Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-08-10
ECLI:NL:RBNNE:2026:3396
Afwijzing verzoek om herziening van een verkeersbesluit en afwijzing van het verzoek om handhaving wegens het in strijd met de beheersverordening en de APV aanleggen van een weg. De weigering om het verkeersbesluit te herzien zal in stand kunnen blijven. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om het verkeersbesluit te herzien, Het besluit om het verkeersbesluit niet te herzien is ook niet evident onredelijk. Naar voorlopig oordeel zijn de werkzaamheden ook niet in strijd met de beheersverordening en de APV. Geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Ook zijn de werkzaamheden niet onomkeerbaar. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/1859 uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden , het college (gemachtigde: [naam] ). Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen; [derde-partij] (gemachtigde: mr. A.J. Ter Wee) De gemeente de Wolden (gemachtigde [naam] ) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om herziening van het verkeersbesluit van 29 maart 2023 en de afwijzing van het verzoek om handhaving van verzoeker. Bij het bestreden besluit heeft het college deze besluiten in stand gelaten. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Op 16 maart 2023 heeft het college een verkeersbesluit genomen. Dit besluit is gepubliceerd in het Gemeenteblad van 29 maart 2023. Dit besluit houdt in dat (I) de functie van het weggedeelte [straatnaam] , gelegen tussen huisnummer [huisnummer] en [huisnummer] , wordt gewijzigd van voet- en fietspad in voetpad en openbare weg, (II) door verplaatsing van het bord G11 “verplicht fietspad” van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 van de locatie ter hoogte van [straatnaam] huisnummer [huisnummer] naar de locatie ter hoogte van [straatnaam] huisnummer [huisnummer] (het verkeersbesluit). 2.1. Op 7 november 2025 heeft verzoeker het college verzocht om handhavend op te treden tegen het geschikt maken van het voet- en fietspad voor gemotoriseerd verkeer. Ook heeft hij verzocht om herziening van het verkeersbesluit van 29 maart 2023. 2.2. Bij besluit van 2 december 2025 heeft het college het verzoek om handhaving en het verzoek om herziening afgewezen. 2.3. Verzoeker heeft een bezwaarschrift ingediend. 2.4. Bij besluit van 2 april 2026 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. 2.5. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen verzoeker, de gemachtigde van het college en de gemeente en derde-partij, bijgestaan door zijn gemachtigde. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. 4. Ter zitting is namens het college en de gemeente aangegeven dat de gemeente van plan is om op 11 augustus 2026 met de werkzaamheden te beginnen. Gelet daarop is sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt hierna of daarvoor ook aanleiding bestaat. 5. De voorzieningenrechter gaat hierna eerst in op het besluit om het verkeersbesluit niet te herzien en daarna op de afwijzing om te handhaven. Verzoek om herziening van het verkeersbesluit 6. Verzoeker heeft het college verzocht om herziening van het verkeersbesluit. Het college heeft dat verzoek volgens verzoeker ten onrechte afgewezen. Verzoeker stelt dat sprake is van nieuwe omstandigheden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat gelet op de akte van levering van 30 april 2021 ten behoeve van [straatnaam] [huisnummer] een zakelijk recht van overpad is gevestigd over het perceel aan de [straatnaam] . Daarmee bestaat de vraag of de ontsluiting noodzakelijk is. Ook is de duiding van het politieadvies gewijzigd, in die zin dat is gebleken dat in het eerdere advies niet de verkeersveiligheid is beoordeeld. Dit is volgens verzoeker niet bij het bestreden besluit betrokken. 6.1. Het college heeft het verzoek om herziening afgewezen. Het college heeft daartoe overwogen dat dit besluit onherroepelijk is geworden omdat binnen de wettelijke termijn geen beroep is ingesteld. Het college acht artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daarop niet van toepassing is. In het verweer heeft het college zich nog op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een “novum”. Daaromtrent heeft het college, voor zover van belang, overwogen dat uit de mail van de politie van 18 juli 2025 niet kan worden afgeleid dat de politie is teruggekomen op het eerdere advies over de verkeersveiligheid. Ter zitting is namens het college nog aangegeven dat niet is gebleken dat voor het perceel [straatnaam] [huisnummer] nog een recht van overpad geldt. 6.2. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het verkeersbesluit onherroepelijk is. Er is bezwaar gemaakt door omwonenden en vervolgens ook beroep ingesteld. Na intrekking van dat beroep is het verkeersbesluit onherroepelijk geworden. Het college kan terugkomen op een onherroepelijk besluit als er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Als het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geldt dit toetsingskader ook voor het verkeersbesluit. 6.3. In het bestreden besluit heeft het college erop gewezen dat artikel 4:6 van de Awb in dit geval niet van toepassing is. Dat is op zichzelf juist, omdat een verkeersbesluit geen beschikking is maar een besluit van algemene strekking. Dat betekent echter niet dat nieuwe feiten en omstandigheden geen aanleiding kunnen geven om terug te komen van een onherroepelijk besluit van algemene strekking. Het enkele feit dat artikel 4:6 van de Awb niet van toepassing is, levert naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan op zichzelf ook geen voldoende deugdelijke motivering op voor de afwijzing van het verzoek om het verkeersbesluit te herzien. Het college heeft zich echter (inmiddels) ook op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om het verkeersbesluit te herzien. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat standpunt navolgbaar. De voorzieningenrechter licht dat hierna verder toe. 6.4. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet voor dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van nieuw feiten of omstandigheden. 6.4.1. Voor het nemen van het verkeersbesluit heeft het college advies gevraagd aan de korpschef van de Regiopolitie Drenthe. Verzoeker beroept zich op een e-mail van een medewerker van de politie van 18 juli 2025 over dit advies. Die e-mail zou een ander licht werpen op het politieadvies. Het college heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt mogen stellen dat uit de e-mail niet worden afgeleid dat de politie haar eerdere advies herroept. Ook anderszins ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt voor het oordeel dat in deze e-mail een relevante nieuw feit of omstandigheid is gelegen, die aanleiding had moeten zijn voor herzien van het verkeersbesluit. 6.4.2. In de overwegingen bij het verkeersbesluit staat dat op het genoemde wegvak onderhoud noodzakelijk is en dat de gemeente de Wolden tegelijk met het onderhoud met minimale inspanningen een wegvak van ongeveer 50 meter kan aanleggen, geschikt voor gemotoriseerd verkeer. Hiermee kan ook het perceel [straatnaam] [huisnummer] op een correcte manier ontsloten kan worden. Dat is het perceel van de heer [derde-partij] . Verzoeker heeft gewezen op een leveringsakte van 30 april 2021. Hieruit blijkt volgens verzoeker dat, anders dan waarvan het college bij het verkeersbesluit is uitgegaan, al was voorzien in een goede ontsluiting van het perceel van de heer [derde-partij] via een erfdienstbaarheid van weg (recht van overpad). Ook dit levert naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen nieuw feit of omstandigheid op. De leveringsakte is al van voor het nemen van het verkeersbesluit en had ook ingebracht kunnen worden in de procedure over het verkeersbesluit. Ter zitting is door derde-partij toegelicht dat de passage over de erfdienstbaarheid van weg waarop verzoeker zich beroept een citaat is van een akte uit 2004, terwijl de erfdienstbaarheid nadien teniet is gegaan. Volgens derde-partij is geen sprake van een erfdienstbaarheid. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat deze toelichting onjuist is, nog daargelaten dat de leveringsakte geen nieuw gebleken feit of omstandigheid oplevert. 6.4.3. In wat eisers overigens nog hebben aangevoerd ter ondersteuning van het herzieningsverzoek ziet de voorzieningenrechter evenmin grond voor het voorlopige oordeel dat het college het verkeersbesluit had moeten herzien vanwege nieuwe feiten en omstandigheden. 6.5. De voorzieningenrechter ziet zich tot slot in dit verband voor de vraag gesteld of het besluit van het college om het verkeersbesluit niet te herzien evident onredelijk is. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Alleen in uitzonderlijke gevallen zal de weigering om te herzien evident onredelijk zijn. Met wat verzoeker heeft aangevoerd over onder meer de verkeersveiligheid beoogt verzoeker in feite het debat over de juistheid van het oorspronkelijke besluit opnieuw te voeren. In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter echter geen aanknopingspunt voor het voorlopig oordeel dat de weigering om te zien evident onredelijk is. Dat eiser mogelijk ten tijde van de procedure over het verkeersbesluit nog geen eigenaar was van zijn woning, maakt dat niet anders. 6.6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het voorlopig oordeel dat het college het verkeersbesluit had moeten herzien. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal de weigering om het verkeersbesluit (uiteindelijk) in stand zal kunnen blijven. In zoverre ziet de voorzieningenrechter in wat eiser daarover heeft aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoek om handhaving 7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Nu het verzoek om handhaving is ingediend na 1 januari 2024 is de Omgevingswet op dit geschil van toepassing. 7.1. Op de percelen waar het in deze zaak over gaat geldt het Omgevingsplan van de gemeente de Wolden. Van dat omgevingsplan maken (als tijdelijk deel) de bestemmingsplannen en beheersverordening deel uit die op 31 december 2023 golden op het grondgebied van de gemeente. Daaronder valt ook de in het onderhavige geval van toepassing zijnde beheersverordening Ruinen (beheersverordening), Daarin hebben de betreffende gronden de bestemming “bestaand gebruik” en “archeologie 3”. 8. Verzoeker stelt dat het college zijn verzoek te beperkt heeft opgevat. Het verzoek ziet op de vraag of de uitvoering van het verkeersbesluit en de feitelijke inrichting van het fietspad voor gemotoriseerd verkeer strijdig is met andere regelgeving. Het bestaan van het verkeersbesluit rechtvaardigt niet dat uitvoeringswerkzaamheden worden verricht in afwijking van andere regels. In het handhavingsverzoek heeft verzoeker gewezen op het bestemmingsplan en de APV. Het college heeft dit volgens verzoeker onvoldoende onderzocht en ten onrechte alleen verwezen naar het verkeersbesluit. In het verzoekschrift wijst verzoeker erop dat die werkzaamheden mogelijk in strijd zijn met het bestemmingsplan. 9. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college niet alleen bevoegd is om handhavend op te treden als er sprake is van een overtreding (‘een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift’) maar ook als er een klaarblijkelijk gevaar is van een overtreding (artikel 5:7 Awb). Het enkele feit dat de werkzaamheden ten tijde van het bestreden besluit nog niet waren gestart, is op zichzelf daarom onvoldoende voor het standpunt dat het college niet bevoegd was tot handhavend optreden. Voor zover het college zich met verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie op dat standpunt zou willen stellen, is dat in dit geval naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter nog niet een voldoende deugdelijke motivering om af te zien van handhaving. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de werkzaamheden waarmee de gemeente nu op 11 augustus wil starten, ten tijde van het bestreden besluit volgens het advies van de bezwaarschriftencommissie dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, niet lang op zich zouden laten wachten. 10. Dat volgens het college sprake is van noodzakelijk onderhoud en uitvoering van een rechtsgeldig en onherroepelijk verkeersbesluit acht de voorzieningenrechter niet voldoende voor de conclusie dat geen sprake is van een (dreigende) overtreding. De beoogde werkzaamheden gaan verder dan regulier onderhoud en voorzien ook in de aanleg van of het wijzigen van de bestaande weg (fiets- en voetpad). Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had het college naar aanleiding van het handhavingsverzoek ook behoren te onderzoeken of sprake is van concrete wettelijke voorschriften die mogelijk worden overtreden voordat het werk kan worden aangevangen. Voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter twijfels heeft bij de deugdelijkheid van de motivering van het bestreden besluit. Het is vervolgens de vraag of die twijfels voldoende aanleiding geven voor het treffen van een voorlopige voorziening om het werk te verbieden. De voorzieningenrechter ziet daarvoor geen aanleiding en licht dat hierna verder toe. 11. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift gewezen op strijd met de bestemming “Groen” en “Waarde-Archeologie 3” uit het ontwerp-bestemmingsplan “Ruinen 2023”. De voorzieningenrechter overweegt daarover dat dit een ontwerpbestemmingsplan is. Dat betreft geen geldend recht. Hieraan hoefde het college ook niet te toetsen. Dat geldt wel voor de regels uit de beheersverordening. Daarvan heeft het college in het verweerschrift en ter zitting gesteld dat het gebruik als weg niet in strijd is met de beheersverordening. Daarvoor heeft het college verwezen naar artikel 3.3 van de regels van de beheersverordening. Daarin staat dat het, in aanvulling op het bepaalde in artikel 3.1 van de regels dat bestaand gebruik toestaat, is toegestaan om de openbare ruimte te gebruiken voor (onder meer) wegen. Het gebruik van de woorden “in aanvulling op” duidt er naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter op dat in de openbare ruimte ook wegen mogen gerealiseerd, ook als op grond van artikel 3.1 alleen het bestaande fiets- en voetpad zou zijn toegelaten. De locatie waar de weg wordt gerealiseerd is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter te scharen onder de openbare ruimte zoals gedefinieerd in artikel 1.56 van de regels. 12. Voor zover eiser een beroep doet op de regels in de beheersverordening die gelden voor de bestemming “Archeologie-3” (artikel 7), overweegt de voorzieningenrechter dat regels die strekken tot bescherming van het algemeen belang van archeologische waarden, niet strekken tot bescherming van het belang van een verzoeker die bescherming zoekt in het belang dat hij gevrijwaard blijft van nadelige gevolgen van een omgevingsvergunning voor zijn woon-en leefklimaat of voor zijn bedrijfsvoering. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat dan in de beroepsprocedure in de weg aan gegrondverklaring van het beroep. De voorzieningenrechter ziet daarom hierin geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 13. Op zitting is ook de APV besproken. Er geldt hierin een vergunningplicht voor onder meer de aanleg en het wijzigen van een weg (artikel 2:11). In de huidige (en vorige) APV geldt daarvoor echter een uitzondering indien de werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht. Daarvan is in dit geval sprake. Er kan dan nog onduidelijkheid bestaan of in dit geval voor de uitweg naar het perceel een uitwegvergunning op grond van artikel 2:12 is vereist. Op zitting is namens het college desgevraagd aangegeven dat nog zal worden getoetst of voor de aanleg van de uitweg een omgevingsvergunning is vereist en of die kan worden verleend. Daarbij heeft de gemachtigde van het college en de gemeente aangegeven dat de uitweg niet eerder zal worden gerealiseerd dan nadat is beoordeeld of hiervoor een omgevingsvergunning is vereist en zo ja, is verleend en niet nadat verzoeker door van de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte is gesteld. Ook namens derde-partij is bevestigd dat niet met de aanleg van de uitweg zal worden begonnen dan nadat verzoeker daarover is geïnformeerd. Gelet hierop bestaat naar voorlopig oordeel op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat de voorgenomen werkzaamheden in strijd met de APV zullen worden gerealiseerd. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening . Conclusie en gevolgen 14. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ziet de voorzieningenrechter in deze procedure geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat de beoogde werkzaamheden niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Van een onomkeerbare situatie is daarmee geen sprake. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 15. Verzoeker heeft in beroep aangegeven mogelijk nog nadere gronden te willen indienen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid om ook al in de bodemzaak een uitspraak te doen (artikel 8:86 Awb). Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Regelgeving Beheersverordening Ruinen Artikel 3.1 (bestaand gebruik) a. De binnen het verordeningsgebied gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaand gebruik; 1.13 bestaand a. bestaand gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken dat aanwezig is op het tijdstip van de vaststelling van de verordening of zoals dat kan worden gebruikt krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het gebruik, daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; 3.3 Openbare ruimte In aanvulling op het bepaalde in lid 3.1 is het toegestaan om de openbare ruimte te gebruiken voor wegen, fiets- en wandelpaden, groen, parkeervoorzieningen, taluds en natuurvriendelijke oevers, fietsenstallingen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, water(berging) ten behoeve van de waterhuishouding, geluidwerende voorzieningen, kruisingen met water, reclame-uitingen en kunstwerken en tuinen en erven. In afwijking van het bepaalde onder a mag de openbare ruimte niet zodanig worden gewijzigd dat er sprake is van een reconstructie van wegen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Archeologie 3 7.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. 7.2.1 Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen, een omgevingsvergunning vereist: het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van overige grond bewerkingen; het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen. 7.2.2 Uitzondering vergunningsplicht Het bepaalde in lid 7.2.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: het normale onderhoud betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; niet dieper gaan dan 0,30 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 1.000 m² beslaan. 7.2.3 Voorwaarden De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. Algemene plaatselijke verordening Artikel 2:11 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 2:12 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.