Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-30
ECLI:NL:RBNNE:2026:3187
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 268192442 zaaknummer: 11815884 BU VERZ 25-1679 uitspraak van de kantonrechter van 30 april 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] , gemachtigde: het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa’s. Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘voertuigdeel/verwisselbare gedragen uitrustingsstuk > 3,50 m voor hartstuurwiel’, verricht op 7 augustus 2024, om 15:23 uur, op de Zuidlaarderweg in Noordlaren, met een land- of bosbouwtrekker, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 15 april 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, namens zijn gemachtigde [naam 1] en [naam 2] en de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. P.A. Veenstra. Beoordeling door de kantonrechter Beslissing 2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete vernietigen . De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet. Standpunten 3. Betrokkene voert aan dat sprake is van een uitzondering op de regel uit artikel 5.18.21a, eerste lid, onder e, van de Regeling voertuigen. Deze uitzondering staat in het derde lid van dit artikel en houdt in dat onderdeel e niet van toepassing is als er maatregelen zijn getroffen die bewerkstelligen dat gezichtsveldbeperkingen bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten worden opgeheven. 3.1. Het voertuig voldoet aan deze uitzondering. De voertuigdelen steken 4,30 meter voor het hart van het stuurwiel van de trekker uit. Er zijn twee camera’s aangebracht op de voorkant van de trekker om het kijkpunt van de machinist te verlengen. Eén camera kijkt naar links en de andere kijkt naar rechts, zodat goed zichtbaar is wat er van beide kanten komt. De maaimachine steekt 1,89 meter voor het kijkpunt van de camera’s uit. De camera’s zijn verbonden met een beeldscherm in de trekker. Hiervan heeft betrokkene foto’s bijgevoegd. 3.2. De camera’s zijn een maatregel in de zin van artikel 5.18.21a, derde lid, onder e, van de Regeling voertuigen. Dit blijkt ook uit de toelichting bij die Regeling, waarin staat dat de maatregelen kunnen bestaan uit de aanwezigheid van spiegels of camera-monitorsystemen, dan wel van een begeleider die de bestuurder van het voertuig aanwijzingen kan geven. De camera’s heffen de gezichtsveldbeperking bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten op. 3.3. Verder stelt betrokkene het niet eens te zijn met de verklaring van de verbalisant. Het klopt dat het camerahulpsysteem niet voorop het uitrustingsstuk is gemonteerd. Deze eis wordt echter nergens in de Regeling voertuigen genoemd. Daarnaast stelt betrokkene dat door het plaatsen van twee camera’s voorop de trekker en van beeldschermen in de cabine, het kijkpunt van de machinist ruim naar voren wordt gebracht. Door die plaatsing voldoet de machine weer aan de wetgeving en is er voldoende zicht om veilig in het verkeer te bewegen. 3.4. De foto’s in het dossier laten volgens betrokkene alleen de plek van de camera’s zien en niet het beeld dat de camera’s opleveren. Op basis van deze foto’s kan dus niet geconcludeerd worden dat de gezichtsveldbeperkingen niet worden opgeheven door de camera’s. Op de foto’s die betrokkene heeft bijgevoegd is dit wel zichtbaar. 3.5. Verder zou volgens betrokkene een plaatsing van de camera’s op de voorkant van het uitrustingsstuk een onwerkbare situatie voor meerdere voertuigen bij het waterschap opleveren. Dit vereist namelijk