Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-08-18
ECLI:NL:RBNNE:2026:3495
Veroordeling voor belaging, bedreiging en mishandeling van ex-partner en mishandeling van kind tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr wordt eveneens opgelegd voor de duur van vijf jaren en de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel wordt bevolen. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18.069426.26 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 augustus 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten. Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1 hij, in of omstreeks de periode van 1 december 2025 tot en met 6 maart 2026 te [plaats] en/of Assen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer ] , door ( veelvuldig) telefonisch contact op te nemen met die [slachtoffer ] , al dan niet middels de kinderen van die [slachtoffer ] en/of ( veelvuldig) (sms-)berichten en/of e-mailberichten en/of voicemailberichten en/of spraakberichten naar die [slachtoffer ] te sturen, al dan niet middels de kinderen van die [slachtoffer ] en/of die [slachtoffer ] (continu) digitaal te volgen en/of in de gaten te houden middels cameras en/of de telefoon en/of een of meerdere keren aan te kloppen bij de woning van die [slachtoffer ] en/of zich meermalen, al dan niet met een ander, op te houden bij de woning en/of de schuur van die [slachtoffer ] en/of meermalen de telefoon van die [slachtoffer ] (grondig) te doorzoeken met het oogmerk die [slachtoffer ] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen; 2 hij, in of omstreeks de periode van 1 december 2025 tot en met 21 februari 2026 te [plaats] en/of Assen, althans in Nederland, [slachtoffer ] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer ] met de achterkant van een mes in/tegen haar been te steken en/of te slaan en/of met gebalde vuisten te stompen en/of slaan in haar buik en/of een of meerdere keren met vlakke hand in het gezicht te slaan en/of te schoppen tegen haar been en/of te trappen tegen haar hand en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer ] naar achteren te slaan en/of aan haar haren te trekken en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer ] achterover te trekken, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel; 3 hij, in of omstreeks de periode van 1 december 2025 tot en met 6 maart 2026 te [plaats] en/of Assen, althans in Nederland, [slachtoffer ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer ] en/of [kind 2] dreigend de woorden toe te voegen de dramas die je ziet op tv dat is ook voorbestemd voor ons en/of het gaat in de krant komen dit gaat heel groot worden en/of je gaat hier niet weg voordat je de waarheid heb verteld en anders maak ik je dood en hebben onze kinderen geen ouders meer en/of dat het geen zin zou hebben om de politie te bellen omdat het wel drie kwartier zou duren voordat ze de deur zouden open hebben en dat hij, verdachte, die [slachtoffer ] dan allang 30 keer zou hebben gestoken met een mes, terwijl hij, verdachte, een (groot) keukenmes en/of een schaar in zijn aanwezigheid had en/of Inshallah gaan jullie allemaal dood en/of ik ga jou kanker van het leven beroven als het moet oke? Want jij gaat mij niet zo voor de gek houden mijn kinderen afpakken, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 4 hij, op of omstreeks 13 februari 2026 te Assen, althans in Nederland, [kind 2] , heeft mishandeld, door een laars, althans schoeisel, tegen het hoofd van die [slachtoffer ] te gooien en/of die [slachtoffer ] een kopstoot te geven tegen het (voor)hoofd, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn kind. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel waarin verdachte wordt verweten dat hij aangeefster [slachtoffer ] (hierna: [slachtoffer ] ) heeft mishandeld door haar met de achterkant van een mes in/tegen haar been te steken en/of te slaan. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de bestanddelen waarin verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer ] heeft bedreigd door haar dreigend de woorden toe te voegen: de dramas die je ziet op tv dat is ook voorbestemd voor ons en/of het gaat in de krant komen dit gaat heel groot worden conform de eerste twee gedachtestreepjes uit de tenlastelegging. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft hij daartoe primair aangevoerd dat er geen sprake is van een wederrechtelijke en stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer ] . Verdachte en [slachtoffer ] onderhielden al twintig jaar een relatie en hebben samen drie kinderen. De berichtgeving, het digitaal volgen van elkaar middels de telefoon en de bezoeken aan hun gezamenlijke woning moeten worden bezien in die context. De relatie tussen verdachte en [slachtoffer ] werd uiteindelijk op 22 februari 2026 beëindigd. Het feit dat verdachte in die tijd, in een periode van maximaal drie weken, veelvuldig contact opnam met [slachtoffer ] en hun gezamenlijke kinderen, maakt nog niet dat er sprake is van een wederrechtelijke en stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte, gelet op de inhoud van het dossier, partieel moet worden vrijgesproken van een groot deel van de ten laste gelegde periode, namelijk van 1 december 2025 tot 22 februari 2026. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De verklaring van [slachtoffer ] vindt volgens de raadsman onvoldoende steun in enig ander bewijsmiddel en daarom is niet voldaan aan het bewijsminimum. Bovendien dient de verklaring van [kind 2] (hierna: [kind 2] ), de middelste zoon van verdachte en [slachtoffer ] , volgens de raadsman uitgesloten te worden van het bewijs, omdat [slachtoffer ] tijdens het verhoor bij de politie van de minderjarige [kind 2] aanwezig was. Uit het proces-verbaal van het verhoor van [kind 2] bij de politie blijkt ook dat [slachtoffer ] invloed op [kind 2] heeft uitgeoefend. Om die reden kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de door [kind 2] bij de politie afgelegde verklaring, aldus de raadsman. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat er voor wat betreft de bestanddelen opgenomen in de eerste drie gedachtestreepjes onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Dit betreffen allemaal één op één situaties tussen verdachte en [slachtoffer ] , waarmee niet is voldaan aan het bewijsminimum. Voor wat betreft de laatste twee gedachtestreepjes heeft de raadsman betoogd dat de uitspraken door verdachte zijn gedaan uit frustratie en deze waren niet bedoeld om [slachtoffer ] vrees aan te jagen. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De verklaring van [kind 2] vindt volgens de raadsman onvoldoende steun in enig ander bewijs en derhalve is ook hier niet voldaan aan het bewijsminimum. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. De door verdachte ter zitting van 4 augustus 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik woon in [plaats] . Het klopt dat ik mevrouw [slachtoffer ] vaak heb gebeld, berichten naar haar en mijn kinderen heb verstuurd en voice-berichten heb ingesproken. Het klopt dat er een camera in de woning in Assen aanwezig was en dat ik de camerabeelden op mijn telefoon kon bekijken. Ik heb ook wel eens via de camera iets gezegd. Wij hebben familieapps via Google. Zij kan zien waar ik ben en ik kan zien waar zij is. Ik maakte daar ook gebruik van. Mijn e-mailadres is [account 1] . Ik ben een keer in de woning geweest toen zij weg was. Ik ben ook in het schuurtje geweest en ik ben achter de woning met een andere vrouw geweest. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 maart 2026, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026052725 d.d. 13 mei 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer ] : Negentien jaar geleden kregen [verdachte] en ik een relatie. Na de zomervakantie van 2025 had ik gezegd dat ik afstand wilde en dat hij niet naar Assen moest komen. Begin december 2025 kon [verdachte] niet meer alleen thuis zijn vanwege zijn verslaving en omdat hij zich ook had aangemeld bij VNN had ik hem weer binnengelaten. [verdachte] raakte toen helemaal geobsedeerd door mij. Hoewel hij feitelijke toegang had tot mijn telefoon en bankomgeving, bevond ik mij in een situatie van structurele dwang, controle en angst voor geweld. Eventuele medewerking van mijn zijde was niet vrijwillig, maar ingegeven door vrees voor escalatie. [verdachte] had mij meerdere nachten de gehele nacht wakker gehouden terwijl hij drugs gebruikte en ondervroeg mij over vermeende contacten met andere mannen en/of vrouwen. Dergelijke situaties hebben zich meerdere malen voorgedaan ook in januari 2026. Hij controleerde mijn telefoons, koppelde zijn apparaten aan mijn accounts en zocht naar zogenaamd "bewijs" van ontrouw. [verdachte] volgde mij via Google Maps en liet mij dan zien waar ik was geweest. Hij wilde dan weten waarom ik ergens was en met wie. Tijdens mijn werk belde hij mij ook en dan moest ik de camera aandoen om te laten zien waar ik was en met wie ik was. [verdachte] ging maanden terugzoeken in mijn telefoons en bleef maar vragen waar ik was geweest en met wie. Alle contacten die in mijn telefoon stonden moest ik verantwoorden. Op 21 februari 2026 escaleerde het. Ik ben toen zonder spullen te pakken met de kinderen in de auto gestapt en we zijn weggegaan. Op 23 februari 2026 was ik weer thuis met de kinderen en toen zag ik dat hij weer voor mijn woning stond en toen wilde hij naar binnen. Hij kon niet naar binnen omdat ik de sloten had veranderd. Hij is toen in de schuur gaan zitten. In de week van 23 februari en 28 februari 2026 kwam [verdachte] regelmatig langs ons huis en liep achter ons huis. Op 1 maart 2026 had [verdachte] mij 97 keer gebeld. [verdachte] had al eerder camera's geplaatst in mijn woning en hij kan daarvan de beelden zien op zijn telefoon. Ik durf de camera's niet weg te halen omdat ik bang ben voor escalatie. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 6 maart 2026, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Op vrijdag 6 maart 2026 om 16:34 uur, heb ik een mondelinge klacht ontvangen terzake: aangifte van stalking door partner. De klacht werd gedaan door: [slachtoffer ] , geboortedatum: [geboortedatum] 1987. De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader over te gaan. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 maart 2026, opgenomen op pagina 226 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [kind 1] : A: () afgelopen 2 weken stond hij elke keer bij ons voor de deur. A: Het deed pijn dat hij elke keer ging aankloppen. V: We weten dat er een camera bij de woning stond. Wat vind je daarvan? A: Nou ik vond het in het begin niet vreemd. We zitten midden in de stad. Maar het werd op een gegeven moment ook gebruikt voor andere dingen. Dan ging mijn vader er doorheen schreeuwen terwijl hij in zijn eigen woning zat. Maar hij ging later ook vragen waar mama was. En hij gebruikte het ook om te kijken of er geen mannen binnen kwamen. 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2026, opgenomen op pagina 125 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Op 2 april 2026 heb ik een telefoon onderzocht van [slachtoffer ] . Ik heb de periode van januari 2026 tot 4 maart 2026 onderzocht. Sms-berichten: Telefoonnummer [telefoonnummer 1] is in gebruik bij [verdachte] . Telefoonnummer [telefoonnummer 2] is in gebruik bij [slachtoffer ] , roepnaam [slachtoffer ] of [slachtoffer ] . Tussen 21-02-2026 en 04-03-2026 zijn er van nummer [telefoonnummer 1] naar nummer [telefoonnummer 2] ongeveer 600 getypte sms-berichten en ongeveer 100 ingesproken sms-berichten verzonden. Media Audio: In de periode van 21-02-2026 tot 02-03-2026 zijn er ongeveer 100 Media Audio bestanden verzonden naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Binnenkomende telefoongesprekken: Vanaf 13-02-2026 zie ik dat ongeveer 10 tot 20 keer per dag gebeld wordt door nummer [telefoonnummer 1] . Vanaf 26-02-2026 tot 04-03-2026 zie ik dat er ongeveer 60 tot 80 keer gebeld wordt door nummer [telefoonnummer 1] . 6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2026, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Door mij is er onderzoek gedaan naar de data welke is veiliggesteld van Redmi Note 14 Pro 5G met goednummer 1918568 op naam van [verdachte] . Call log: Ik zocht in de belgeschiedenis naar telefoonnummer [telefoonnummer 2] (het nummer van [slachtoffer ] ). Ik zag dat in de periode van 12 februari 2026 tot en met 6 maart 2026, 18 maal eenzijdig uitgaand contact is gezocht met bovenstaand nummer. Ik zocht in de belgeschiedenis naar telefoonnummer [telefoonnummer 3] (een ander nummer van [slachtoffer ] ). Ik zag dat op 22 februari 2026 eenzijdig eenmaal uitgaand contact is gezocht met bovenstaand nummer. Ik zocht in de belgeschiedenis onder de naam [slachtoffer ] en zag in de periode van 17 februari 2026 tot en met 5 maart 2026, 24 maal eenzijdig uitgaand contact is gezocht met + [telefoonnummer 4] onder naam [slachtoffer ] . Ik zocht in de belgeschiedenis onder de naam [slachtoffer ] en zag in de periode van 12 februari 2026 tot en met 5 maart 2026, 87 maal outgoing contact is geweest met [slachtoffer ] . Ik zocht in de belgeschiedenis onder de naam [kind 1] en zag in de periode van 25 februari 2026 tot en met 6 maart 2026, 13 maal eenzijdig uitgaand contact is gezocht met [kind 1] . Ik zocht in de belgeschiedenis onder de naam [kind 2] en zag in de periode van 17 februari 2026 tot en met 5 maart 2026, 17 maal eenzijdig uitgaand contact is gezocht met [kind 2] . In de telefoon trof verbalisant uitsluitend gesprekken aan van 27 januari 2026 tot en met 6 maart 2026. Chatbericht met [kind 2] In de chats vond ik een native chat tussen verdachte aan zijn zoon [kind 2] onder nummer [telefoonnummer 5] . In deze chat vanaf 1 maart 2026 tot en met 6 maart 2026 vond ik 74 berichtenregels, voornamelijk in één richting, en wel van verdachte in richting zoon [kind 2] . Chatbericht met [slachtoffer ] onder naam [nickname] In de chats vond ik een native chat tussen verdachte aan [nickname] onder nummer [telefoonnummer 2] , dit is het telefoonnummer van [slachtoffer ] , [slachtoffer ] . In deze chat vanaf 21 februari 2026 tot en met 6 maart 2026 vond ik 1589 berichtenregels voornamelijk in één richting, en wel van verdachte in richting slachtoffer. 7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2026, opgenomen op pagina 108 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Op 5 maart 2026 uur was door het mailadres [account 1] een email gestuurd aan het mailadres van [kind 1] . Bij deze email werd verder geen tekst gestuurd maar wel 5 foto's. Op de foto's is te zien dat dit screenshots zijn van de woonkamer van aangeefster [slachtoffer ] . Op de foto's was aangeefster [slachtoffer ] dus te zien en waren er cirkels getrokken om haar heen kennelijk om iets aan te duiden. Op 10 maart 2026 werd ik benaderd door aangeefster [slachtoffer ] dat zij op haar telefoon een email had gevonden welke zij ontvangen had: Van: Vind-plek van Google [account 3] Verzonden: zondag 22 februari 2026 09:36 Aan: [account 2] Onderwerp: Locatie bekeken voor Oppo Find X9 Het bleek dat er vanaf een andere telefoon de vind-plek van haar telefoon was opgezocht. In de tekst stond: De locatie van je apparaat is bekeken via Vind-plek. Bewijsoverwegingen Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Juridisch kader Van belaging is blijkens artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) sprake bij een wederrechtelijke stelselmatige opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander, met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Bij de beoordeling van de vraag of in een concrete situatie sprake is van belaging zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Daarbij geldt dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte gericht moet zijn geweest op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de ander. Dit betekent dat de verdachte opzet moet hebben gehad op het ontbreken van de toestemming om contact te hebben met de ander. Als het gaat om bedreigingen en geweld of andere kwaadaardige bejegening ligt dat ontbreken van toestemming snel voor de hand, evenals het (voorwaardelijk) opzet. Gaat het om minder indringende handelingen dan kan het opzet op de inbreuk pas bewezen worden verklaard als de ander duidelijk te kennen heeft gegeven hiervan niet gediend te zijn. Feitelijke gang van zaken Uit het dossier leidt de rechtbank onder meer het volgende af. Verdachte en [slachtoffer ] hebben in 2006 een relatie gekregen. Tijdens deze relatie zijn drie kinderen geboren, te weten in 2008, 2010 en 2019. In 2012 is [slachtoffer ] met de kinderen naar Assen verhuisd en is verdachte in Leeuwarden, en later [plaats] , blijven wonen. Verdachte en [slachtoffer ] onderhielden vanaf dat moment een lat-relatie, waarbij verdachte regelmatig ook in de woning in Assen verbleef. Na de zomer van 2025 heeft [slachtoffer ] aangegeven dat zij afstand van verdachte wilde. Zij heeft voorts verklaard dat verdachte in december 2025 niet meer alleen thuis kon wonen, vanwege zijn verslaving, waardoor hij van haar toch weer in de woning in Assen mocht verblijven. Volgens [slachtoffer ] is verdachte vanaf dat moment helemaal geobsedeerd geraakt door haar, waarbij er volgens haar sprake was van een situatie van structurele dwang, controle en angst voor geweld. Partiële vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte direct vanaf begin december 2025 steeds opzettelijk tegen de wens van [slachtoffer ] contact met haar had. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad dat was gericht op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer ] en komt tot het oordeel dat dit voor de periode van 1 december 2025 tot 1 januari 2026 onvoldoende kan worden vastgesteld. De rechtbank zal verdachte in zoverre partieel vrijspreken. Voor de periode 1 januari 2026 tot en met 6 maart 2026 is de rechtbank van oordeel dat wel kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer ] . Verdachte mocht begin december 2025 enkel opnieuw in de woning van [slachtoffer ] verblijven, omdat het slecht met hem ging en omdat hij hulp voor zijn verslaving zou zoeken. Daarmee is niet komen vast te staan dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer ] weer was hersteld. Uit de verklaringen van verdachte ter terechtzitting en zijn verhoor bij de politie blijkt dat [slachtoffer ] en de kinderen gedurende een periode van in ieder geval ruim 2 maanden in de gaten werden gehouden door verdachte door middel van de cameras die in de woning van [slachtoffer ] waren geplaatst. Getuige [kind 1] (hierna: [kind 1] ), de oudste zoon van verdachte en [slachtoffer ] , verklaart bij de politie dat deze cameras op enig moment ook door verdachte werden gebruikt om er doorheen te praten, om te vragen waar [slachtoffer ] was en om te controleren of er geen andere mannen in de woning waren. Verdachte heeft daarnaast zijn sociale media-accounts gekoppeld aan die van [slachtoffer ] , waardoor hij onder andere via Google Maps kon zien waarheen [slachtoffer ] zich begaf, ook toen zij en de kinderen uit haar woning waren gevlucht op 21 februari 2026. Hierna heeft verdachte veelvuldig naar [slachtoffer ] gebeld, gemaild, sms-berichten verstuurd en voice-berichten ingesproken, al dan niet via de telefoons van [kind 2] en [kind 1] . Ook kwam verdachte onaangekondigd bij de woning langs. Uit het dossier blijkt dat de teksten van de diverse berichten dwingend en zeer intimiderend van toon zijn. Verdachte verwoordt hierin dat hij contact wil met [slachtoffer ] en de kinderen, dat hij wil weten waar [slachtoffer ] is, en dat hij haar en hun kinderen, maar ook zichzelf wat zal aandoen als [slachtoffer ] niet meewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewezenverklaarde handelingen van verdachte, in onderlinge samenhang bezien, gelet op de aard van die handelingen, de frequentie, de duur en de inbreuk van die handelingen op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer ] zodanig dat dit een wederrechtelijke stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert als bedoeld in artikel 285b Sr. De rechtbank acht hiermee de tenlastegelegde stalking in de periode van 1 januari 2026 tot en met 6 maart 2026 bewezen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde Betrouwbaarheid van de verklaring van [kind 2] Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [kind 2] overweegt de rechtbank als volgt. [kind 2] heeft in zijn verklaring specifiek en gedetailleerd verklaard over de handelingen die door verdachte tegen [slachtoffer ] zijn gepleegd en over de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden. De door [kind 2] afgelegde verklaring maakt op de rechtbank een geloofwaardige en betrouwbare indruk. Daar komt bij dat [kind 1] eveneens specifiek verklaard heeft over soortgelijke handelingen die door verdachte zijn gepleegd tegen [slachtoffer ] . Anders dan door de verdediging bepleit, heeft de rechtbank op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, aldus geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [kind 2] te twijfelen. Het enkele feit dat [slachtoffer ] bij het verhoor van [kind 2] aanwezig was en enkele opmerkingen heeft gemaakt, doet naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van die onderdelen van zijn verklaring die redengevend zijn voor het bewijs. De rechtbank zal de door [kind 2] afgelegde verklaring van 7 maart 2026 dan ook gebruiken voor het bewijs. Bewijsmiddelen De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 maart 2026, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026052725 d.d. 13 mei 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer ] : [verdachte] was bij ons thuis in Assen. Op 11 februari 2026 heeft [verdachte] mij fysiek mishandeld en heeft hij mij twee of drie keer met vlakke hand in mijn gezicht geslagen. Op 13 februari 2026 heeft [verdachte] mijn autosleutel afgepakt en mij belet te vertrekken. Tijdens dit incident had hij mij ook fysiek mishandeld door mij te schoppen. Op 19 februari 2026 omstreeks 21.00 uur waren we bij zijn huis in [plaats] () en voelde ik dat hij met zijn platte hand tegen mijn rechterwang sloeg. Ik voelde pijn aan mijn wang. Op 21 februari 2026 escaleerde het boven op de logeerkamer bij mij thuis waar ik zat. Toen voelde ik dat hij aan mijn haren trok en mijn hoofd achterover trok en toen sloeg hij met zijn vlakke hand in mijn gezicht. [verdachte] heeft mij toen ook nog twee keer in mijn gezicht geslagen in de keuken, ik voelde dat hij met zijn vlakke hand in mijn gezicht sloeg. Ik voelde later pijn aan mijn gezicht ter hoogte van mijn jukbenen. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 maart 2026, opgenomen op pagina 216 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [kind 2] : V: Waarover was er ruzie? A: Dat mijn moeder zogenaamd vreemdging. V: Wat zag je dan? A: Mijn vader keek boos, begon te schreeuwen. De laatste tijd begon hij haar ook pijn te doen. Dan moest mijn moeder wel huilen en zei ook wel dat hij haar met rust moest laten Mijn vader wilde niet dat mijn moeder meer naar het werk zou gaan en pakte de sleutel af. Mijn moeder wilde wel de sleutel en probeerde de sleutel te pakken. Hij trapte toen tegen de hand van mijn moeder. Daarna sloeg hij mijn moeder. A: Ik zag haar over haar wang wrijven. Ik hoorde dat ze pijn had want dat zei ze ook. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 maart 2026, opgenomen op pagina 226 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [kind 1] : V: Heb je weleens fysiek geweld gezien tussen je ouders? A: Niet echt met de vuist, maar hij trok haar dan weleens aan de haren, of sloeg met een vlakke hand op haar gezicht. V: Hoe vaak heb je gezien dat je vader je moeder pijn heeft gedaan? A: Ik denk in totaal rond 5 keer of 6 keer. En misschien wel meer hoor. V: Wanneer waren die keren? A: Dat was de afgelopen periode. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2026, inclusief bijlagen, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Door mij is er onderzoek gedaan naar de data welke is veiliggesteld van Redmi Note 14 Pro 5G met goednummer 1918568 op naam van [verdachte] . Chatbericht met [slachtoffer ] onder naam [nickname] In de chats vond ik een native chat tussen verdachte aan [nickname] onder nummer [telefoonnummer 2] , dit is het telefoonnummer van [slachtoffer ] , [slachtoffer ] . In deze chat vanaf 21 februari 2026 tot en met 6 maart 2026 vond ik 1589 berichtenregels () Datum Tijd (UTC+1) Inhoud 466 27-02-2026 06:46:06 () ben ik boos geworden dus had ik gescholden en heb ik zelf jouw geduwd heb ik zelf je klapje geven Partiële vrijspraak Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer ] heeft mishandeld door haar met de achterkant van een mes in/tegen haar been te steken en/of te slaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer ] heeft mishandeld door haar met gebalde vuisten te stompen en/of te slaan in haar buik, haar te schoppen tegen haar been en/of (vervolgens) het hoofd van [slachtoffer ] naar achteren te slaan. De verklaring van [slachtoffer ] op die onderdelen wordt immers niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel uit het dossier, terwijl verdachte ontkent dat deze tenlastegelegde handelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal verdachte daarom in zoverre partieel vrijspreken. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat hiermee niet is gezegd dat de handelingen als beschreven in de verklaring van [slachtoffer ] niet gebeurd zijn. De rechtbank is, gelet op de consistentie van de verklaring van [slachtoffer ] en de gedetailleerdheid daarvan, van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer ] betrouwbaar is. Nu het benodigde aanvullende bewijs ontbreekt, is dit echter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de specifieke handelingen zoals die ten laste zijn gelegd bewezen kunnen worden. Bewijsoverwegingen De rechtbank is van oordeel dat, op basis van de aangifte, de verklaringen van [kind 2] en [kind 1] en het chatbericht dat verdachte naar [slachtoffer ] heeft gestuurd, wél wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer ] heeft mishandeld door haar meerdere keren met vlakke hand in het gezicht te slaan, te trappen tegen haar hand en aan haar haren te trekken en vervolgens haar hoofd achterover te trekken. Uit de verklaringen van [kind 2] en [kind 1] volgt dat zij hebben gezien dat verdachte aangeefster [slachtoffer ] meermalen met vlakke hand in het gezicht heeft geslagen. [kind 2] heeft verder verklaard dat hij eveneens heeft gezien dat [slachtoffer ] door verdachte tegen haar hand werd geschopt. [kind 1] heeft voorts verklaard dat hij weleens heeft gezien dat [slachtoffer ] door verdachte aan haar haren werd getrokken. Ook het chatbericht van verdachte aan [slachtoffer ] draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan het bewijs dat verdachte aangeefster [slachtoffer ] heeft mishandeld. Verdachte schrijft in zijn bericht specifiek over een voorval waarbij hij [slachtoffer ] een klapje heeft gegeven. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. De door verdachte afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris van 9 maart 2026, opgenomen op pagina 2, 2e alinea, van het proces-verbaal bij de rechter-commissaris, voor zover inhoudend: Over de uitingen wat betreft dramas die je op tv ziet en dat er iets in de krant zal komen: ik heb gezegd dat we ervoor moeten zorgen dat het niet zon drama wordt als die je op tv ziet. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 maart 2026, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026052725 d.d. 13 mei 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer ] : In januari 2026 heeft [verdachte] ook meerdere keren gezegd: "de drama's die je ziet op tv dat is ook voorbestemd voor ons" het gaat in de krant komen dit gaat heel groot worden". Op 19 februari 2026 waren we bij zijn huis in [plaats] toen hoorde ik dat hij zei dat ik op de bank moest gaan zitten en zei hij dat het een lange nacht zou worden. Bij binnenkomst in zijn woning zag ik dat er een groot keukenmes en schaar op de houten eetkamertafel lag. Toen ik op de bank zat hoorde dat ik dat [verdachte] heel dwingend zei: "je gaat hier niet weg voordat je de waarheid hebt verteld" en hij zei als ik de waarheid niet zou vertellen "dan maak ik je dood en hebben onze kinderen geen ouders meer". Ik was bang en voelde me heel onveilig. [verdachte] had daarvoor ook al tegen mij gezegd dat het geen zin had om de politie te bellen, omdat het wel drie kwartier zou duren voordat ze de deur open hadden en dan had hij mij allang dertig keer gestoken met een mes. [verdachte] liep steeds heen en weer door de kamer en toen zag ik dat hij het keukenmes van de tafel pakte en weer op de bank ging zitten en het mes naast zich op de bank legde. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2026, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Gegevensdragers en voicemails [kind 2] Ik hoorde [kind 2] zeggen dat deze voicemails afkomstig waren van [verdachte] . Ik maakte een audio-opname van de voicemail van [kind 2] , die hij op zijn telefoon op luidspreker zette. Ik hoorde dat er vier oude voicemail berichten waren. Hiervan werkte ik een bericht in relatie tot de bedreiging uit: Voicemail ingesproken op 6 maart 2026 '() inshallah gaan jullie allemaal dood.' Voicemails [slachtoffer ] Ik maakte een audio-opname van de voicemail van [slachtoffer ] , die zij op haar telefoon op luidspreker zette. Ik hoorde dat er negentien nieuwe berichten en zes oude berichten waren. Hiervan werkte ik enkele berichten in relatie tot de bedreiging uit: Voicemail ingesproken op 6 maart 2026, 1.48 uur () Ik ga jou kanker van het leven beroven als het moet oke? Want jij gaat mij niet zo voor gek houden mijn kinderen afpakken. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2026, inclusief bijlagen, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] : Wij hebben de woning van verdachte betreden aan de [adres] . De goederen zijn door ons gefotografeerd en vastgelegd in een daarvoor bestemde politiesysteem. Fotobijlage 2 Omschrijving: Mes op de bank Fotobijlage 3 Omschrijving: Mes op tafel Bewijsoverwegingen Gelet op de aangifte, de inhoud van de voicemail-berichten, de aangetroffen messen in de woning van verdachte ten tijde van de doorzoeking en de door verdachte afgelegde verklaringen ter terechtzitting en bij de rechter-commissaris, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer ] met een misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling. Verdachte was kennelijk gefrustreerd over het uitblijven van het gewenste contact met [slachtoffer ] en zijn kinderen en heeft diverse malen, zowel via voicemail-berichten als in rechtstreeks contact met [slachtoffer ] , uitlatingen gedaan waarin hij dreigde [slachtoffer ] van het leven te beroven of haar te mishandelen. Verdachte heeft met zijn uitlatingen redelijkerwijs de vrees doen ontstaan dat hij ook echt tot handelen over zou gaan. Voorts zijn in de woning van verdachte een tweetal messen in het zicht op de bank en op de salontafel, die zich in de nabijheid van de bank bevond, aangetroffen. Om die reden acht de rechtbank in onderling verband en samenhang bezien ook het bestanddeel bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer ] heeft bedreigd door haar de woorden toe te voegen: je gaat hier niet weg voordat je de waarheid hebt verteld en anders maak ik je dood en hebben onze kinderen geen ouders meer. Dit past ook in het scenario dat verdachte stellig meende dat aangeefster vreemdging. Dit geldt ook voor het bestanddeel dat het geen zin zou hebben om de politie te bellen omdat het wel drie kwartier zou duren voordat ze de deur zouden open hebben en dat hij, verdachte, die [slachtoffer ] dan allang 30 keer zou hebben gestoken met een mes, terwijl hij, verdachte, een groot keukenmes en een schaar in zijn aanwezigheid had. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. De door verdachte ter zitting van 4 augustus 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik heb een schoen naar [kind 2] gegooid. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 maart 2026, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026052725 d.d. 13 mei 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer ] : In de ochtend van 13 februari 2026 heeft [verdachte] een schoen tegen onze middelste zoon aangegooid. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 maart 2026, opgenomen op pagina 216 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [kind 2] : Op 13 februari 2026 gooide mijn vader een laars naar mij en deze kwam tegen mijn hoofd. Die laars kwam ook tegen een spiegel en die viel op mij. Ook viel hierdoor een vaas kapot. Partiële vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zijn zoon [kind 2] heeft mishandeld door hem een kopstoot tegen het (voor)hoofd te geven. Dit komt alleen naar voren in de verklaring van [kind 2] . Die verklaring wordt echter niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel uit het dossier. De rechtbank zal verdachte in zoverre partieel vrijspreken. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat hiermee niet is gezegd dat de handeling als beschreven in de verklaring van [kind 2] niet gebeurd is. De rechtbank is immers van oordeel dat de verklaring van [kind 2] betrouwbaar is. Dit is echter onvoldoende om vast te stellen dat de specifieke handeling zoals ten laste is gelegd kan worden bewezen. Bewijsoverweging De rechtbank is van oordeel dat op basis van de verklaring van [kind 2] , de aangifte en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte vast is komen te staan dat verdachte schoeisel tegen het hoofd van [kind 2] heeft gegooid. Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij een schoen naar [kind 2] heeft gegooid. Voorts verklaart [kind 2] dat zijn vader een laars naar hem gooide, die tegen zijn hoofd aan kwam. [kind 2] verklaart ook dat daarbij goederen stuk vielen, waaronder een vaas. Ook verdachte verklaart dat er bij het gooien van de schoen een vaas kapot is gegaan, omdat [kind 2] tegen de vaas is aangevallen. Het gooien van het schoeisel naar het hoofd van [kind 2] moet aldus met zodanige kracht zijn gebeurd, dat het niet anders kan zijn dat naar algemene ervaringsregels [kind 2] daar pijn van ondervond. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [kind 2] heeft mishandeld door schoeisel tegen zijn hoofd te gooien. Bewezenverklaring De rechtbank acht feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1. hij, in de periode van 1 januari 2026 tot en met 6 maart 2026 te [plaats] en/of Assen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer ] , door veelvuldig telefonisch contact op te nemen met die [slachtoffer ] , al dan niet middels de kinderen van die [slachtoffer ] en veelvuldig sms-berichten en e-mailberichten en voicemailberichten en spraakberichten naar die [slachtoffer ] te sturen, al dan niet middels de kinderen van die [slachtoffer ] en die [slachtoffer ] digitaal te volgen en in de gaten te houden middels cameras en de telefoon en aan te kloppen bij de woning van die [slachtoffer ] en zich meermalen, al dan niet met een ander, op te houden bij de woning en de schuur van die [slachtoffer ] en meermalen de telefoon van die [slachtoffer ] (grondig) te doorzoeken met het oogmerk die [slachtoffer ] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen; hij, in de periode van 11 februari 2026 tot en met 21 februari 2026 te Assen, [slachtoffer ] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer ] meerdere keren met vlakke hand in het gezicht te slaan en te trappen tegen haar hand en - aan haar haren te trekken en vervolgens het hoofd van die [slachtoffer ] achterover te trekken, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel; hij, in de periode van 1 december 2025 tot en met 6 maart 2026 te [plaats] en/of Assen, [slachtoffer ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer ] en [kind 2] dreigend de woorden toe te voegen de dramas die je ziet op tv dat is ook voorbestemd voor ons en het gaat in de krant komen dit gaat heel groot worden en je gaat hier niet weg voordat je de waarheid heb verteld en anders maak ik je dood en hebben onze kinderen geen ouders meer en dat het geen zin zou hebben om de politie te bellen omdat het wel drie kwartier zou duren voordat ze de deur zouden open hebben en dat hij, verdachte, die [slachtoffer ] dan allang 30 keer zou hebben gestoken met een mes, terwijl hij, verdachte, een groot keukenmes en een schaar in zijn aanwezigheid had en Inshallah gaan jullie allemaal dood en ik ga jou kanker van het leven beroven als het moet oke? Want jij gaat mij niet zo voor de gek houden mijn kinderen afpakken, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking; hij, op of omstreeks 13 februari 2026 te Assen, althans in Nederland, [kind 2] , heeft mishandeld, door - schoeisel tegen het hoofd van die [slachtoffer ] te gooien terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn kind. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: belaging; mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd; mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contact- en locatieverbod. Tevens heeft de officier van justitie de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr gevorderd. Deze maatregel zou volgens de officier van justitie moeten bestaan uit een contactverbod met [slachtoffer ] en de kinderen, met uitzondering van de omgang met de kinderen met toestemming van de reclassering en hulpverlening, alsmede een locatieverbod voor de woonplaats van [slachtoffer ] , zijnde Assen. De officier van justitie heeft gevorderd de maatregel op te leggen voor een periode van 5 jaren, de vervangende hechtenis bij iedere overtreding vast te stellen op 14 dagen, met een maximum van 6 maanden en de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ervoor gepleit bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en aan verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de klinische opname. De raadsman acht een klinische opname niet noodzakelijk, omdat dit een vergaand middel is en een lichter middel in de vorm van een verplichte ambulante begeleiding nog niet eerder geprobeerd is. Voorts acht de raadsman een contact- en locatieverbod ex artikel 38v Sr niet noodzakelijk, omdat verdachte instemt met de bijzondere voorwaarden, waaronder een contact- en locatieverbod. Op grond van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft de raadsman voorts verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia rapportage van de psycholoog, de adviezen van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 9 juli 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn inmiddels ex-partner [slachtoffer ] . Verdachte heeft zijn partner stelselmatig lastiggevallen door haar gedurende meerdere maanden veelvuldig te bellen, vele dwingende tekst- en spraakberichten te sturen, haar continu te volgen middels in de woning geplaatste cameras en live-locaties op verschillende telefoons. Ook heeft verdachte zich tegen de wil van [slachtoffer ] bij haar woning en schuurtje opgehouden. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige bedreigingen van [slachtoffer ] en hun gezamenlijke kinderen door meerdere malen te dreigen met de dood en/of met zware mishandeling. Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan mishandelingen van [slachtoffer ] en zijn middelste zoon [kind 2] . Uit hetgeen [slachtoffer ] in haar aangifte naar voren heeft gebracht, blijkt hoe beangstigend en bedreigend het handelen van verdachte voor haar is geweest. Verdachte heeft hiermee een enorme inbreuk gemaakt op het persoonlijke leven van [slachtoffer ] . Hoewel [slachtoffer ] meerdere keren heeft aangegeven dat hij moest stoppen met berichten sturen en met bellen, kon hij haar niet met rust laten. Op zeer indringende wijze bleef verdachte contact zoeken met [slachtoffer ] en de kinderen. Hoe indringend dit is geweest, blijkt ook uit de verklaring van zoon [kind 2] , die bij de politie heeft verklaard dat hij vanwege het cameratoezicht door verdachte eenmaal vier dagen achtereen niet beneden durfde te komen. Ter terechtzitting heeft verdachte er geen blijk van gegeven inzicht te hebben in de impact van zijn handelen op [slachtoffer ] en de kinderen. Verdachte rechtvaardigt het plaatsen van de cameras en het tracken van de telefoons van [slachtoffer ] door te stellen dat hij zijn gezin wilde beschermen en in de - naar zijn beleving - legitieme zoektocht naar de waarheid. De mishandelingen van [slachtoffer ] en zijn zoon [kind 2] en de (doods)bedreigingen aan het adres van [slachtoffer ] en zijn gezin dienden als een waanachtig dwangmiddel om zijn in zijn ogen instortende wereld bijeen te houden en om [slachtoffer ] ter verantwoording te roepen. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan. De persoon van verdachte De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van I.C. Kooi, GZ-psycholoog, Pro Justitia-rapporteur i.o., onder supervisie van A.C.J. Schrama, GZ-psycholoog, van 17 juli 2026. Volgens de deskundige is er bij verdachte sprake van een licht verstandelijke beperking, een posttraumatische stressstoornis (PTSS), een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en problematisch middelengebruik van cocaïne en cannabis, in gedwongen remissie. Deze stoornissen bestonden ook ten tijde van het ten laste gelegde. De lichte verstandelijke beperking, de PTSS en de persoonlijkheidsstructuur zijn chronisch van aard en door de stress was er sprake van een toenemend gebruik van middelen dat leidde tot waanachtige gedragingen. De vastgestelde problematiek heeft de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde massaal beïnvloed en gestuurd. Het bericht dat er 's nachts andere mannen bij zijn ex-partner over de vloer kwamen maakte verdachte achterdochtig, boos en dit voelde voor hem als een krenking. De deskundige adviseert om alle feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Door zijn problematiek was verdachte ten tijde van de feiten beperkt in zijn emotieregulatie en het inschatten van de grenzen van zijn slachtoffers. Hoewel de psychopathologie voor wat betreft het onder 4 ten laste gelegde in mindere mate heeft doorgewerkt dan bij de overige feiten, aangezien de paranoïde ontregeling minder op de voorgrond stond, wordt geadviseerd ook dit feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De beperkte emotionele en cognitieve draagkracht van verdachte heeft geleid tot een dusdanige overprikkeldheid dat hij de controle over zijn emoties verloor, aldus de deskundige. Als verdachte niet wordt behandeld en begeleid, schat de deskundige het risico op recidive van relationeel geweld en stelselmatige belaging in als hoog. Een reguliere ambulante behandeling vanuit de GGZ is volgens de deskundige volstrekt ontoereikend. De deskundige adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met verplicht reclasseringstoezicht met als bijzondere voorwaarden bewindvoering en een klinische opname met oog voor de licht verstandelijke beperking van verdachte, gericht op het aanbrengen van structuur, activering, abstinentie van middelen, traumas, begrenzen van zichzelf en de ander en het vergroten van vaardigheden rondom emotieregulatie. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 24 juli 2026. De rechtbank maakt uit het rapport op dat de reclassering zich kan vinden in de diagnoses en conclusies van de deskundige. Als verdachte niet wordt behandeld en begeleid, schat de reclassering de kans op herhaling van gewelddadig gedrag zowel op korte als op lange termijn in als hoog. Ook ten aanzien van belaging wordt de kans op herhaling als hoog ingeschat. Een integrale aanpak waarin (klinische) behandeling en aansluitend woonbegeleiding worden aangeboden en waarbij tevens aandacht is voor een gestructureerde invulling van de dag, is aangewezen om het functioneren van verdachte te verbeteren en verergering van de problematiek te voorkomen. Ook dient ingezet te worden op de lage cognitieve vermogens, de traumaproblematiek en verslavingsproblematiek van verdachte. Gelet op al het voornoemde adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht, een klinische opname en aansluitend hierop een ambulante behandelverplichting en verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een alcohol- en drugsverbod, een contactverbod, een locatieverbod en dagbesteding. De reclassering acht daarnaast oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel noodzakelijk. Verdachte is op 21 juli 2026 aangemeld voor een klinische opname. Er is nog geen kliniek door het DIZ aangewezen, waardoor er ook nog geen opnamedatum bekend is. De reclassering adviseert een overbruggingsplek voor verdachte aan te wijzen als er nog geen opnamedatum bekend is aan het einde van de detentieperiode van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard gemotiveerd te zijn om zijn leven op de rit te krijgen en mee te willen werken aan de hulpverlening en het toezicht vanuit de reclassering. Toerekenbaarheid De rechtbank kan zich ten aanzien van de toerekenbaarheid, gelet op de onderbouwing daarvan, verenigen met de inhoud en conclusies zoals neergelegd in de rapportage van de deskundige en neemt deze over. De rechtbank concludeert dat de geschetste problematiek bij verdachte aanwezig was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en is van oordeel dat deze alle in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Op te leggen straf Gelet op de aard, ernst en combinatie van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest. De feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel een proeftijd van 3 jaren verbinden, gelet op het door de reclassering ingeschatte hoge recidiverisico, de ernst en complexiteit van de problematiek van verdachte en zijn te ondergane behandelingen. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank ten aanzien van de belaging een kortere periode bewezen acht en ten aanzien van de mishandelingen niet tot een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde handelingen komt. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank voorts aanleiding aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. De verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard zich aan de door de reclassering geformuleerde voorwaarden te conformeren. Gelet op de bewezen verklaarde feiten zal de rechtbank de voorwaarden en het toezicht daarop niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu naar het oordeel van de rechtbank niet aan de wettelijke vereisten van artikel 14e Sr is voldaan. Vrijheidsbeperkende maatregel De rechtbank zal voorts aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, inhoudende een locatieverbod voor Assen en een contactverbod met [slachtoffer ] . De rechtbank zal de maatregel ten aanzien van het contactverbod met de kinderen niet overnemen, nu dit naar het oordeel van de rechtbank een te vergaand middel is en het contactverbod met de kinderen in de vorm van een bijzondere voorwaarde reeds wordt ondervangen. Een mogelijke overtreding van het contactverbod met de kinderen of een wijziging van de voorwaarde kan dan ter herbeoordeling door de reclassering aan het Openbaar Ministerie dan wel aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank acht het van belang dat [slachtoffer ] rust in haar leven krijgt zonder dat [slachtoffer ] er bang voor hoeft te zijn dat verdachte zich opnieuw belastend jegens haar zal gedragen. Dit geldt temeer omdat verdachte vooral voorrang lijkt te geven aan zijn eigen behoeftes, tot nu toe onvoldoende adequate hulp heeft gezocht voor zijn (verslavings)problematiek en daarbij de belangen van [slachtoffer ] uit het oog heeft verloren. Om dit te voorkomen zal de rechtbank oplegging van een contactverbod en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr voor de duur van vijf jaren bevelen, met 14 dagen hechtenis voor iedere overtreding van dit verbod (met een maximum van zes maanden). Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens [slachtoffer ] , zal de rechtbank deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren. De reden om, naast in het kader van bijzondere voorwaarden, ook een contactverbod en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr op te leggen, is gelegen in de omstandigheid dat de rechtbank belang hecht aan de behandeling van de problematiek van verdachte. In het kader van artikel 38v Sr kan direct worden opgetreden tegen een overtreding van het contact- en/of locatieverbod, zonder dat dit leidt tot een eventuele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en een voortijdig einde van het behandeltraject. Voorlopige hechtenis De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. Nu verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel in duur langer is dan de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank hiertoe niet overgaan. De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis daarom afwijzen. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 285, 285b, 300 en 304 Sr. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden. Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Stelt als bijzondere voorwaarden: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) op het adres [adres] ; dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd voor de duur van een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Mocht er in eerste instantie nog geen plaats zijn in de desbetreffende kliniek dan werkt de veroordeelde mee aan overbruggingszorg. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing; dat de veroordeelde zich, aansluitend op de klinische behandeling, gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een door de reclassering te bepalen zorgverlener voor ambulante behandeling, zolang de reclassering die behandeling nodig vindt; dat de veroordeelde, aansluitend op de klinische behandeling, gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid of beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering indien en zolang de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het (dag-)programma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt; dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde verplicht zich gedurende de proeftijd ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan controles. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd; 6. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met: 7. [slachtoffer ] , geboren op [geboortedatum] 1987; 8. [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008; 9. [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010; 10. [kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2019, tenzij dit contact plaatsvindt als het gaat om eventuele omgang van de veroordeelde met zijn minderjarige kinderen met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en de betrokken hulpverlening en/of Veilig Thuis; 7. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de plaats Assen, zolang de reclassering dat nodig vindt.; 8. dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. Maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr: Legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende: - dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer ] , geboren op [geboortedatum] 1987; - dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden in Assen. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan het voornoemde contact-en/of locatieverbod wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan het contact- en/of locatieverbod wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Voorlopige hechtenis Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.B. Soppe, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. F.A. Bussman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus 2026.