Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-09
ECLI:NL:RBNNE:2026:3260
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/3782 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, het college (gemachtigden: E. Bosch-Kiers en B. Ferati). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college over haar Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP). Eiseres haar bezwaren zijn gericht tegen de startdatum van de inburgering. Zij wil pas beginnen met inburgeren als haar zoon meerderjarig is. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de startdatum in het PIP op goede gronden heeft vastgesteld. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres komt uit Honduras en verblijft sinds november 2022 bij haar partner in Emmen. 2.1. Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft bij besluit van 5 december 2022 eiseres bericht dat zij inburgeringsplichtig is. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, omdat in het besluit een rechtsmiddelenclausule ontbrak. 2.2. Op 12 april 2023 heeft het college voor eiseres het PIP vastgesteld. In dit plan is de leerroute vastgelegd die eiseres moet volgen in het kader van haar inburgering in Nederland. Volgens het PIP volgt eiseres de zogenaamde B1-leerroute. Daarbij gaat eiseres gedurende een cursus volgen bij Vluchtelingenwerk Noord-Nederland en deelnemen aan de Module Arbeidsmarkt en Participatie. De startdatum is 13 april 2023, een dag na de vaststelling van het PIP. 2.3. Vanwege het ontbreken van een bezwaarclausule in het besluit van DUO, heeft het college het bezwaar breder onderzocht en ook gekeken of eiseres inburgeringsplichtig is. 2.4. Met het bestreden besluit van 25 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij het primaire besluit gebleven. 2.5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vergezeld door haar partner en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank Heeft het college de startdatum in het PIP op goede gronden vastgesteld? 3. Eiseres is het oneens met de startdatum van de inburgering en zij wil pas beginnen met inburgeren zodra haar zoon meerderjarig is. Zij stelt dat de huidige verplichting strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe voert eiseres aan dat personen met de Spaanse nationaliteit met een Spaans of Nederlands minderjarig kind, en personen met de Hondurese nationaliteit met een Nederlands minderjarig kind niet inburgeringsplichtig zijn, waardoor sprake is van ongelijke behandeling. Haar zoon is EU-burger en eiseres wordt niet gelijk behandeld ten opzichte van andere moeders van een EU-burgerkind. Daarnaast heeft eiseres de dagelijkse zorg voor haar minderjarige zoon. De verplichting tot inburgering is daarom in strijd met haar recht op gezinsleven. Zij is bereid de inburgeringsplicht te vervullen zodra haar zoon meerderjarig is. De PIP moet daarom pas op dat moment van start gaan. 4. Het college voert aan dat zij niet zelfstandig beslist over de inburgeringsplicht. Dit wordt bepaald door DUO op basis van de verblijfsvergunning. DUO heeft vastgesteld dat eiseres inburgeringsplichtig is. Het college heeft daarna op juiste gronden het PIP vastgesteld. Een ieder die op grond van eenzelfde verblijfsvergunning als eiseres in Nederland verblijft is inburgeringsplichtig. Het feit dat eiseres Spaans spreekt maakt dit niet anders. De situatie van eiseres, waaronder het hebben van een minderjarige zoon, is besproken en meegenomen in de praktische invulling van het PIP. De wet laat geen ruimte om af te wijken van de startdatum van de inburgerin