Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-21
ECLI:NL:RBNNE:2026:3258
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/1314 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en Nederlandse Zorgautoriteit, de Nza (gemachtigde: mr. B.R. Boerboom). Samenvatting Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) door de NZa. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de NZa op goede gronden heeft besloten om de door eiser verzochte informatie niet openbaar te maken . Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan de wetsartikelen die van belang zijn. Procesverloop 1. Eiser heeft bij brief van 28 oktober 2024 een verzoek ingediend bij de NZa. In deze brief heeft hij het volgende verzocht: “Hierbij verzoek ik u op basis van de Woo om de volgende documenten te overleggen: Van de correspondentie met [tandartspraktijk] specifiek de klacht van [derde] waarin [derde] mij beschuldigt van bedreiging. De gehele correspondentie die u gevoerd heeft met [derden] , wonende te [woonplaats] . De gehele correspondentie die u gevoerd heeft met [derde] , woonachtig te [woonplaats] .” 1.1. Met het primaire besluit van 22 november 2024 heeft de NZa het verzoek van eiser afgewezen en de gevraagde informatie niet openbaar gemaakt. 1.2. Met het bestreden besluit van 19 februari 2025 heeft de NZa het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing in stand gelaten. 1.3. Eiser heeft op 2 april 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft bij brief van 30 juni 2025 de beroepsgronden aangevuld. 1.4. De NZa heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft kennisgenomen van de met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de NZa overgelegde informatie. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van de NZa en F.L. Boekee, een medewerker van de NZa. Het toetsingskader 2. Het uitgangspunt van de Woo is dat iedereen recht heeft op toegang tot publieke informatie en dat alle overheidsinformatie in beginsel openbaar is, tenzij sprake is van bij wet gestelde beperkingen. In artikel 5.1 van de Woo staan in het eerste lid de absolute en in het tweede lid de relatieve uitzonderingsgronden. Deze uitzonderingsgronden kunnen aan openbaarmaking in de weg staan. Bij een absolute uitzonderingsgrond blijft informatieverstrekking altijd achterwege. Bij een relatieve uitzonderingsgrond maakt het bestuursorgaan een afweging tussen het vooropgestelde algemene belang van openbaarheid en de belangen genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Woo. 2.1. In het bestreden besluit heeft de NZa met een beroep op een tweetal relatieve uitzonderingsgronden (sub e en sub i) de openbaarmaking van de gevraagde informatie geweigerd. Op grond van sub e (de e-grond) mag een bestuursorgaan het openbaar maken van informatie achterwege laten als het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Op grond van sub i (de i-grond) mag een bestuursorgaan het openbaar maken van informatie achterwege laten als het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Beoordeling door de rechtbank Heeft de NZa de openbaarmaking terecht geweigerd met verwijzing naar de i-grond? 3. Eiser voert aan dat de NZa de beslissing om de gevraagde informatie op basis van de i-grond niet openbaar te maken ondeugdelijk en onvoldoende specifiek heeft gemotiveerd. Volgens eiser had de NZa per document moeten motiver Volgens eiser moet bij de toepassing van een relatieve uitzonderingsgrond een afweging worden gemaakt tussen het belang dat door de uitzonderingsgrond wordt gediend en het belang van transparantie en rechtsbescherming van de verzoeker. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De NZa moest op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afwegen tegen de door de uitzonderingsgronden te beschermen belangen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser belang heeft bij de openbaarmaking van de gevraagde informatie, speelt dit belang in deze afweging geen rol. Heeft NZa het beroep van eiser op artikel 194 en 195 Rv terecht verworpen? 6. Eiser stelt dat de NZa zijn beroep op artikel 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ten onrechte heeft verworpen. Volgens eiser heeft hij ook op basis van deze bepalingen recht op toegang tot de documenten waarvan hij openbaarmaking heeft gevraagd. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 194 en 195 Rv zijn per 1 januari 2025 gewijzigd en voorzien in de mogelijkheid om in het kader van een civielrechtelijke procedure toegang te krijgen tot documenten. Een procedure op grond van deze bepalingen moet met een verzoekschrift of een dagvaarding worden ingeleid bij de civiele rechter. In de onderhavige, bestuursrechtelijke procedure tussen partijen is geen ruimte voor de toepassing van deze bepalingen. In deze procedure staat immers de toepassing van de Woo centraal en moet specifiek de vraag worden beantwoord of de NZa terecht de openbaarmaking van de door eiser opgevraagde informatie heeft geweigerd met een beroep op artikel 5.1, van de Woo. Heeft de NZa artikel 6 EVRM geschonden? 7. Eiser voert verder aan dat de weigering van de NZa om de door hem gewenste documenten te publiceren in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens eiser wordt met de weigering het beginsel van ‘equality of arms’ geschonden. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet omdat – zoals door de NZa terecht is gesteld – uit vaste rechtspraak volgt dat artikel 6, van het EVRM niet van toepassing is op procedures over de Wet openbaarheid van bestuur. De reden hiervoor is dat het algemeen belang bij openbaarmaking in een dergelijke procedure aan de orde is en niet een burgerrechtelijk recht of een burgerrechtelijke verplichting van de verzoeker. Er is geen reden om aan te nemen dat deze jurisprudentielijn niet langer zou gelden onder de Woo. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Veenema, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet open overheid Artikel 4.1. Verzoek 1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. […] Artikel 5.1. Uitzo