Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-07
ECLI:NL:RBNNE:2026:3388
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Bestuursrecht zaaknummers: LEE 24/5033 en 25/1501 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Terschelling, de heffingsambtenaar (gemachtigde: [naam] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 november 2024. Zaaknummer LEE 24/5033 1.1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de onroerende zaak) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 506.000 (de WOZ-beschikking). Zaaknummer LEE 25/1501 1.2. De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het belastingjaar 2024 een aanslag afvalstoffenheffing van € 242,21 opgelegd (de aanslag). Beide zaaknummers 1.3. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd. 1.4. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [taxateur] (taxateur). Feiten 2. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een vrijstaande woning uit 1989 met een oppervlakte van 166 m², een garage van 30 m², een vrijstaande berging van 170 m² en een kavel van 3.175 m². Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de onroerende zaak en de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde en de aanslag niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De WOZ-waarde 5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet Waardering onroerende zaken wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". 6. De heffingsambtenaar moet, in het licht van wat eiser heeft aangevoerd, aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde heeft de heffingsambtenaar een referentiematrix (de matrix) overgelegd, waarin de verkoopcijfers van de volgende referentiewoningen, gelegen op Terschelling, zijn opgenomen: [adres 2] in Hoorn, verkocht op 1 december 2022 voor € 605.200; [adres 3] in Midsland, verkocht op 2 september 2022 voor € 650.000; en [adres 3] in Baaiduinen, verkocht op 2 februari 2022 voor € 600.000. 7. De rechtbank overweegt dat de in de matrix opgenomen referentiewoningen geschikt zijn om de waarde te onderbouwen. De referentiewoningen zijn wat betreft objecttype, uitstraling en overige kenmerken voldoende vergelijkbaar met de onroerende zaak. Het zijn alle drie woningen in matige staat. Met de onderlinge verschillen is rekening gehouden in de KOUDV-factoren . De woning [adres 4] is, anders dan eiser meent, in de beroepsfase niet (meer) in de vergelijking betrokken. De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase namelijk andere referentiewoningen gebruikt dan in de bezwaarfase. 8. Eiser heeft ter zitting een beknopt verslag gedaan van de situatie waarin hij zich bevindt. Eiser heeft toegelicht dat zijn woning sinds twee jaren volledig is afgesloten van water en stroom en dat hij ge