Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-09
ECLI:NL:RBNNE:2026:3217
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie: Assen zaak-/rolnummer.: 12169890 AR VERZ 26-33 beschikking van de kantonrechter van 9 juli 2026 de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE BERKELLAND , zetelende te Borculo, verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek, gemachtigde: mr. G.M. Hissink, tegen [verweerder] , wonende te [plaats 1] , verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek, gemachtigde: mr. M. Ichoh. Partijen zullen hierna Berkelland en [verweerder] worden genoemd. 1 Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: - het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 1 april 2026; - het verweerschrift, tevens houdende het voorwaardelijk tegenverzoek; - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [verweerder] is zelf niet ter zitting verschenen. 1.2. Beschikking is bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. [verweerder] is per 1 september 2016 in dienst getreden bij Berkelland op basis van een ambtelijke aanstelling. [verweerder] was gemiddeld 36 uur werkzaam voor Berkelland als [functie] tegen een salaris van laatstelijk (op 20 juni 2018) € 4.161,00 bruto per maand. 2.2. Op 12 juni 2018 heeft [verweerder] Berkelland verzocht om hem op grond van artikel 125c van de Ambtenarenwet 1929 (hierna: de Aw 1929), met ingang van 20 juni 2018 voor zijn volledige functie-omvang buitengewoon verlof te verlenen voor de vervulling van de taken als wethouder voor de gemeente [plaats 2] . 2.3. Bij brief van 26 juni 2018 heeft Berkelland het politiek verlof aan [verweerder] toegekend. In deze brief staat voor zover van belang het volgende vermeld: “(…)Met ingang van 20 juni 2018 verlenen we je politiek verlof op grond van artikel 125c van de Ambtenarenwet en artikel 6:4:4 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling sector gemeenten/ Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Het verlof geldt vooreerst voor de periode van de huidige coalitieperiode van de gemeente [plaats 2] (vier jaar). Met het verlenen van politiek verlof wordt je tijdelijk ontheven van je functie als [functie] bij Team Bestuursondersteuning voor gemiddeld 36 uren per week (voltijd). Politiek verlof geeft niet per definitie het recht van terugkeer. We bekijken zorgvuldig of we je na afloop van je wethouderschap weer in actieve dienst kunnen nemen. Is er geen passende of geschikte functie voorhanden dan volgt eervol ontslag op grond van artikel 8:9 van de CAR/UWO. Bezoldiging Bij politiek verlof bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en eventueel toegekende toeslagen zoals het individueel keuzebudget (IKB). Er vindt geen pensioenopbouw plaats vanuit het ambtenaarschap (ABP) omdat je voor je volledige functie-omvang politiek verlof vraagt. Via de gemeente [plaats 2] bouw je pensioen op grond van de Algemene pensioenwet politiek ambtsdragers (APPA) op. De VUT- en AAOP (arbeidsongeschiktheid) premies blijven wel verschuldigd. Dit betekent dat maandelijks sprake is van een negatief salaris. Hiervoor ontvang je van de financiële administratie maandelijks een factuur. Afrekening Je salaris stopt met ingang van 20 juni 2018. Je opgebouwde recht op IKB wordt afgerekend. Resterende verlof-uren en werkuren worden uitbetaald in juli.” 2.4. Op 14 juni 2022 heeft [verweerder] Berkelland verzocht om het politiek verlof te verlengen wegens zijn herbenoeming als wethouder van de gemeente [plaats 2] . Berkelland heeft dit verzoek gehonoreerd bij brief van 3 november 2022. Voor zover van belang staat in de brief het volgende vermeld: “(…) Met ingang van 21 juni 2022 verlenen we je dit politiek verlof. In artikel 15 van de Ambtenarenwet 2017 is overgangsrecht neergelegd (o.a.) met betrekking tot het ten gevolge van de wnra vervallen artikel 125c lid 2 van de Ambtenarenwet. In dit artikel werd het politiek verlof geregeld. Uit het overgangsrecht volgt dat de oude regeling uit artikel 125c l De gemachtigde van [verweerder] heeft aangegeven dat in dat kader vooraf kan worden afgesproken dat wanneer de kantonrechter oordeelt dat [verweerder] géén recht heeft op verlenging van diens politiek verlof, [verweerder] daarin zal berusten en zelf zijn arbeidsovereenkomst zal opzeggen. Indien wordt geoordeeld dat [verweerder] wel recht heeft op verlenging van zijn politiek verlof, geeft [verweerder] daaraan de voorkeur maar is hij, als Berkelland dat wil, bereid om een vaststellingsovereenkomst te sluiten waarin hem een financiële tegemoetkoming als compensatie voor vervallen rechten wordt geboden. De gemachtigde van [verweerder] heeft aangekondigd dat wanneer Berkelland in weerwil van het voorstel eenzijdig een ontbindingsverzoek indient, een afschrift van zijn brief in het geding zal worden gebracht, om de kantonrechter te informeren dat Berkelland tegen beter weten in optreedt, onzorgvuldig en zelf ernstig verwijtbaar handelt. 2.9. Op 22 januari 2026 heeft Berkelland het voorstel van [verweerder] afgewezen en toegelicht waarom zij daarin niet meegaat. Berkelland schrijft onder meer dat een financiële tegemoetkoming, mede gelet op het vangnet dat de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (Appa) [verweerder] biedt, wat haar betreft niet aan de orde is en dat zij zich niet herkent in de suggestie dat zij niet zorgvuldig, of zelfs ernstig verwijtbaar zou handelen. 3 Het verzoek, het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek 3.1. Berkelland verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: - de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op een kortst mogelijke termijn te ontbinden op grond van artikel 7:669, lid 3, sub h, BW, - met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding. Volgens Berkelland is sprake van een inhoudsloze arbeidsovereenkomst. Ofwel omdat Berkelland het politiek verlof met juistheid heeft geweigerd te verlengen, of wel omdat partijen niet tot een hernieuwde invulling van het dienstverband kunnen en willen komen. Indien het dienstverband om die reden wordt beëindigd, meent Berkelland dat [verweerder] geen financiële aanspraken meer jegens haar heeft, nu de laatste acht jaar geen invulling van het dienstverband heeft plaatsgevonden. 3.2. [verweerder] voert verweer strekkende tot afwijzing van het verzoek van Berkelland. Voor het geval de kantonrechter dat verzoek toewijst, verzoekt [verweerder] : a) te bepalen dat de arbeidsovereenkomst niet eerder eindigt dan met inachtneming van de volledige opzegtermijn van twee maanden: b) Berkelland te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van de wettelijke transitievergoeding over de volledige duur van het dienstverband, te berekenen aan de hand van het laatstgenoten bruto maandsalaris van € 6.622,00, nader te berekenen op € 25.416,12 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontbinding; c) Berkelland te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van een billijke vergoeding van € 35.000,00 bruto, wegens ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van Berkelland als werkgever, te vermeerderen met de wettelijke rente, en zowel primair als subsidiair Berkelland te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente. [verweerder] voert aan de wet geen corrigerende berekeningswijze kent voor perioden van door de werkgever verleend onbetaald verlof en dat het maandsalaris dat volgens de in december 2025 geldende loontabellen bij zijn functie hoort, inclusief vakantietoeslag en eventuele vaste looncomponenten € 7.750,85 bruto bedraagt. Daarnaast maakt een samenstel van gedragingen van Berkelland, dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, zodat [verweerder] recht heeft op een billijke vergoeding. 3.3. Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 4 De beoordeling Het verzoek van Berkelland De kern van het geschil 4.1. [verweerder] is op 1 september 2016 bij Berkelland in dienst getreden. Met ingang van 20 juni 2018 heeft B Betreffende het doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de door of vanwege het rijk aangestelde ambtenaren, dan wel door het bevoegde gezag der provincies, gemeenten en waterschappen voor de ambtenaren door of vanwege deze lichamen aangesteld, regels worden gesteld.” Het tweede lid van artikel 125c Aw 1929 ziet op buitengewoon verlof voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen en het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden als er geen tijdelijke ontheffing is verleend. 4.5. In de overgangsbepaling van artikel 15 lid 2 Aw 2017 is met betrekking tot de werking van artikel 125c Aw 1929 na de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) het volgende opgenomen: “De ambtenaar die op het in het eerste lid bedoelde tijdstip is benoemd of gekozen in een functie als bedoeld in artikel 125c, eerste of tweede lid, zoals dat luidde voorafgaand aan dat tijdstip, behoudt de verleende ontheffing van de waarneming van zijn ambt onderscheidenlijk het verleende buitengewoon verlof. Ingeval op de bezoldiging een inhouding wordt toegepast over de tijd dat hij verlof geniet, blijven deze inhouding en de daarop van toepassing zijnde regels van kracht.” In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32550, nr 3, p. 28) staat: “ Voor zover de regeling op grond van artikel 125c Ambtenarenwet gunstiger is dan die van artikel 7:643 BW, blijft voor degenen die bij inwerkingtreding van het onderhavige voorstel van wet van artikel 125c gebruik maken, dat artikel op grond van artikel 133, derde lid, onderdeel uitmaken van de na inwerkingtreding ontstane arbeidsovereenkomst. Dit geldt niet voor ambtenaren die na inwerkingtreding van onderhavig voorstel van wet pas lid worden van een in artikel 125c bedoeld publiekrechtelijk college.” 4.6. Aan [verweerder] kan worden toegegeven dat de opmerking in de Memorie van Toelichting dat artikel 125c Aw 1929 deel uit blijft maken van de arbeidsovereenkomst als daarvan al gebruik wordt gemaakt, steun biedt aan de uitleg die hij voorstaat. De vraag is echter of dat dat artikel ook van toepassing blijft als er sprake is van een benoeming in een ander publiekrechtelijk college. [verweerder] meent van wel, terwijl Berkelland in de laatst geciteerde zin leest dat het om hetzelfde college moet gaan. De kantonrechter volgt het standpunt van Berkelland. Zij kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat in artikel 15 lid 2 Aw 2017 staat dat de verleende ontheffing van de waarneming van het ambt wordt behouden. Dat het politiek verlof dat Berkelland heeft verleend ziet op de werkzaamheden van [verweerder] als wethouder in [plaats 2] en dat [verweerder] voor zijn ambt als burgemeester van [plaats 1] een nieuw verzoek heeft ingediend, is niet in geschil. 4.7. Dit betekent dat Berkelland het verzoek van [verweerder] tot het verlenen van politiek verlof terecht heeft beoordeeld op basis van het na de inwerkingtreding van de Wnra per 1 januari 2020 ook voor ambtenaren geldende artikel 7:643 BW. Dat artikel biedt geen grondslag voor het verlenen van verlof aan een werknemer die het ambt van burgemeester gaat bekleden. Het verzoek van [verweerder] is door Berkelland daarom op juiste gronden afgewezen. Anders dan [verweerder] , leest de kantonrechter in de beslissing van 3 november 2022 van Berkelland niet de toezegging dat artikel 125c Aw 1929 altijd voor [verweerder] zou blijven gelden. In die beslissing, die op verzoek van [verweerder] is gegeven nadat hij opnieuw als wethouder van de gemeente [plaats 2] was benoemd, wordt verwezen naar artikel 15 Aw 2017 en vermeld dat het overgangsrecht ook blijft gelden voor zijn aansluitende herbenoeming . [verweerder] mocht er daarom niet op vertrouwen dat Berkelland hem opnieuw zou ontheffen van zijn werkzaamheden bij het aanvaarden van het burgemeestersambt. Daar komt bij dat artikel 125c lid 1 Aw 1929 een werknemer recht geeft op een tijdelijke ontheffing van zijn fu Die ernstige verwijtbaarheid is aldus [verweerder] gelegen in een samenstel van gedragingen waaronder (1) het verlaten van een eerder ingenomen standpunt over de toepassing van het overgangsrecht van artikel 15 Aw 2017 zonder afdoende onderbouwing, (2) de afwijzing van het voorstel om via een procedure ex artikel 96 Rv een oordeel van de kantonrechter te krijgen over de rechtsvraag zonder inhoudelijke motivering, (3) het aansturen op beëindiging zonder enig arbeidsconflict of disfunctioneren en (4) de beëindiging van een wettelijk beschermd verlof op beleidsmatige gronden. 4.14. De kantonrechter stelt voorop dat een billijke vergoeding alleen toewijsbaar is als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Berkelland. De situatie doet zich hier niet voor. De kantonrechter heeft hiervoor geconcludeerd dat Berkelland het laatste verzoek om politiek verlof van [verweerder] heeft mogen weigeren. [verweerder] heeft door daarna geen uitvoering te geven aan de arbeidsovereenkomst en deze niet op te zeggen, Berkelland grond gegeven om een ontbindingsverzoek in te dienen. Wat betreft de artikel 96 Rv-procedure: dat Berkelland daaraan geen medewerking heeft verleend is niet verwijtbaar, laat staan ernstig verwijtbaar. Berkelland was redelijkerwijs niet gehouden om op dat voorstel van [verweerder] in te gaan. [verweerder] licht ook niet toe waarom Berkelland dat wel had moeten doen. Berkelland wenste de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te beëindigen en een oordeel te krijgen over de financiële afwikkeling daarvan en daarvoor is de onderhavige ontbindingsprocedure, met de mogelijkheid van hoger beroep, de gebruikelijke weg. De door [verweerder] verzochte billijke vergoeding zal worden afgewezen. Transitievergoeding 4.15. [verweerder] verzoekt om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan hem een transitievergoeding toe te kennen van € 25.416,12 bruto. Dit bedrag ziet op een dienstverband van 9 jaar en 10 maanden en een bruto maandsalaris van € 7.750,85. Berkelland betwist dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Als dat wel het geval is, moet volgens Berkelland bij de berekening rekening worden gehouden met de het feit dat [verweerder] nog geen 20% van zijn diensterband voor Berkelland heeft gewerkt, door omstandigheden die voor zijn rekening en risico komen. 4.16. Artikel 7:673 lid 1 sub a onder 2 BW bepaalt dat wanneer een arbeidsovereenkomst op verzoek van een werkgever wordt ontbonden, de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is. Dat is anders ingeval de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Berkelland heeft niet aangevoerd dat daarvan sprake is. Dat betekent dat moet worden vastgesteld wat de transitievergoeding in dit geval is. 4.17. De transitievergoeding is afhankelijk van de arbeidsduur een het laatstverdiende salaris. Uit Memorie van Toelichting blijkt dat die vergoeding enerzijds is bedoeld om in situaties waarin de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever wordt beëindigd, de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te verzachten en anderzijds om de overstap naar een andere baan te vergemakkelijken (MvT, kamerstuk 33.818, nr. 3, hoofdstuk 4). In dit geval doet noch het een noch het ander zich voor: [verweerder] ontvangt al sinds medio 2018 geen salaris meer van Berkelland en de ontbinding wordt juist uitgesproken omdat [verweerder] voltijds een betaalde functie elders bekleedt, waardoor hij niet in staat is om nog voor Berkelland te werken. Onder deze omstandigheden is Berkelland naar het oordeel van de kantonrechter aan [verweerder] geen transitievergoeding verschuldigd. Zij zal deze daarom afwijzen. Proceskosten 4.18. Gelet op de aard van de zaak zal de kantonrechter de proceskosten in het verzoek compenseren. 4.19. Nu de tegenverzoeken van [verweerder] worden afgewezen, zal [verweerder] worden veroordeeld in de proceskosten in het tegenverzoek. Deze worden gelet op d