werknemer zijn voldaan; c. bescheiden waaruit blijkt hoeveel uren de werknemer heeft gewerkt; d. bescheiden waaruit de betalingsverplichtingen of voorschotten blijken welke met in achtneming van artikel 13 zijn ingehouden op of verrekend met het minimumloon; e. bescheiden waaruit voor de toepassing van artikel 12b de volgende gegevens blijken: 1°. de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in dat artikel; 2°. de omvang van de productie van de werknemer, waar nodig uitgesplitst naar de verschillende onderdelen per stukloonnorm op grond van artikel 12a, derde lid, die hierop van toepassing is, in een uitbetalingstermijn; f. bescheiden waaruit voor de toepassing van artikel 13a de volgende gegevens blijken: 1°. de periode waarin de langere feitelijke arbeidsduur is ontstaan; 2°. de omvang van de langere feitelijke arbeidsduur; 3°. het tijdstip waarop de langere feitelijke arbeidsduur is gecompenseerd in betaalde vrije tijd of giraal is uitbetaald; 4°. het tijdstip waarop de langere feitelijke arbeidsduur is gecompenseerd in betaalde vrije tijd of giraal is uitbetaald; 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt als werkgever aangemerkt degene in of ten behoeve van wiens onderneming, bedrijf of inrichting een persoon arbeid verricht of heeft verricht of waarvan op grond van feiten en omstandigheden naar redelijk vermoeden een persoon arbeid verricht of heeft verricht. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt in dat geval voor de toepassing van het tweede lid aangemerkt als werknemer. Hetgeen in de eerste zin is bepaald geldt behoudens tegenbewijs. Artikel 18c 1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding. 2. De ter zake van de bij of krachtens deze wet gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon met of ten aanzien van wie de overtreding is begaan. Artikel 18i 1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld, aan de werkgever een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. Artikel 18a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 2. Indien een waarschuwing als bedoeld in het eerste lid is gegeven en herhaling van de overtreding of een latere overtreding als bedoeld in het eerste lid is geconstateerd, kan door de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, aan de werkgever bij beschikking een bevel als bedoeld in het eerste lid worden opgelegd dat wordt opgevolgd met ingang van het in de beschikking aangeven tijdstip. Deze beschikking wordt niet gegeven zolang wegens de eerste overtreding, bedoeld in het eerste lid, nog niet een bestuurlijke boete is opgelegd. 3. De constatering van de overtreding, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt vastgelegd in een boeterapport. 4. De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien na de dagtekening van de waarschuwing vijf jaren zijn verstreken. 5. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd met betrekking tot het bevel, bedoeld in het tweede lid, met inbegrip van de oplegging van een last onder bestuursdwang, de nodige maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen. 6. Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen overeenkomstig een bevel als bedoeld in het tweede lid en een maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid. 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag Artikel 3 1. Na een herhaling van een overtreding of soortgelijke overtreding wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 18i, eerste lid, van de wet en indien een herhaling van die of een soortgelijke overtreding is geconstateerd als bedoeld in dat artikel van de wet, wordt een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen. 2. Indien een ernstige overtreding is geconstateerd, wordt in afwijking van het eerste lid, een waarschuwing als bedoeld in artikel 18i, eerste lid, van de wet gegeven bij de eerste overtreding en wordt, indien opnieuw dezelfde of een soortgelijke overtreding is geconstateerd die eveneens ernstig is, een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen. 3. Als een ernstige overtreding als bedoeld in het tweede lid wordt aangemerkt de overtreding waarbij: a. de onderbetaling, inhouding of verrekening in strijd met artikel 13 van de wet of het niet compenseren of niet uitbetalen van de langere arbeidsduur in strijd met artikel 13a van de wet: 1°.