Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-28
ECLI:NL:RBNNE:2026:3475
Varia. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de tegemoetkoming aan eiseres in de schade die door ganzen is veroorzaakt. Eiseres is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Deze rechtbank heeft eerder al geoordeeld over dezelfde gronden van eiseres. Eiseres is van deze uitspraak niet in hoger beroep gekomen en heeft desgevraagd op de zitting niet uitgelegd of en op welke wijze de situatie van eiseres zou zijn gewijzigd. Er bestaat voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak van deze rechtbank. Zij is van oordeel dat het bestreden besluit niet onevenredig is en ook niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daar komt bij dat eiseres nog steeds de mogelijkheid heeft om haar land als ganzenfoerageergebied te laten aanwijzen. Daarmee heeft eiseres de mogelijkheid om zelf alsnog te bewerkstelligen dat ook zij voor de toekomst alsnog voor een volledige vergoeding van de schade in aanmerking komt. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/1047 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: P.M.A. van Kempen ), en Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, verweerder (gemachtigde: mr. R. Snel). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de tegemoetkoming aan eiseres in de schade die door ganzen is veroorzaakt. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn. Procesverloop 2. Eiseres is een melkveehouderij. Op 13 maart 2024 heeft eiseres een aanvraag tegemoetkoming in schade door ganzen ingediend voor het jaar 2024. 2.1. In het primaire besluit van 23 augustus 2024 is geconstateerd dat de totale schade door de taxateur is vastgesteld op € 74.312,79 en heeft verweerder een tegemoetkoming toegekend van € 59.450,15. De overige schade valt volgens verweerder onder het eigen risico van eiseres. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door eiseres. 2.2. Met het bestreden besluit van 3 februari 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard en het eigen risico van eiseres verlaagd naar 2% van de jaaromzet. Hierdoor heeft eiseres een nabetaling ontvangen van € 5.787,54 plus wettelijke rente. Onder de streep heeft zij in totaal een tegemoetkoming ontvangen van € 65.237,69. 2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de vertegenwoordigers van verweerder en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Heeft verweerder gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur? De standpunten van partijen 3. Volgens eiseres heeft verweerder gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij voert daartoe het volgende aan. 3.1. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit voor haar een onevenredige uitwerking heeft. Bij zijn berekening van de tegemoetkoming gaat verweerder uit van een evenredigheidsdrempel van 2,25% van de gemiddelde omzet van het melkveebedrijf. Dat percentage heeft verweerder afgeleid van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in een eerdere procedure van eiseres. Problematisch is dat de Afdeling zijn uitspraak heeft gebaseerd op onjuiste informatie die notabene door verweerder is aangeleverd. De gehanteerde drempel van 2,25% in de Afdelingsuitspraak is dus ook onjuist. Eiseres stelt dat in haar geval moet worden gerekend met een evenredigheidsdrempel van 1,34%. Zij heeft hierover een en ander ook voldoende duidelijk uiteengezet in haar bezwaren. 3.2. Verder is er volgens eiseres sprake van structureel nalatig handelen door verweerder. Nu verweerder bij zijn berekeningen een te hoge drempel hanteert, wordt telkens te weinig schadevergoeding uitgekeerd. Hij heeft eiseres (en andere melkveebedrijven) de afgelopen jaren daarmee een aanzienlijk financieel nadeel berokkend. 3.3. Tot slot voert eiseres aan dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Aan andere, omringende melkveebedrijven is namelijk de getaxeerde faunaschade voor 100% vergoed. In het kader van gelijke behandeling dient zij ook 100% vergoeding te krijgen, aldus eiseres. 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij voert daartoe het volgende aan. 4.1. Allereerst merkt verweerder op dat de gronden die eiseres heeft aangevoerd, dezelfde gronden zijn als in een eerdere procedure die eiseres bij deze rechtbank heeft gevoerd. De rechtbank heeft zich over deze gronden al uitgesproken. 4.2. In aanvulling hierop geeft verweerder aan dat de taxateur bij het vaststellen van de schade is uitgegaan van de daarvoor geldende protocollen en richtlijnen. Bij het toezenden van het taxatierapport heeft eiseres geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar bedenkingen over het rapport kenbaar te maken. Wanneer de daarvoor gestelde termijn ongemoeid is gelaten, dan is de regel dat uitgegaan wordt van de juistheid van het rapport. 4.3. De stelling van eiseres dat uitgegaan moet worden van een evenredigheidsdrempel van 1,34% in plaats van 2,25%, kan verweerder niet goed volgen. In de door eiseres aangehaalde uitspraak heeft de Afdeling immers geoordeeld dat wanneer het percentage ganzenschade van een gemiddeld melkveebedrijf 2,25% van de omzet bedraagt, dit niet onevenredig zwaar is. Verweerder heeft acht geslagen op deze rechtspraak. 4.4. Bij de herbeoordeling is geconstateerd dat er in het geval van eiseres sprake is van meer schade dan bij een gemiddeld melkveebedrijf, omdat haar land is omringd door ganzenfoerageergebieden. Om die reden is afgeweken van het gemiddelde percentage. Om te bepalen wat in deze concrete situatie evenredig is, heeft verweerder aansluiting gezocht bij bestaande richtlijnen en voor eiseres de evenredigheidsdrempel verlaagd naar 2%. 4.5. Verder gaat volgens verweerder het beroep op het gelijkheidsbeginsel hier niet op. De omringende gebieden, waar eiseres naar verwijst, zijn aangewezen als ganzenfoerageergebieden. Voor de eigenaren van die gebieden wordt inderdaad geen eigen risico ingehouden. Het land van eiseres is echter niet aangewezen als foerageergebied, omdat eiseres hier in het verleden zelf niet voor heeft gekozen. Desgevraagd voegt hij hieraan toe dat eiseres de mogelijkheid heeft om alsnog voor deze optie te kiezen. In dat geval krijgt zij de schade wel volledig vergoed. Het oordeel van de rechtbank 5. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. Zij overweegt daartoe als volgt. 5.1. In artikel 6.1. van de Wet natuurbescherming is bepaald dat gedeputeerde staten in voorkomende gevallen een tegemoetkoming verlenen in schade, geleden in hun provincie, aangericht door natuurlijk in het wild levende dieren van aangewezen soorten. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid slechts wordt verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald. Schade veroorzaakt door ganzen komt in beginsel voor tegemoetkoming in aanmerking. De grondslag van de vergoeding staat tussen partijen niet ter discussie. 5.2. Naar aanleiding van de door partijen aangehaalde uitspraak van de Afdeling in 2022, heeft verweerder de Handreiking beoordeling normaal maatschappelijk risico vastgesteld (de Handreiking). Op basis van de Afdelingsuitspraak en het beleid in de Handreiking heeft verweerder besloten dat voor eiseres een eigen risico ter hoogte van 20% van de schade onevenredig hoog is. Verweerder heeft het eigen risico voor eiseres conform de Handreiking daarom verlaagd naar 2% van de jaaromzet. 5.3. De rechtbank stelt vast dat op 23 april 2025 door deze rechtbank al geoordeeld dat een percentage van 2% van de jaaromzet voor eiseres niet onevenredig is. Eiseres is van deze uitspraak niet in hoger beroep gekomen. Eiseres heeft desgevraagd op de zitting niet uitgelegd of en op welke wijze de situatie van eiseres zou zijn gewijzigd zodat de rechtbank in deze uitspraak tot de conclusie zou moeten komen dat het genoemde percentage van 2% wel als onevenredig aangemerkt moet worden. Er bestaat voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak van deze rechtbank. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om het in het bestreden besluit toegepaste percentage onevenredig te achten. 5.4. Ten aanzien van het betoog van eiseres over 100% tegemoetkoming in de schade op basis van het gelijkheidsbeginsel, geldt hetzelfde. Ook hierover heeft de rechtbank zich al uitgelaten in de hiervoor genoemde uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat van gelijke gevallen geen sprake is. Het huidige bestreden besluit is daarom op die grond ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. 5.5. Daar komt bij dat – zoals op de zitting door verweerder is toegelicht - eiseres nog steeds de mogelijkheid heeft om haar land als ganzenfoerageergebied te laten aanwijzen en dat het voor eiseres ook mogelijk is een eventuele aanwijzing als ganzenfoerageergebied weer ongedaan te laten maken. Daarmee heeft eiseres de mogelijkheid om zelf alsnog te bewerkstelligen dat ook zij voor de toekomst alsnog voor een volledige vergoeding van de schade in aanmerking komt. 5.6. Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. 6. Ten overvloede wil de rechtbank verweerder nog het volgende meegeven. Op de zitting is besproken dat eiseres verplicht is om in bezwaar te gaan, omdat in een primair besluit standaard wordt uitgegaan van een eigen risico ter hoogte van 20% van de schade. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat dit zorgt voor veel frustratie en ongemak. De rechtbank geeft verweerder mee om het aanvraagformulier aan te passen, zodat gelijk duidelijk is dat een beroep wordt gedaan op een bijzondere situatie met zeer hoge ganzenschade. Dit scheelt onnodige procedures. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:4 (…) 2 De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Wet natuurbescherming Artikel 6.1. 1. Gedeputeerde staten verlenen in voorkomende gevallen tegemoetkomingen in schade, geleden in hun provincie, aangericht door natuurlijk in het wild levende: a. vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van Vogelrichtlijn, of b. dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel a, bij deze wet. 2 Een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren als bedoeld in het eerste lid, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald. 3 Ingeval schade als bedoeld in het eerste lid mede wordt geleden in een andere provincie, wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid genomen door gedeputeerde staten waar de schade in hoofdzaak wordt geleden, in overeenstemming met gedeputeerde staten van die andere provincie. De uitspraak met zaaknummer LEE 24/1152 is te raadplegen onder vindplaats ECLI:NL:RBNNE:2025:1523. Raadpleeg bijvoorbeeld de uitspraak met vindplaats ECLI:NL:RVS:2022:1293.