Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-23
ECLI:NL:RBNNE:2026:3317
Wahv. Proceskostenvergoeding. Ongegrond beroep. Artikel 13a, tweede lid, van de Wahv is niet onverbindend. De officier van justitie mag het wetsartikel toepassen. Dat het artikel van toepassing is, maakt niet dat het gewicht van de zaak in Mulderzaken verandert. Het gaat niet om de financiële en maatschappelijke impact van verkeersboetes, maar om de door de gemachtigde verrichte proceshandelingen. Die heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom de vergoeding niet in verhouding staat tot de verrichte handelingen en de kosten die zij daarbij heeft gemaakt. Daarnaast kan de kantonrechter niet volgen waarom het gestelde feit dat juristen die zich niet hebben bekwaamd in de Wet Mulder meer tijd besteden aan een Mulderzaak dan de gemachtigde (áls dat al zo is), ertoe zou moeten leiden dat Verkeersboete.nl een hogere proceskostenvergoeding toegekend krijgt: zij verricht het werk naar eigen zeggen immers sneller. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Bestuursrecht beschikkingsnummer: 269165429 zaaknummer: 11779037 BU VERZ 25-1413 uitspraak van de kantonrechter van 23 juli 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] , gemachtigde: Verkeersboete.nl. Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: VA007 – ‘7 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom’, verricht op 15 september 2024, om 20:06 uur, op de Vaart Zuidzijde in Assen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 70,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep gegrond verklaard, de boete vernietigd en een proceskostenvergoeding toegekend. Die vergoeding is als volgt berekend: 1 (procespunt) x € 647,00 (tarief) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 80,88. Hiertegen heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 10 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was mr. P. Belopavlovic aanwezig als vertegenwoordiger van de officier van justitie. Beoordeling door de kantonrechter 2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en legt hierna uit waarom dat het geval is. Is artikel 13a, tweede lid, van de Wahv onverbindend? 3. De gemachtigde voert aan dat het hof Arnhem-Leeuwarden artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, onverbindend heeft verklaard wegens strijd met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en/of artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. 4. De kantonrechter overweegt dat de Hoge Raad inmiddels bepaald heeft dat geen sprake is van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Artikel 13a, tweede lid, van de Wahv kan daarom worden toegepast. Dit oordeel is gevolgd door het hof Arnhem-Leeuwarden, dat heeft bepaald dat Verkeersboete.nl ook onder deze regeling valt. De beroepsgrond faalt. Mag de officier van justitie artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toepassen? 5. Gemachtigde stelt dat de officier van justitie de verminderingsfactor niet mag toepassen, aangezien artikel 13a van de Wahv ziet op het beroep bij de kantonrechter. 6. In voornoemd arrest van de Hoge Raad is eveneens bepaald dat de officier van justitie artikel 13a, tweede lid, van de Wahv mag toepassen. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet, oordeelt de kantonrechter. Moet een gemiddelde wegingsfactor worden toegepast? 7. Gemachtigde schrijft dat de wetgever bij de introductie van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm heeft nagedacht over de wegingsfactor in WOZ-zaken, waarbij is gekozen voor een verminderingsfactor van 0,25. De wetgever vond dit een redelijke verlaging, uitgaande van een gemiddeld gewicht van de zaak. In Wahv-zaken hanteert het hof Arnhem-Leeuwarden echter standaard een licht zaakgewicht, waarmee de wetgever geen rekening lijkt te hebben gehouden. De wegingsfactor die wordt gehanteerd, is niet langer passend of rechtvaardig gelet op de financiële en maatschappelijke impact van de hoge verkeersboetes. De ondergrens van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is een redelijke tegemoetkoming in de kosten. De huidige vergoeding is dat niet, want gelet op de tijdsbelasting komt deze uit onder het minimumloon. De redelijke tegemoetkoming moet worden afgemeten naar het marktgemiddelde, ook naar juristen die niet met de Wet Mulder werken, die daardoor langer bezig zijn met een zaak dan de gemachtigde. Daarom roept zij het hof Arnhem-Leeuwarden op om de wegingsfactor gemiddeld toe te passen. 8. De kantonrechter oordeelt dat ook deze beroepsgrond faalt. Hij overweegt daarover als volgt. 8.1. Het appel op het hof Arnhem-Leeuwarden slaagt niet. Het hof heeft immers in het onder overweging 4 genoemde arrest al bepaald dat de omstandigheid dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv van toepassing is, niet maakt dat het gewicht van de zaak in Mulderzaken een andere wordt. In hetgeen gemachtigde heeft aangevoerd ziet de kantonrechter geen reden om daar anders over te denken dan het hof. 8.2. Verder gaat het niet om de financiële en maatschappelijke impact van verkeersboetes, maar om de door de gemachtigde verrichte proceshandelingen. Die heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom de vergoeding niet in verhouding staat tot de verrichte handelingen en de kosten die zij daarbij heeft gemaakt. Daarnaast kan de kantonrechter niet volgen waarom het gestelde feit dat juristen die zich niet hebben bekwaamd in de Wet Mulder meer tijd besteden aan een Mulderzaak dan de gemachtigde (áls dat al zo is), ertoe zou moeten leiden dat Verkeersboete.nl een hogere proceskostenvergoeding toegekend krijgt: zij verricht het werk naar eigen zeggen immers sneller. Hoeveel punten moeten worden toegekend voor het telefonisch horen? 9. De gemachtigde stelt verder dat het hof Arnhem-Leeuwarden in Mulderzaken een eigen matigingssystematiek hanteert voor de hoorzitting. Sinds de invoering van het nieuwe artikel 13a, tweede lid, van de Wahv staat het halve punt dat wordt toegekend voor het telefonisch horen, niet meer in verhouding tot de verrichte werkzaamheden. Daarom kan niet meer worden gesproken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. 10. De kantonrechter constateert dat in deze zaak geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Daarom passeert hij deze beroepsgrond. Conclusie en gevolgen 11. De kantonrechter komt tot de slotsom dat alle namens betrokkene aangevoerde beroepsgronden falen. De officier van justitie heeft de juiste proceskostenvergoeding vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Beslissing De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van D.W. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026. griffier kantonrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld. Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd. Zie de arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7769, 2024:7768 en 2024:7764. HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5551. Zie r.o. 5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025. Zie r.o.