Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-24
ECLI:NL:RBNNE:2026:3171
Watervergunning voor de legalisatie van een demping van een sloot. Voorgeschreven compensatiemaatregelen. De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat compensatie met een oppervlakte van 44 m2 voldoende is. Door geen vergunningvoorschrift over de diepte aan de vergunning te verbinden, wordt naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gewaarborgd dat volledige compensatie plaatsvindt. In de door eiser genoemde plaatselijke omstandigheden heeft het dagelijks bestuur geen aanleiding hoeven zien voor een andere beoordeling over de te nemen compensatiemaatregelen. Geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/1874 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. E. Erkamp), en Het dagelijks bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta (gemachtigden: M.C. Kuiper-Everts, J. Klooster en B. Bekhit). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een watervergunning voor de legalisatie van een demping van een sloot in [woonplaats]. Eiser is het niet eens met de verleende watervergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het dagelijks bestuur ten onrechte geen vergunningvoorschrift over de diepte van het compenserende oppervlaktewaterlichaam aan de vergunning heeft verbonden. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Vergunninghouder heeft op 13 november 2023 een aanvraag ingediend voor de legalisatie van een demping aan [adres] in [woonplaats] (kadastraal bekend [kadastrale aanduiding]). 2.1. Het dagelijks bestuur heeft de watervergunning met het besluit van 22 januari 2024 verleend. 2.2. Eiser woont naast het perceel van vergunninghouder. Hij heeft op 29 maart 2024 (pro forma) bezwaar gemaakt tegen de watervergunning en op 29 mei 2024 de bezwaargronden aangevuld. 2.3. Op 16 oktober 2024 is een hoorzitting gehouden bij de onafhankelijke bezwarencommissie van het Waterschap Drents Overijsselse Delta (hierna: de bezwarencommissie). 2.4. Met het advies van 17 december 2024 heeft de bezwarencommissie het dagelijks bestuur geadviseerd nader te motiveren waarom kon en mocht worden afgeweken van de Beleidsregels bij de Keur Waterschap Drents Overijsselse Delta (Beleidsregels). 2.5. Naar aanleiding van het advies van de bezwarencommissie heeft het dagelijks bestuur een hydrologisch onderzoek ingesteld naar de aard en omvang van de demping en de gevolgen daarvan op het perceel van eiser. Op 11 maart 2025 is daartoe een hydrologisch advies uitgebracht. 2.6. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft het dagelijks bestuur de verleende vergunning in stand gelaten, met aanvullende motivering en met aanpassing van de voorschriften. 2.7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.8. Het dagelijks bestuur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.9. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde, de gemachtigden van het dagelijks bestuur en vergunninghouder met zijn moeder, [naam]. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht dat bij die wet hoort vloeit voort dat op deze procedure het recht van toepassing is zoals dat gold voor 1 januari 2024. Huidige vergunningvoorschriften 4. De rechtbank schetst hieronder kort de totstandkoming en inhoud van de huidige vergunningvoorschriften over de compensatie van het gedempte oppervlaktewaterlichaam. Daarna zal de rechtbank de gronden van eiser bespreken. 4.1. Vergunninghouder heeft bij zijn aanvraag aangegeven dat hij maatregelen heeft genomen om het gedempte deel van het oppervlaktewaterlichaam te compenseren. Hij heeft drainagebuizen aangelegd, een grasmat aangebracht, de hemelwaterafvoer aangesloten op een regenton, de rest van de watergang vrijgemaakt van vuil en verder uitgediept en er bevindt zich een vijver op het perceel met een capaciteit van 4 m3 die het nodige hemelwater kan bergen. In de oorspronkelijke watervergunning van 22 januari 2024 heeft het dagelijks bestuur overwogen dat deze compensatiemaatregelen voldoende zijn. 4.2. Naar aanleiding van het advies van de bezwarencommissie heeft het dagelijks bestuur nader hydrologisch onderzoek ingesteld. Daaruit is gebleken dat de omvang van de demping groter was dan waar het dagelijks bestuur tijdens de beoordeling van de vergunningaanvraag van uitging. Het dagelijks bestuur heeft daarom, met verwijzing naar de Beleidsregels , de vergunning gedeeltelijk herroepen en nieuwe voorschriften aan de vergunning verbonden. Die voorschriften houden in dat het gedempte oppervlak gecompenseerd moet worden door het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam. Dit oppervlaktewaterlichaam moet een oppervlakte hebben van minimaal 44 m2, binnen hetzelfde peilvak worden gerealiseerd en in hetzelfde bovenstroomse gedeelte van het oppervlaktewaterlichaam worden gecompenseerd en ermee in directe verbinding liggen. Zorgvuldigheidsbeginsel Onvoldoende meetgegevens 5. Eiser stelt dat het dagelijks bestuur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. In het hydrologisch advies van 11 maart 2025 staat dat de verandering van de grondwaterstand als gevolg van het dempen van de sloot met de beschikbare gegevens niet aan te tonen is of concreter kan worden gemaakt. Volgens eiser kan het dagelijks bestuur niet zonder de in het hydrologisch onderzoek genoemde gegevens de conclusie trekken dat compensatie van de demping met 44 m2 voldoende is. Meetgegevens over het grondwater in de directe omgeving zouden door het dagelijks bestuur moeten kunnen worden verkregen. Ook kan vergunninghouder om informatie worden gevraagd over de wijze van dempen en de aanleg van de drain. Tot slot is het aan het dagelijks bestuur om inzichtelijk te maken wat de invloed van het Meppelerdiep is. 5.1. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat het niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Op basis van luchtfoto’s is geconstateerd dat een oppervlakte van 44 m2 is gedempt. In de vergunningvoorschriften is volledige compensatie van het gedempte oppervlaktewaterlichaam verplicht gesteld. De diepte van het gedempte deel kan niet worden vastgesteld. Het gedempte deel had niet per definitie dezelfde diepte als het aangrenzende deel van de watergang. De oorspronkelijke ligging van de watergang aan de overzijde van dat van eiser was waterhuishoudkundig ongunstig, omdat het perceel van vergunninghouder afloopt richting het perceel van eiser, dat het laagstgelegen perceel in de omgeving is. Voor een betere waterhuishouding op het perceel van eiser zou het gunstiger zijn als het compenserende waterlichaam dichter bij diens perceel wordt aangelegd. Het dagelijks bestuur heeft, juist vanwege de ligging van het perceel en het ontbreken van meetgegevens van vóór de demping, niet afgeweken van het beleid. 5.2. De rechtbank overweegt als volgt. Dat bepaalde meetgegevens ontbreken, zoals meetgegevens over de grondwaterstanden in de omgeving over de afgelopen jaren, is een gegeven. Het dagelijks bestuur heeft daarom aan de hand van de gegevens die wel beschikbaar zijn moeten bepalen wat de omvang van de compensatie is die moet plaatsvinden voor de demping van de sloot. Aan de hand van luchtfoto’s van de afgelopen jaren heeft het dagelijks bestuur op basis van het hydrologisch onderzoek vastgesteld dat een oppervlakte van 44 m2 moet worden gecompenseerd. Eiser heeft niet bestreden dat dit te compenseren oppervlakte is. Het is de rechtbank niet gebleken dat een compensatie met deze oppervlakte niet voldoende zou zijn, mede nu is voorgeschreven dat er een open verbinding met de rest van het oppervlaktewaterlichaam moet zijn. Het door eiser ingenomen standpunt dat het compenserende oppervlaktewaterlichaam de vorm van een langgerekte sloot zou moeten hebben leidt niet tot een ander oordeel, nu dit standpunt pas ter zitting is ingenomen en niet nader is onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur zich daarom op het standpunt heeft kunnen stellen dat compensatie met een oppervlakte van 44 m2 voldoende is. 5.3. Bij de compensatie is echter niet enkel de oppervlakte maar ook de diepte van het compenserende oppervlaktewaterlichaam van belang. In de vergunningvoorschriften is niet opgenomen wat de diepte van het compenserende oppervlaktewaterlichaam moet zijn. Het dagelijks bestuur heeft echter zowel in het verweerschrift als ter zitting erkend dat sprake moet zijn van volledige compensatie en dat de diepte van het compenserende oppervlaktewaterlichaam daarbij van belang is. Verder heeft het dagelijks bestuur bij de controle op het inmiddels nieuw gegraven oppervlaktewaterlichaam, geconstateerd dat met dit nieuwe oppervlaktewaterlichaam met een diepte van 50 tot 70 centimeter voldoende compensatie plaatsvindt. Het dagelijks bestuur heeft kennelijk wel een beeld bij de diepte die het compenserende oppervlaktewaterlichaam moet hebben. Door geen vergunningvoorschrift over de diepte aan de vergunning te verbinden, wordt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewaarborgd dat volledige compensatie plaatsvindt. Deze beroepsgrond slaagt. 5.4. Het dagelijks bestuur kan dit gebrek oplossen door alsnog een voorschrift over de diepe van het compenserende oppervlaktewaterlichaam aan de vergunning te verbinden. Mogelijk kan het dagelijks bestuur daarbij als uitgangspunt nemen dat een diepte van 50 tot 70 centimeter kennelijk als voldoende wordt gezien, of de diepte van het resterende deel van de sloot hierbij in ogenschouw nemen. Nu voor de rechtbank onvoldoende duidelijk is wat volgens het dagelijks bestuur de precieze diepte zou moeten zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door zelf een vergunningvoorschrift over de diepte aan de vergunning te verbinden. Plaatselijke omstandigheden 6. Eiser stelt verder dat het dagelijks bestuur had moeten kijken naar de geschiedenis en functie van deze sloot, de ligging van de percelen ten opzichte van het Meppelerdiep en overige veranderingen in de buurt die van invloed zijn op de waterafvoer. Eiser stelt dat compensatie met 44 m2 geen recht doet aan de situatie in het verleden en verwijst hiervoor naar een luchtfoto uit 1980. Hij wijst op artikel 11.3.1, vierde lid van de Beleidsregels waarin staat dat de compensatie minimaal gelijk dient te zijn aan het gedempte oppervlak. Verder staat in artikel 11.3.1, zesde lid dat geen negatieve effecten voor de omgeving mogen optreden. 6.1. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat de huidige vergunning zorgt voor volledig hydrologisch herstel van de situatie voorafgaand aan de demping. De situatie van 1980 is daarbij niet leidend. 7. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft gewezen op een luchtfoto uit 1980 en mede aan de hand daarvan gesteld dat er van alles veranderd is in de omgeving. Ook heeft hij een aantal omstandigheden genoemd die volgens hem bijzonder zijn voor de situatie ter plaatse, zoals de lage ligging van zijn perceel. Hij heeft gesteld dat met deze omstandigheden rekening moest worden gehouden, maar heeft naar het oordeel van de rechtbank niet concreet gemaakt waartoe dat zou moeten leiden in deze procedure. Eiser heeft niet onderbouwd waarom de door hem genoemde omstandigheden - die verder strekken dan de gedempte sloot - zouden moeten leiden tot meer of andere compensatie. De rechtbank wijst er op dat het niet nodig is dat de compensatiemaatregelen een oplossing meten bieden voor alle door eiser ondervonden waterproblemen. De compensatie is bedoeld om de gevolgen van de demping zo veel mogelijk ongedaan te maken. Niet minder maar ook niet meer. De door eiser genoemde omstandigheden zijn een gegeven. Zij zijn bij het dagelijks bestuur bekend en het dagelijks bestuur heeft daarmee rekening gehouden. Het dagelijks bestuur heeft zich echter toegespitst op de actuele situatie en de voorliggende aanvraag op de demping. De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur in de door eiser genoemde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien voor een andere beoordeling over de te nemen compensatiemaatregelen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Rechtszekerheidsbeginsel Afzonderlijk besluit 8. Eiser stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Daartoe stelt hij ten eerste dat in het bestreden besluit alleen staat dat compenserende maatregelen in de vergunning worden opgenomen, maar een gewijzigde vergunning waarin de compenserende maatregelen als voorschrift aan de vergunning worden verbonden ontbreekt. 8.1. De rechtbank overweegt dat het dagelijks bestuur op 8 april 2025 tevens een besluit tot wijziging van de vergunning heeft genomen waarmee voorschriften over de compensatie aan de vergunning zijn verbonden. Dit besluit is echter niet gevoegd bij het besluit op bezwaar aan eiser is gericht, wat wel had gemoeten nu dit onderdeel is van het besluit op bezwaar. Eiser had op het moment van instellen van beroep daarom geen kennis van de gewijzigde vergunning. Eiser heeft de gewijzigde omgevingsvergunning echter met het toezenden van de stukken in de beroepszaak alsnog van het dagelijks bestuur ontvangen en daar kennis van kunnen nemen. Nu de compenserende maatregelen wel zijn opgenomen in de vergunningvoorschriften, levert dit geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel op. Kaartje met locatie compenserende maatregelen 9. Eiser stelt verder dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel omdat in de vergunning een kaartje had moeten worden opgenomen waaruit blijkt waar de compensatie dient plaats te vinden. 9.1. De rechtbank overweegt als volgt. In voorschrift 1.3 van de gewijzigde vergunning is opgenomen: “Het gedempte oppervlak moet in hetzelfde bovenstroomse gedeelte van het oppervlaktewaterlichaam worden gecompenseerd en ermee in (directe open) verbinding liggen.” Uit dit voorschrift blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat de compensatie moet plaatsvinden ‘in hetzelfde bovenstroomse gedeelte’ van het oppervlaktewaterlichaam en dat er een open verbinding met het oppervlaktewaterlichaam moet zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser bovendien erkend dat de omschrijving voldoende duidelijk is. De omschrijving van de locatie van de compensatie is daarom niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond omdat het college geen voorschrift over de diepte van de compenserende oppervlaktewaterlichaam aan de vergunning heeft verbonden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, zoals de rechtbank heeft toegelicht onder 5.4. 10.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het dagelijks bestuur hiervoor zes weken. 10.2. Omdat het beroep gegrond is moet het dagelijks bestuur het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het dagelijks bestuur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit op bezwaar en de gewijzigde vergunning van 8 april 2025; - draagt het dagelijks bestuur op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het dagelijks bestuur het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Invoeringswet Omgevingswet Artikel 4.3 Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt, b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. Waterwet Artikel 2.1 1. De toepassing van deze wet is gericht op: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c .vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. 2. De toepassing van deze wet is mede gericht op andere doelstellingen dan genoemd in het eerste lid, voor zover dat elders in deze wet is bepaald. Keur Waterschap Drents Overijsselse Delta Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze keur en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: (…) - oppervlaktewaterlichaam samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna; (…) - waterstaatswerk : oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk; Artikel 3.1 Watervergunning waterstaatswerken en beschermingszones 1. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, te vervoeren of te laten liggen. (…) Algemene regels bij de Keur Waterschap Drents Overijsselse Delta Artikel 10.1 Criteria voor dempen Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het dempen van een oppervlaktewaterlichaam voor zover: 11. het oppervlaktewaterlichaam is gelegen in een met blauw aangegeven gebied op de bij deze algemene regel behorende kaart en de bodem daarvan niet dieper dan 40 cm onder het maaiveld ligt of 11. het oppervlaktewaterlichaam is gelegen in een met groen aangegeven gebied op de bij deze algemene regel behorende kaart; 11. het geen primair of secundair oppervlaktewaterlichaam betreft; 11. het dempen niet plaatsvindt in een waterkering of deel A van de beschermingszone van een waterkering; 11. door het dempen een ander oppervlaktewaterlichaam niet wordt afgesloten van het watersysteem. Beleidsregels bij de Keur Waterschap Drents Overijsselse Delta Artikel 11.3.1. Dempen 1. De aanvrager geeft bij de aanvraag om watervergunning aan op welke manier en op welke plek de vermindering van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd. 2. Compensatie kan worden gerealiseerd door: het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam; het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam. 3. De compensatie vindt plaats voorafgaande aan het dempen. 4. Compenserende waterberging wordt aangelegd binnen hetzelfde peilgebied als waarbinnen wordt gedempt. Het te graven oppervlak is, uitgedrukt in m², minimaal gelijk aan het te dempen oppervlak. In uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van de regel dat moet worden gecompenseerd in hetzelfde peilgebied. Er geldt dan de volgende prioriteitsvolgorde voor gewenste compensatie: Compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil); Compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); Compenseren in hetzelfde bemalingsgebied. 5. Zo nodig wordt in de vergunning een voorschrift opgenomen over de te realiseren hoeveelheid berging. 6. Er treden geen negatieve effecten op voor de omgeving. 7. Er treedt geen ongewenste maaivelddaling op. 8. De afwatering verslechtert niet. 9. Er worden geen waterlichamen gedempt die een ecologische doelstelling hebben (KRW-waterlichamen, waardevolle kleine wateren, wateren in Natura-2000 gebied) of gelegen zijn in een EHS-gebied en waarbij het dempen een negatief effect heeft op de kenmerkende flora en fauna van dat gebied.