Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-08-06
ECLI:NL:RBNNE:2026:3283
Wet MRB; niet-ontvankelijkverklaring onterecht, geen verzendadministratie inspecteur; inhoudelijk ongegrond, terecht naheffingsaanslagen en boete passend en geboden geen sprake van avas. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 26/119 en LEE 26/2506 tot en met LEE 26/2517 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 augustus 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [plaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/ kantoor Apeldoorn, de inspecteur (gemachtigde: [naam 1] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 december 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor verschillende opeenvolgende periodes tussen 1 juni 2021 en 31 augustus 2024 dertien naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting (mrb) opgelegd. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur aan belanghebbende dertien verzuimboetes van € 55 opgelegd (de boetebeschikkingen). 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. 1.4. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 2] . 1.6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. De inspecteur heeft op verzoek van de rechtbank een overzicht van de opgelegde aanslagen mrb overgelegd. Op de zitting hebben partijen afgezien van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 2 juli 2026 gesloten. 1.7. De rechtbank heeft in eerste instantie één zaaknummer (LEE 26/119) aangemaakt. Naar aanleiding van de behandeling op de zitting, heeft de rechtbank twaalf extra zaaknummers aangemaakt (LEE 26/2506 tot en met LEE 26/2517). Voor de nieuwe zaaknummers is geen griffierecht geheven. Feiten 2. Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer van 9 maart 2018 tot 6 februari 2025 houder geweest van een motorrijtuig van het merk Volkswagen, type Touran met kenteken [kenteken 1] (de auto). 2.1. Tijdens een verkeerscontrole op 28 maart 2025 werd belanghebbende geconfronteerd met openstaande belastingschulden, waaronder die ter zake van de onderhavige naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen. 2.2. Belanghebbende heeft op 7 april 2025, ontvangen door de inspecteur op 9 april 2025, bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking met kenmerk [nummer 1] De omschrijving van zijn bezwaar luidt als volgt: “ Ik maak bezwaar, omdat ik de afgelopen jaren geen aanmaningen heb ontvangen. Het vreemde is, dat ik vanaf 2021 geen wegenbelasting heb betaald voor mijn VW Touran ( [kenteken 1] ), terwijl ik deze auto vanaf 2018 in mijn bezit heb. Hier klopt dus iets niet. Ook voor mijn motor scooter betaal ik geen wegenbelasting. Ik wil graag persoonlijk te woord worden gestaan waar het fout is gegaan en voor een oplossing .” 2.3. Belanghebbende heeft bij het bezwaar het overzicht ‘Thans invorderbare aanslagen het Landelijk Incasso Centrum’ meegestuurd, dat aan hem is uitgereikt bij de controle op 28 maart 2025. Hierop staan naast de onderhavige naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen, ook naheffingsaanslagen mrb en boetebeschikkingen voor de motorscooter met kenteken [kenteken 2] en naheffingsaanslagen fijnstoftoeslag voor de auto. Het totale nog invorderbare bedrag bedraagt € 11.324 bestaande uit de volgende posten: open € 8.499, kosten € 2.501 en rente € 324. 2.4. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag met kenmerk [nummer 1] ook opgevat als een bezwaar tegen de andere naheffingsaanslagen mrb en boetebeschikkingen behorende bij de auto. De uitspraak op bezwaar ziet daarom op de volgende naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen met aanslagnummers over de volgende periodes: - [nummer 2] betreft de periode 1 juni 2021 tot en met 31 augustus 2021 - [nummer 3] betreft de periode 1 september 2021 tot en met 30 november 2021 - [nummer 4] betreft de periode 1 december 2021 tot en met 28 februari 2022 - [nummer 5] betreft de periode 1 maart 2022 tot en met 31 mei 2022 - [nummer 6] betreft de periode 1 juni 2022 tot en met 31 augustus 2022 - [nummer 7] betreft de periode 1 september 2022 tot en met 30 november 2022 - [nummer 8] betreft de periode 1 december 2022 tot en met 28 februari 2023 - [nummer 6] betreft de periode 1 maart 2023 tot en met 31 mei 2023 - [nummer 9] betreft de periode 1 juni 2023 tot en met 31 augustus 2023 - [nummer 10] betreft de periode 1 september 2023 tot en met 30 november 2023 - [nummer 11] betreft de periode 1 december 2023 tot en met 29 februari 2024 - [nummer 12] betreft de periode 1 maart 2024 tot en met 31 mei 2024 - [nummer 13] betreft de periode 1 juni 2024 tot en met 31 augustus 2024. Beoordeling door de rechtbank Vooraf: Is de uitspraak op bezwaar volledig? 3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt via het formulier ‘Bezwaar Motorrijtuigenbelasting’. Hierop heeft hij de naheffingsaanslag met kenmerk [nummer 1] en het kenteken van de auto ingevuld (2.2). In de meegestuurde bijlage bij het bezwaar zit een overzicht van invorderbare naheffingsaanslagen die ook zien op naheffingsaanslagen mrb en boetebeschikkingen voor de motorscooter en op naheffingsaanslag fijnstoftoeslag voor de auto (2.3). De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar in totaal dertien naheffingsaanslagen mrb en boetebeschikkingen voor de auto meegenomen. De naheffingsaanslagen mrb en boetebeschikkingen voor de motorscooter en de naheffingsaanslagen fijnstoftoeslag voor de auto zijn niet meegenomen in de uitspraak op bezwaar. 4. De rechtbank overweegt als volgt. In de toelichting op zijn bezwaar haalt belanghebbende kort een motorscooter aan, maar verder gaat de toelichting over de auto. Het kenteken van de motorscooter wordt niet genoemd. Daar komt bij dat het kenteken van de auto wel is ingevuld op het bezwaarformulier. De rechtbank is van oordeel dat een eventueel bezwaar tegen de naheffingsaanslagen mrb en boetebeschikkingen voor de motorscooter niet concreet is gemaakt door belanghebbende. Over de fijnstoftoeslag wordt in het bezwaar helemaal niet gerept. De inspecteur mocht het bezwaar daarom zo opvatten dat deze enkel gericht was tegen de naheffingsaanslagen mrb en boetebeschikkingen voor de auto. De rechtbank acht het wel correct dat de inspecteur daarbij alle dertien naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen mrb voor de auto heeft meegenomen in zijn uitspraak op bezwaar. De uitspraak op bezwaar is dus volledig. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de uitspraak op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 6. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaarschrift ten onrechte nietontvankelijk heeft verklaard, maar dat de onderhavige naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard? 7. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 8. De rechtbank constateert dat het bezwaarschrift door de inspecteur op 9 april 2025 is ontvangen. De bezwaartermijn van de meest recente naheffingsaanslag met bijbehorende boetebeschikking liep af op 2 september 2024. Dit betekent dat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ingediend en dat belanghebbende daarmee te laat bezwaar heeft gemaakt. Dit is verder ook niet in geschil tussen partijen. Belanghebbende is echter van mening dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij niet eerder op de hoogte was van de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen. 9. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende de ontvangst van de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen betwist. Volgens vaste rechtspraak ligt, bij betwisting van de ontvangst, de bewijslast bij de inspecteur om in ieder geval de verzending aannemelijk te maken. De enkele stelling dat het ter post is bezorgd, is onvoldoende om aan te nemen dat de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn verzonden. De inspecteur dient aannemelijk te maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden en wanneer. 9.1. De inspecteur stelt dat belanghebbende brieven van de belastingdienst ten aanzien van zijn betalingsverplichtingen heeft ontvangen, omdat onder andere de uitspraak op bezwaar ook is ontvangen op zijn adres. Gelet op de bewijslast is een vermoeden van ontvangst echter niet voldoende (zie 9.) De inspecteur heeft op de zitting verklaard dat hij geen verzendadministratie van de naheffingsaanslagen of boetebeschikkingen over kan leggen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet in zijn bewijslast geslaagd. 9.2. Tussen partijen is verder niet in geschil dat nu de verzending van de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen niet aannemelijk is gemaakt, het bezwaar wel tijdig is. Het bezwaar is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Omdat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, is het beroep in zoverre gegrond. De rechtbank beoordeelt hierna of de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zijn de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd? 10. Op de zitting heeft belanghebbende verklaard dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd en niet meer in geschil zijn. De rechtbank beoordeelt daarom alleen nog of de inspecteur de boetebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen heeft opgelegd. 11. De inspecteur heeft op grond van artikel 37 van de Wet Mrb in samenhang met artikel 67c van de AWR boetes opgelegd, omdat de belasting niet op aangifte is voldaan. Bij een eerste verzuim wordt geen boete opgelegd, maar bij een volgend betalingsverzuim binnen een jaar een boete van 1% van het maximum van € 5.514. 12. De beboetbare feiten zijn begaan (zie 10.). Belanghebbende heeft namelijk de mrb niet (tijdig) betaald. De boetes zijn dus in beginsel terecht aan belanghebbende opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste voor een verzuimboete en daarom niet van belang, evenals de omstandigheid dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient wel achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). Belanghebbende stelt dat hij geen van de verstuurde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen en aanmaningen heeft ontvangen. Hij was in de veronderstelling dat er een automatische incasso liep. Belanghebbende heeft op de zitting verklaard dat hij zelf niet gecontroleerd heeft of de verschuldigde mrb van zijn bankrekening werd afgeschreven. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat er geen sprake is van avas. 13. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde verzuimboetes, gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden, ook passend en geboden zijn. Belanghebbende heeft aangevoerd dat, omdat de inspecteur geen deurwaarders naar hem heeft gestuurd en hij geen van de verstuurde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen en aanmaningen heeft ontvangen, hij niet op de hoogte kon zijn van de achterstallige betalingen. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat hij eerder had betaald, als hij eerder op de hoogte was gebracht. Het oplopen van de boetes was dus niet nodig geweest. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor een matiging. Belanghebbende heeft zelf aangegeven niet gecontroleerd te hebben of de automatische afschrijvingen wel goed liepen. De blote stelling dat de boetebeschikkingen niet ontvangen zijn, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de boetes niet passend en geboden zijn. Er is bij de naheffingsaanslagen telkens een boete van € 55 opgelegd, het minimale bedrag volgens het BBBB. Er heeft geen cumulatie van de boetes plaatsgevonden gedurende de gehele periode. De rechtbank acht de verzuimboetes van telkens € 55, leidend tot een totaalbedrag van € 715, passend en geboden. Conclusie en gevolgen 14. De beroepen zijn gegrond voor zover het gaat om de nietontvankelijkverklaring van het bezwaar. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze daarop betrekking heeft. 14.1. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. 14.2. Voor het overige zijn de beroepen (inhoudelijk) ongegrond. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond voor zover deze zien op de niet ontvankelijkverklaring en voor het overige ongegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het ziet op de nietontvankelijkverklaring; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 6 augustus 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist. De inspecteur heeft op de zitting verklaard dat dit aanslagnummer verkeerd in de uitspraak op bezwaar was vermeld (Y.2.1 in plaats van Y.2). Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:11 van de Awb. Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:677 Vgl. HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59, rechtsoverweging 3.2. Paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).