Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-31
ECLI:NL:RBNNE:2026:3162
Natuurbeschermingsrecht. Gebiedsbescherming. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van de minister van 22 november 2022 blijft in stand. De minister is verplicht om alle beschermde habitattypen en soorten aan te wijzen en kan dat ook nog doen met een correctie na de oorspronkelijke aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. De minister heeft op basis van de habitattypenkaarten en een deskundigenonderzoek voldoende aannemelijk gemaakt dat de typen en soorten op het moment van het aanwijzen aanwezig waren. Wel hadden de habitattypenkaarten eerder al, bij het ontwerpbesluit, ter inzage moeten worden gelegd. Dit gebrek wordt gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld. Ook beroepen tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit "Drents-Friese Wold & Leggelderveld". Beroepen deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond. Deugdelijke motivering voor wat betreft het gewijzigde aanwijzingsbesluit. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht locatie Groningen zaaknummers: LEE 23/905 e.v. uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 31 juli 2026 in de zaak tussen [eisers], uit [plaats], eisers, (gemachtigde: mr. P.J.M. de Goede). en de minister voor Natuur en Stikstof (nu: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), de minister, (gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, derde-belanghebbende, (gemachtigde: mr. V. Wösten). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de wijziging van het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” voor wat betreft de begrenzing daarvan van de minister van 18 november 2022 (het gewijzigde aanwijzingsbesluit). Verder beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden van de minister van 22 november 2022 (het wijzigingsbesluit). 1.1. Bij het gewijzigde aanwijzingsbesluit heeft de minister de begrenzing van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” en het daarbinnen gelegen Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied op een aantal onderdelen aangepast. 1.2. Bij het wijzigingsbesluit heeft de minister ter uitvoering van de Habitatrichtlijn (Hrl) de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd. 1.3. Tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit hebben eisers beroep ingesteld. 1.4. De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank, na overleg met de andere rechtbanken, om proceseconomische gronden gevraagd de zaken die betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die in dit arrondissement liggen, te behandelen, omdat hier de beroepen zijn ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 7 april 2023 aan partijen medegedeeld. 1.5. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.6. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld op de regiezitting van 5 december 2025. Namens eisers zijn [namen] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-belanghebbende is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. 1.7. De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de zitting van 31 maart 2026. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-belanghebbende is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het gewijzigde aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit aan de hand van de gronden die eisers hebben aangevoerd. 3. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen van eisers deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Feiten 4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 4.1. De minister heeft een ontwerpbesluit tot wijziging van de instandhoudingsdoelstellingen van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland genomen. De minister heeft dit ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Verder heeft de minister dit ontwerpbesluit gedurende de periode van 9 maart tot en met 19 april 2018 ter inzage gelegd. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode een zienswijze bij de minister in te dienen. 4.2. De minister heeft een ontwerpbesluit tot het wijzigen van het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” genomen. De minister heeft dit ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Verder heeft de minister dit ontwerpbesluit gedurende de periode van 9 oktober tot en met 19 november 2019 ter inzage gelegd. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode een zienswijze bij de minister in te dienen. 4.3. Bij het gewijzigde aanwijzingsbesluit heeft de minister de begrenzing van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” aangepast. 4.4. Bij het wijzigingsbesluit heeft de minister ter uitvoering van de Hrl de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd. Juridisch kader 5. Uit de Hrl volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats te behouden of herstellen. 5.1. Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel staat dat de minister van LNV ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Habitatrichtlijngebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister van LNV bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen. Overgangsrecht 6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. 6.1. Het gewijzigde aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. De ontwerpbesluiten zijn op 9 maart 2018 (het wijzigingsbesluit) respectievelijk op 9 oktober 2019 (het gewijzigde aanwijzingsbesluit) ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Het geschil 7. Tussen partijen is in geschil of de minister met het gewijzigde aanwijzingsbesluit de begrenzing van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” heeft kunnen aanpassen. Verder is tussen partijen in geschil of de minister de aanwijzingsbesluiten van verschillende Natura 2000-gebieden in Nederland heeft kunnen wijzigen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. 7.1. De rechtbank beoordeelt eerst de formele gronden ten aanzien van het gewijzigde aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit. Daarna volgt een inhoudelijke beoordeling van de gronden ten aanzien van het wijzigingsbesluit. Tot slot volgt een inhoudelijke beoordeling van de grond ten aanzien van het gewijzigde aanwijzingsbesluit. Administratieve omissie 8. De rechtbank stelt vast dat de inschrijving van het beroep met de aanduiding “Pluimveehouderij” onder het procedurenummer LEE 23/5156 op een administratieve omissie berust. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting aangegeven dat hij niet bekend is met het beroep onder het procedurenummer LEE 23/5156 van “Pluimveehouderij” en dat hij in het overzicht ook geen beroep van een bepaalde pluimveehouderij mist. De rechtbank zal dit beroep met het procedurenummer LEE 23/5156 dan ook niet inhoudelijk beoordelen. Is de rechtbank bevoegd om op de beroepen van eisers te beslissen? 9. Derde-belanghebbende betoogt dat alleen de rechtbank Gelderland bevoegd is om over het beroep over het wijzigingsbesluit te oordelen. Derde-belanghebbende voert aan dat de verdeling van de beroepen over de verschillende rechtbanken niet verenigbaar is met artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 9.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om zich onbevoegd te verklaren. Zij licht dat hierna verder toe. 9.2. Het bestreden besluit is genomen door de minister. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Awb is dan de rechtbank bevoegd binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de Awb worden, indien tegen hetzelfde besluit bij meer dan één bevoegde rechtbank beroep is ingesteld, de zaken verder behandeld door de bevoegde rechtbank waarbij als eerste beroep is ingesteld. 9.3. Tegen het wijzigingsbesluit zijn meer dan 700 beroepen bij verschillende rechtbanken ingesteld. In dit geval is als eerste beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank Gelderland is daarom bevoegd om deze beroepen te behandelen. De rechtbank Gelderland heeft aan andere rechtbanken gevraagd om de behandeling van bepaalde beroepen over te nemen. Het gaat dan om beroepen die gericht zijn tegen de wijziging van de aanwijzing van Habitatrichtlijngebieden die liggen in het arrondissement van die andere rechtbank. Deze rechtbank heeft daarmee ingestemd. 9.4. De gemachtigde van eisers heeft een groot aantal beroepen aanhangig gemaakt voor zeer veel partijen. De beroepen richten zich zowel tegen het wijzigingsbesluit als tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit. De beroepen van eisers over het wijzigingsbesluit gaan onder meer over de wijziging van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden “Waddenzee”, “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving”, “Alde Feanen”, “Drents-Friese Wold & Leggelderveld”, “Van Oordts Mersken”, “Wijnjeterper Schar”, “Bakkeveense Duinen”, “Holtingerveld”, “Dwingelderveld”, “Mantingerzand” en “Brandemeer en Rottige Meenthe”. Die Natura 2000-gebieden liggen in het arrondissement Noord-Nederland. De rechtbank ziet, gelet op de gemaakte proceseconomische afspraken en met het oog op een effectieve geschilbeslechting, geen aanleiding om zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank Gelderland. De rechtbank heeft vastgesteld dat een deel van de beroep(sgrond)en betrekking hebben op gebieden buiten het arrondissement. Gelet op het feit dat het gaat om één en het zelfde beroepschrift door dezelfde gemachtigde voor alle gebieden, ziet de rechtbank vanuit de gemaakte afspraken en gelet op de proceseconomie ook geen aanleiding zich voor die zaken onbevoegd te verklaren. Zijn eisers belanghebbenden bij het gewijzigde aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit? 10. De rechtbank moet zelf beoordelen of eisers belanghebbenden zijn bij het gewijzigde aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit. In beginsel kunnen alleen belanghebbenden beroep instellen bij de bestuursrechter. 10.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, wordt onder meer gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op en ruimtelijke uitstraling van het Habitatrichtlijngebied dat in het wijzigingsbesluit is betrokken. Bij de factor afstand gaat het dan om de afstand tot de grens van het Habitatrichtlijngebied, waarvan de wijziging wordt bestreden. 10.2. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in een uitspraak van 4 december 2024 al een oordeel heeft gegeven wie belanghebbende kunnen zijn bij het wijzigingsbesluit. Eisers zijn (agrarische) ondernemers die stikstofveroorzakende bedrijfsmatige activiteiten uitvoeren buiten een Habitatrichtlijngebied. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij werkzaam zijn binnen 25 kilometer van een Natura 2000-gebied waarvan een instandhoudingsdoelstelling voor stikstofgevoelige natuurwaarden is toegevoegd of gewijzigd. De Afdeling heeft geoordeeld dat voor deze categorie eisers geldt dat zij dan belanghebbenden zijn bij de Habitatrichtlijngebieden waarvan zij de wijziging van het aanwijzingsbesluit bestrijden. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover voor eisers anders te oordelen. De rechtbank merkt hen daarom aan als belanghebbenden bij het wijzigingsbesluit. 10.3. De rechtbank is van oordeel dat eisers in de zaken met de procedurenummers LEE 23/4548, 23/4718, 23/4734, 23/4962, 23/4965, 23/4972, 23/5040, 23/5044, 23/5049, 23/5065, 23/5067, 23/5070, 23/5071, 23/5121, 23/5122, 23/5123, 23/5129, 23/5141, 23/5149 en 23/5153 als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt bij het gewijzigde aanwijzingsbesluit. De rechtbank stelt vast dat alle eisers in de hiervoor genoemde zaken opkomen voor de belangen van een bedrijf binnen vijfentwintig kilometer van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” waarover het gewijzigde aanwijzingsbesluit gaat. Dit houdt in dat zij allen gevolgen kunnen ondervinden van het gewijzigde aanwijzingsbesluit. De rechtbank neemt daarom aan dat het gewijzigde aanwijzingsbesluit gevolgen van enige betekenis heeft voor (de bedrijfsvoering van) eisers in de zaken met de hiervoor genoemde procedurenummers. 10.4. De rechtbank is van oordeel dat eisers in de zaken met de procedurenummers LEE 23/905, 23/4020, 23/4021, 23/4027, 23/4030, 23/4033, 23/4040, 23/4041, 23/4042, 23/4043, 23/4044, 23/4045, 23/4047, 23/4049, 23/4050, 23/4061, 23/4062, 23/4067, 23/4068, 23/4069, 23/4073, 23/4082, 23/4086, 23/4095, 23/4098, 23/4099, 23/4100, 23/4103, 23/4109, 23/4111, 23/4112, 23/4113, 23/4118, 23/4119, 23/4120, 23/4123, 23/4144, 23/4150, 23/4157, 23/4162, 23/4164, 23/4165, 23/4482, 23/4491, 23/4492, 23/4499, 23/4505, 23/4507, 23/4508, 23/4531, 23/4533, 23/4536, 23/4541, 23/4545, 23/4547, 23/4560, 23/4573, 23/4575, 23/4580, 23/4585, 23/4587, 23/4589, 23/4592, 23/4596, 23/4599, 23/4731, 23/4975, 23/4979, 23/5026, 23/5037, 23/5053, 23/5056, 23/5060, 23/5062, 23/5075, 23/5120, 23/5127 en 26/888 geen belanghebbenden zijn, omdat niet is gebleken dat zij feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervinden van het gewijzigde aanwijzingsbesluit. Anders dan de andere eisers hebben deze eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij een bedrijf exploiteren binnen vijfentwintig kilometer van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” waarvan de begrenzing wijzigt. De beroepen van deze eisers, voor zover gericht tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” zijn daarom niet-ontvankelijk en worden dus niet inhoudelijk beoordeeld. Tussenconclusie 11. Uit overweging 10.4. volgt dat de beroepen van eisers in de zaken met de procedurenummers LEE 23/905, 23/4020, 23/4021, 23/4027, 23/4030, 23/4033, 23/4040, 23/4041, 23/4042, 23/4043, 23/4044, 23/4045, 23/4047, 23/4049, 23/4050, 23/4061, 23/4062, 23/4067, 23/4068, 23/4069, 23/4073, 23/4082, 23/4086, 23/4095, 23/4098, 23/4099, 23/4100, 23/4103, 23/4109, 23/4111, 23/4112, 23/4113, 23/4118, 23/4119, 23/4120, 23/4123, 23/4144, 23/4150, 23/4157, 23/4162, 23/4164, 23/4165, 23/4482, 23/4491, 23/4492, 23/4499, 23/4505, 23/4507, 23/4508, 23/4531, 23/4533, 23/4536, 23/4541, 23/4545, 23/4547, 23/4560, 23/4573, 23/4575, 23/4580, 23/4585, 23/4587, 23/4589, 23/4592, 23/4596, 23/4599, 23/4731, 23/4975, 23/4979, 23/5026, 23/5037, 23/5053, 23/5056, 23/5060, 23/5062, 23/5075, 23/5120, 23/5127 en 26/888 niet-ontvankelijk zijn, voor zover die gericht zijn tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit. Verder volgt uit overweging 10.3. dat de beroepen van eisers in de zaken met de procedurenummers LEE 23/4548, 23/4718, 23/4734, 23/4962, 23/4965, 23/4972, 23/5040, 23/5044, 23/5049, 23/5065, 23/5067, 23/5070, 23/5071, 23/5121, 23/5122, 23/5123, 23/5129, 23/5141, 23/5149 en 23/5153 ontvankelijk zijn, voor zover die gericht zijn tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit, en inhoudelijk kunnen worden beoordeeld. 11.1. Waar hierna in deze uitspraak over ‘eisers’ wordt gesproken met betrekking tot het gewijzigde aanwijzingsbesluit, bedoelt de rechtbank alleen de eisers in de zaken met de procedurenummers LEE 23/4548, 23/4718, 23/4734, 23/4962, 23/4965, 23/4972, 23/5040, 23/5044, 23/5049, 23/5065, 23/5067, 23/5070, 23/5071, 23/5121, 23/5122, 23/5123, 23/5129, 23/5141, 23/5149 en 23/5153. Procesbelang 12. Derde-belanghebbende betoogt dat eisers geen procesbelang hebben omdat zij alleen maar willen bereiken dat zij geen beperkingen ondervinden van natuurbeschermingsmaatregelen. Dat doel kan volgens derde-belanghebbende niet worden bereikt met vernietiging van het gewijzigde aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit. 12.1. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. 12.2. De rechtbank is van oordeel dat niet is uitgesloten dat het gewijzigde aanwijzingsbesluit en wijzigingsbesluit, in het bijzonder ook door de instandhoudingsdoelstellingen die horen bij alsnog opgenomen habitattypen, gevolgen kan hebben voor (de bedrijfsvoering van) deze eisers. Het betoog van de derde-belanghebbende dat eisers juist gebaat zijn bij natuurbeschermingsmaatregelen en dat het motief van eisers slechts is dat zij geen beperkingen willen ondervinden, maakt dat niet anders. Dit maakt namelijk niet dat ieder belang bij de procedure ontbreekt. Om die reden is er sprake van een actueel procesbelang aan de zijde van eisers. Relativiteitsvereiste 13. Voor zover derde-belanghebbende betoogt dat in dit geval het relativiteitsvereiste aan eisers dient te worden tegengeworpen, volgt de rechtbank dat niet. Eisers komen met hun beroep op voor hun belang gevrijwaard te blijven van de gevolgen voor hun bedrijfsvoering door de onnodige bescherming van habitattypen en soorten. Daarmee beroepen zij zich op schending van artikel 2.1, eerste, vierde en zevende lid, van de Wnb. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat deze artikelen mede strekken ter bescherming van het belang waar eisers zich op beroepen. Het relativiteitsvereiste staat daarom niet in de weg aan vernietiging van onderdelen van het gewijzigde aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit waar de beroepen van eisers zich tegen richten. Het wijzigingsbesluit Niet ter inzage leggen van de habitattypenkaarten met het ontwerpbesluit 14. Eisers betogen dat het wijzigingsbesluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen omdat het is gebaseerd op stukken die niet inzichtelijk zijn voor derden. Eisers voeren aan dat onder het kopje ‘Onderbouwing van de wijzigingen’ in de inleiding van de toelichting van het wijzigingsbesluit wordt toegelicht welke bronnen (kennelijk) hebben geleid tot het toevoegen en/of verwijderen van habitattypen en/of soorten in een bepaald Natura 2000-gebied. Voor habitattypen wordt verwezen naar de ‘habitattypenkaarten’ die zijn opgesteld door de provincies, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Defensie. Voor soorten wordt verwezen naar het rapport “Het voorkomen van Habitatrichtlijnsoorten in Habitatrichtlijngebieden” (rapport van de Vlinderstichting). Volgens eisers zijn de habitattypenkaarten echter niet als bijlage bijgevoegd of anderszins inzichtelijk gemaakt. Daar komt bij dat de minister van de habitattypenkaarten ook geen concrete digitale vindplaats vermeld. Omdat die habitattypenkaarten de motivering zijn van het toevoegen van bij de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten ‘vergeten’ habitattypen, zijn eisers van mening dat het wijzigingsbesluit op dit onderdeel dus géén (kenbare) motivering bevat. Daardoor kunnen eisers niet nagaan en beoordelen wat de situatie ten tijde van de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten is geweest, en zij kunnen dus ook niet nagaan en beoordelen of nu toegevoegde habitattypen destijds inderdaad zijn ‘vergeten’. Ook kunnen eisers door een gebrek aan inzicht in de gebruikte habitattypenkaarten niet nagaan in welk deel van een betrokken Natura 2000-gebieden bepaalde toegevoegde ‘vergeten’ habitattypen (zouden) zijn gevestigd. 14.1. De minister stelt zich op het standpunt dat in het wijzigingsbesluit is vermeld wat de gebruikte bronnen zijn, zoals met name de habitatkaarten. Die kaarten zijn van de provincies, Rijkswaterstaat en Defensie. Omdat de minister weliswaar gebruik heeft gemaakt van de kaarten maar zelf geen bronhouder is, is ervoor gekozen om niet zelfstandig alle kaarten bij de terinzagelegging op internet te publiceren. In plaats daarvan is bij de bekendmaking (in advertenties in alle regionale bladen) gewezen op de mogelijkheid tot het opvragen van (achtergrond)documenten bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daar is door meerdere personen inderdaad gebruik van gemaakt. De minister acht van belang dat uit de tekst van het (ontwerp)besluit voldoende blijkt voor welke habitattypen en soorten instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd aan het betrokken natuurgebied. Een verbeelding in de vorm van een habitattypekaart voegt hieraan volgens de minister niets toe en het documentatiemateriaal waarop de kaarten zijn gebaseerd evenmin. De minister voert aan dat het toevoegen van een instandhoudingsdoelstelling namelijk geldt voor het gehele gebied en niet voor een specifieke locatie. Het doet er in het kader van het wijzigingsbesluit dan ook niet toe waar het habitattype zich exact bevindt. Op basis van de motivering van het (ontwerp)besluit hadden eisers volgens de minister een zienswijze kunnen indienen of beroep kunnen instellen, en daarbij de relevante stukken op kunnen vragen. Zowel bij de terinzagelegging van het ontwerp als van het vaststellingsbesluit is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door diverse personen. Deze personen hebben de opgevraagde stukken ontvangen en gebruikt in de verdere procedure. Gelet daarop is de minister van mening dat alle voor de beoordeling van het (ontwerp)besluit noodzakelijke stukken ter inzage hebben gelegen. In het kader van de beroepsprocedures heeft de minister overigens alsnog afbeeldingen (in pdf-formaat) van de habitattypenkaarten gepubliceerd. 14.2. Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Dit artikel is een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht: een bestuursorgaan moet uit eigen beweging informatie verstrekken. Doel van de terinzagelegging is onder andere dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het ontwerp van het besluit. Zij kunnen dan de gegevens en de aannames waarop het besluit is gebaseerd, controleren en de keuzes in het besluit beoordelen en afwegen of zij daartegen willen opkomen. De aan het besluit ten grondslag liggende gegevens moeten daarom volledig, tijdig en uit eigen beweging op een passende wijze openbaar worden gemaakt. 14.3. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank stelt vast dat op een habitattypenkaart te zien is waar een bepaald habitattype voorkomt in een Natura 2000-gebied en in welke omvang. Habitattypenkaarten komen tot stand op basis van onderliggend documentatiemateriaal, zoals vegetatiekaarten die zijn vastgesteld door ecologisch deskundigen die hebben onderzocht welke habitattypen op de peildatum in een gebied voorkwamen. 14.4. Uit het wijzigingsbesluit volgt dat de in de aanwijzingsbesluiten aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de habitattypen zijn gebaseerd op de (gevalideerde) habitattypenkaarten. De minister stelt zich op het standpunt dat de habitattypenkaarten niet nodig waren om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen, maar de rechtbank volgt de minister daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat de kaarten gebruikt zijn voor de correcties op de aanwijzingsbesluiten en daarmee de basis vormen van het wijzigingsbesluit. Dat maakt ook dat de habitattypenkaarten redelijkerwijs nodig zijn om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen. Zonder deze habitatkaarten is het voor een belanghebbende moeilijk om te controleren en zo nodig te betwisten of een habitattype op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate in het Natura 2000-gebied aanwezig was. Dat voor de besluitvorming niet van belang is op welke exacte locaties de habitattypen voorkomen, maakt dit niet anders. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb door de habitattypenkaarten niet uit eigen beweging met het ontwerpbesluit ter inzage te leggen. 14.5. Voor het documentatiemateriaal waarop de habitattypenkaarten zijn gebaseerd, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit niet rechtstreeks aan het wijzigingsbesluit ten grondslag is gelegd. Dit brengt met zich dat het documentatiemateriaal niet valt aan te merken als stukken die op de zaak betrekking hebben. Dit betekent dat de minister dit documentatiemateriaal niet uit eigen beweging ter inzage heeft hoeven leggen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister dit documentatiemateriaal op verzoek heeft kunnen verstrekken en de grond in zoverre faalt. 14.6. Dat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen is een gebrek in de voorbereiding van het wijzigingsbesluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat eisers en/of andere belanghebbenden niet zijn benadeeld door het gebrek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister in beroep de habitattypenkaarten alsnog beschikbaar heeft gesteld op een openbare website. Eisers hebben daarna voldoende tijd gehad om de kaarten te bekijken en daarop te reageren. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat andere belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen. In het ontwerpbesluit staat immers dat wijzigingen worden onderbouwd met de habitattypenkaarten, waardoor een ieder op de hoogte kon zijn van het bestaan van deze kaarten en daarover een zienswijze had kunnen indienen. Is het aanwijzen van habitattypen noodzakelijk? 15. Eisers betogen dat de minister de omvang van de ‘aanwijsverplichting’ van artikel 6, eerste lid, van de Hrl heeft miskend, althans dat de minister die ‘aanwijsverplichting’ verkeerd heeft toegepast. Eisers voeren aan dat de te ruime uitleg van de aanwijsverplichting ertoe leidt dat met het wijzigingsbesluit habitattypen en soorten zijn toegevoegd, terwijl daartoe geen enkele noodzaak bestaat. Eisers vragen zich (ook) af waarom oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten zouden moeten worden gecorrigeerd (als zijnde bij de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten ‘vergeten’), terwijl de afwezigheid nadrukkelijk blijkt uit latere ecologische informatie. De gevolgen die daarvan (in dit geval) uitgaan voor alle betrokken partijen in heel Nederland treden dan dus op, zonder dat daarvoor welke noodzaak dan ook bestaat. Het is volgens eisers logisch dat habitattypen of soorten die in bijvoorbeeld 2009 of 2013 zijn ‘vergeten’ inmiddels niet meer aanwezig zijn, al vanwege het (grote) tijdsverloop maar ook vanwege het feit dat al die jaren (soms dus wel meer dan 10 jaren) geen beheersmaatregelen zijn getroffen voor die ‘vergeten’ habitattypen en soorten. Het voorkomen daarvan zal dus minimaal moeten blijken, maar ook informatie die duidt op de afwezigheid van kennelijk ‘vergeten’ habitattypen en soorten moet betrokken worden bij de besluitvorming van de minister. Volgens eisers heeft de minister dat nagelaten. Eisers plaatsen om deze redenen grote vraagtekens bij de vraag hoe de minister heeft beoordeeld of zich de door hemzelf in de toelichting genoemde uitzondering voordoet, namelijk dat het wijzigingsbesluit nadrukkelijk niet ziet op habitattypen en soorten die pas ná publicatie van de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten in het gebied zijn ontstaan dan wel gevestigd. In die situatie zouden die habitattypen en soorten - naar eigen zeggen van de minister - immers niet nu worden toegevoegd als zijnde ‘vergeten’. 16. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen was de minister verplicht om alle in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de noodzaak daartoe ontbrak. Is er sprake van corrigeren of actualiseren? 17. Eisers betogen dat van een aantal nader te noemen soorten vast staat dat die zijn toegevoegd op basis van informatie en gegevens van ná de oorspronkelijke aanwijzingsdatum van het betrokken Natura 2000-gebied, althans dat die informatie en gegevens van ná die aanwijsdatum (kennelijk) doorslaggevend zijn geweest voor die toevoeging. Nu het doel van het aanwijzingsbesluit volgens de minister het corrigeren - en nadrukkelijk niet het actualiseren - van de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten is, zijn die habitatsoorten dus ten onrechte naar de mening van eisers bij wijze van ‘correctie’ alsnog toegevoegd aan de betrokken Natura 2000-gebieden. Als voorbeelden noemen eisers: het toevoegen van de habitatsoort bittervoorn (H1134) aan het Natura 2000-gebied “Dinkelland”; het toevoegen van de habitatssoort grote modderkruiper (H1145) aan het Natura 2000-gebied “Binnenveld”; het toevoegen van de habitatsoort kleine modderkruiper (H1149) aan het Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid”; het toevoegen van de habitatsoort kleine modderkruiper (H1149) aan het Natura 2000-gebied “Stabrechtse Heide & Beuven”; het toevoegen van de habitatsoort rivierdonderpad (H1163) aan het Natura 2000-gebied “Groote Wielen”; het toevoegen van de habitatsoort bever (H1337) aan het Natura 2000-gebied “Lingegebied & Diefdijk-Zuid”; het toevoegen van de habitatsoort grijze zeehond (H1364) aan het Natura 2000-gebied “Duinen Ameland”; het toevoegen van de habitatsoort groenknolorchis (H1903) aan het Natura 2000-gebied “Noordzeekustzone”. Omdat de minister niet heeft gemotiveerd waarom die soorten niettemin (op basis van meer recente informatie) alsnog zijn toegevoegd, is het wijzigingsbesluit onvoldoende gemotiveerd (en is dat in zoverre ook op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen). Eisers zijn van mening dat de minister zich niet zonder meer heeft mogen baseren op het rapport van de Vlinderstichting, waardoor het wijzigingsbesluit is genomen in strijd met artikel 3:9 van de Awb. 17.1. De minister stelt zich op het standpunt dat verplicht is om alle typen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen aan te wijzen en dat het niet verboden is om dat achteraf in aanvulling op de aanmelding bij de EC te doen op basis van actuele ecologische gegevens. 18. De rechtbank overweegt dat het wijzigingsbesluit uitdrukkelijk een correctie is. Dat wil zeggen dat nu alsnog habitattypen en soorten zijn toegevoegd die op het moment van het aanwijzen van de gebieden al wel aanwezig waren, maar nog niet waren aangewezen. De minister heeft toegelicht dat de wijziging is gebaseerd op waarnemingen die toen al wel waren gedaan, maar nog niet verwerkt in de kaarten, en op actuele(re) gegevens voor zover die iets zeggen over de situatie op het moment van de oorspronkelijke aanwijzing. Daarbij heeft de minister toegelicht dat deze wijziging geen gevolgen heeft voor eerder verleende vergunningen of bestaande rechten. 18.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanwezigheid van de habitattypen heeft onderbouwd aan de hand van de habitattypenkaarten en de aanwezigheid van de soorten aan de hand van een deskundigenrapport van de Vlinderstichting. De minister heeft daarbij toegelicht dat habitattypen en soorten alleen zijn toegevoegd als aan de hand van de waarnemingen kon worden geconcludeerd dat deze ook al ten tijde van het aanwijzingsbesluit aanwezig moeten zijn geweest. Dit kon soms worden vastgesteld aan de hand van waarnemingen ten tijde van dat aanwijzingsbesluit, maar ook door bijvoorbeeld de leeftijd te bepalen van aangetroffen bomen. 18.2. Met het rapport van de Vlinderstichting heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onderbouwd dat de door eisers genoemde soorten zich in de betreffende Natura 2000-gebieden hebben gevestigd en sindsdien regelmatig zijn waargenomen. Dat duidt op bestendig gebruik op het moment van de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten (de peildata). Eisers hebben dat niet gemotiveerd betwist. De enkele niet onderbouwde stelling dat het niet zou zijn toegestaan om soorten toe te voegen naar aanleiding van informatie en gegevens van na de oorspronkelijke aanwijzing is daarvoor onvoldoende. Ook de stelling van eisers dat bepaalde soorten niet in latere documenten (een kaart of gebiedsanalyses) zouden voorkomen, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister met het deskundigenrapport van de Vlinderstichting onvoldoende heeft onderbouwd dat de habitatsoorten op het moment van aanwijzen in de gebieden aanwezig waren. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister de aanwezigheid van bepaalde habitatsoorten ten tijde van het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit niet heeft mogen baseren op de bevindingen en de conclusies van het deskundigenrapport van de Vlinderstichting. Dat het niet goed mogelijk is om zelf onderzoek te doen naar de situatie op het moment van de aanwijzing is voorstelbaar, maar inherent aan de aard van het wijzigingsbesluit. Eisers zijn in ieder geval in beroep in de gelegenheid geweest om concreet te maken waarom zij het niet aannemelijk vinden dat bepaalde soorten destijds al aanwezig waren. Dit hebben zij nagelaten. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet. Belangenafweging 19. Eisers betogen dat het wijzigingsbesluit geen blijk geeft van een belangenafweging door de minister. Eisers voeren aan dat uit de motivering van het wijzigingsbesluit niet blijkt dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Naar de mening van eisers is het wijzigingsbesluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Verder voeren eisers aan dat het wijzigingsbesluit in strijd komt met het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Hrl. Daaruit volgt dat bij op grond van de Hrl genomen maatregelen rekening moet worden gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden. Nu van het betrekken van de in artikel 2, derde lid, van de Hrl genoemde belangen in het wijzigingsbesluit niets blijkt, is het wijzigingsbesluit in strijd daarmee genomen. Voor wat betreft de concrete gevolgen van het wijzigingsbesluit voor (onder andere) de bedrijfsvoering van eisers maakt de minister zich er volgens eisers gemakkelijk vanaf. Eisers wijzen erop dat de gevolgen daarvan voor de vergunningverlening groot zijn, zeker nu ook een veelheid aan habitattypen worden toegevoegd met een veelal (veel) lagere kritische depositiewaarde (KDW) dan de laagste KDW voorafgaand aan het toevoegen van al die habitattypen met het wijzigingsbesluit. Belangenafweging habitattypen en -soorten 20. Zoals hiervoor is overwogen, was de minister naar het oordeel van de rechtbank verplicht om alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er naar het oordeel van de rechtbank bij het toevoegen van habitattypen en soorten geen ruimte om rekening te houden met economische, sociale of culturele belangen. Deze grond van eisers slaagt niet. Belangenafweging bij het bepalen van instandhoudingsdoelstellingen 21. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij de wijze van het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen rekening mag worden gehouden met, onder andere, economische overwegingen. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet concreet hebben onderbouwd waarom in dit geval bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende rekening is gehouden met sociaal, economische en agrarische belangen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen heeft toegelicht dat hij wel rekening heeft gehouden met deze belangen, nu in de meeste gevallen is gekozen voor de laagst mogelijke doelstelling (‘behoud’) en niet voor de voor eisers ingrijpendere uitbreidings- of verbeterdoelstelling. 21.1. Voor zover eisers in dit verband wijzen op het gegeven dat voor meerdere toegevoegde habitattypen in de Natura 2000-gebieden een verbeterdoelstelling is opgenomen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de enkele keuze voor een verbeterdoelstelling onvoldoende is voor het oordeel dat de minister geen rekening heeft gehouden met de door eisers genoemde belangen. De rechtbank acht van belang dat uit het wijzigingsbesluit voor deze habitattypen volgt dat voor de verbeterdoelstelling is aangesloten bij de landelijke doelstelling. Verder heeft de minister toegelicht dat het wijzigingsbesluit in beginsel geen gevolgen heeft voor het bestaande legale gebruik in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden omdat dat gebruik mag worden voortgezet. Ook heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 , toegelicht dat hij niet op bedrijfsniveau inzichtelijk hoeft te maken welke gevolgen een (gewijzigde) aanwijzing heeft buiten het aangewezen gebied. Dat is door eisers niet gemotiveerd bestreden. Het betoog van eisers slaagt niet. Het gewijzigde aanwijzingsbesluit Wat houdt het gewijzigde aanwijzingsbesluit in? 22. Aan het gewijzigde aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” heeft de minister ten grondslag gelegd dat met het gewijzigde aanwijzingsbesluit een kaartblad 3 is toegevoegd van de wijziging van het Vogelrichtlijngebied ten opzichte van het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit “Drents-Friese Wold & Leggelderveld” van 27 december 2010. Daardoor wordt het Friese deel van deelgebied ‘Oude Willem’ aan het Vogelrichtlijngebied toegevoegd. Daarnaast worden de ondergronden en erven van twee gesloopte boerderijen ook toegevoegd aan het “Habitatrichtlijngebied Drents Friese Wold & Leggelderveld” waardoor het totale Natura 2000-gebied met twee hectare is toegenomen. Ornithologische criteria 22.1. Eisers betogen dat uit het gewijzigde aanwijzingsbesluit niet duidelijk wordt of, en zo ja, welke criteria van ornithologische aard ten grondslag hebben gelegen aan de wijzigingen van het Vogelrichtlijngebied. Eisers voeren aan dat uit de toelichting van het gewijzigde aanwijzingsbesluit blijkt dat de wijziging kennelijk het gevolg is van het zogeheten ‘LIFE-project’ en dat de maatregelen van dat project een bijdrage gaan leveren aan het Natura 2000-netwerk voor vogels. Daarmee is volgens eisers echter niet duidelijk welke criteria van ornithologische aard tot deze wijziging van de begrenzing hebben geleid. Naar de mening van eisers klemt dat, nu het gaat om een aanzienlijke uitbreiding van het Vogelrichtlijngebied met alle gevolgen van dien voor hen. Naar de mening van eisers is het gewijzigde aanwijzingsbesluit in strijd met het motiveringsbeginsel tot stand gekomen. 22.2. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij de aanwijzing een zekere beoordelingsruimte heeft bij de vaststelling van de exacte begrenzing van een Natura 2000-gebied. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat, gelet op artikel 4 van de Vogelrichtlijn, bij de selectie van gebieden die mogelijk in aanmerking komen voor aanwijzing op grond van de Vogelrichtlijn slechts ornithologische criteria mogen worden gehanteerd. 22.3. De rechtbank overweegt dat het Drents Friese Wold & Leggelderveld op 24 maart 2000 als Vogelrichtlijngebied is aangewezen en dat het gewijzigde aanwijzingsbesluit strekt tot een wijziging van die eerdere aanwijzing. Daarbij geldt dat de minister op basis van ornithologische criteria een motivering dient te geven voor wijzigingen in de begrenzing. Verder overweegt de rechtbank dat het feit dat er in dit geval sprake is van een wijziging van een eerdere aanwijzing betekent dat in beginsel slechts die wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit in geschil zijn. Het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit is immers rechtens onaantastbaar. 22.4. Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) volgt dat bij een aanwijzingsbesluit en gelet op artikel 4 van de Hrl voor een Habitatrichtlijngebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken mogen worden bij de begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Hrl. 22.5. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de door eisers aangevoerde beroepsgrond niet. Uit de door de minister gegeven toelichting leidt de rechtbank af dat de wijziging van de begrenzing, en daarmee de uitbreiding van het Natura 2000-gebied, nodig is voor het draagvlak van het gebied voor de aangewezen soorten. Onder die omstandigheden rust er een verplichting op de minister om de begrenzing te wijzigen. Eisers hebben dit niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het gewijzigde aanwijzingsbesluit op juiste gronden berust. Conclusie en gevolgen Gewijzigde aanwijzingsbesluit 23. Gelet op overweging 10.4. zijn de beroepen van eisers met de procedurenummers LEE 23/905, 23/4020, 23/4021, 23/4027, 23/4030, 23/4033, 23/4040, 23/4041, 23/4042, 23/4043, 23/4044, 23/4045, 23/4047, 23/4049, 23/4050, 23/4061, 23/4062, 23/4067, 23/4068, 23/4069, 23/4073, 23/4082, 23/4086, 23/4095, 23/4098, 23/4099, 23/4100, 23/4103, 23/4109, 23/4111, 23/4112, 23/4113, 23/4118, 23/4119, 23/4120, 23/4123, 23/4144, 23/4150, 23/4157, 23/4162, 23/4164, 23/4165, 23/4482, 23/4491, 23/4492, 23/4499, 23/4505, 23/4507, 23/4508, 23/4531, 23/4533, 23/4536, 23/4541, 23/4545, 23/4547, 23/4560, 23/4573, 23/4575, 23/4580, 23/4585, 23/4587, 23/4589, 23/4592, 23/4596, 23/4599, 23/4731, 23/4975, 23/4979, 23/5026, 23/5037, 23/5053, 23/5056, 23/5060, 23/5062, 23/5075, 23/5120, 23/5127 en 26/888 niet-ontvankelijk, voor zover die gericht zijn tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit. 23.1. Gelet op overweging 22.5. zijn de beroepen van eisers met de procedurenummers LEE 23/4548, 23/4718, 23/4734, 23/4962, 23/4965, 23/4972, 23/5040, 23/5044, 23/5049, 23/5065, 23/5067, 23/5070, 23/5071, 23/5121, 23/5122, 23/5123, 23/5129, 23/5141, 23/5149 en 23/5153 ongegrond, voor zover die gericht zijn tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit. Eisers krijgen dus geen gelijk en het gewijzigde aanwijzingsbesluit blijft in stand. Wijzigingsbesluit 24. De beroepen van eisers tegen het wijzigingsbesluit zijn ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk en het aanwijzingsbesluit blijft in stand. 24.1. Vanwege het in overweging 14.4. geconstateerde gebrek moet de minister wel het griffierecht en de proceskosten van eisers betalen. Het te vergoeden bij eisers in rekening gebracht griffierecht bedraagt in totaal € 187,- . De proceskosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten voor eisers gezamenlijk worden begroot op € 3.502,50 (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; verschijnen ter nadere zitting 0,5 punt; waarde per punt € 934,-; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft de rechtbank met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bbp onder C2 (vier zaken of meer) een wegingsfactor van 1,5 toegekend. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen van eisers met de procedurenummers LEE 23/905, 23/4020, 23/4021, 23/4027, 23/4030, 23/4033, 23/4040, 23/4041, 23/4042, 23/4043, 23/4044, 23/4045, 23/4047, 23/4049, 23/4050, 23/4061, 23/4062, 23/4067, 23/4068, 23/4069, 23/4073, 23/4082, 23/4086, 23/4095, 23/4098, 23/4099, 23/4100, 23/4103, 23/4109, 23/4111, 23/4112, 23/4113, 23/4118, 23/4119, 23/4120, 23/4123, 23/4144, 23/4150, 23/4157, 23/4162, 23/4164, 23/4165, 23/4482, 23/4491, 23/4492, 23/4499, 23/4505, 23/4507, 23/4508, 23/4531, 23/4533, 23/4536, 23/4541, 23/4545, 23/4547, 23/4560, 23/4573, 23/4575, 23/4580, 23/4585, 23/4587, 23/4589, 23/4592, 23/4596, 23/4599, 23/4731, 23/4975, 23/4979, 23/5026, 23/5037, 23/5053, 23/5056, 23/5060, 23/5062, 23/5075, 23/5120, 23/5127 en 26/888 niet-ontvankelijk, voor zover die gericht zijn tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit; verklaart de beroepen van eisers met de procedurenummers LEE 23/4548, 23/4718, 23/4734, 23/4962, 23/4965, 23/4972, 23/5040, 23/5044, 23/5049, 23/5065, 23/5067, 23/5070, 23/5071, 23/5121, 23/5122, 23/5123, 23/5129, 23/5141, 23/5149 en 23/5153 ongegrond, voor zover die gericht zijn tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit; verklaart de beroepen van eisers ongegrond, voor zover die gericht zijn tegen het wijzigingsbesluit; veroordeelt de minister tot betaling van € 3.502,50 aan proceskosten aan eisers gezamenlijk; bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzitter, mr. S. Ketelaars-Mast en mr. E. Hardenberg, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026. griffier voorzitter Afschrift verzonden op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Habitatrichtlijn Artikel 1 (…), e. Onder staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt verstaan: de som van invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied. De “staat van instandhouding” wordt als gunstig beschouwd wanneer: - het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en - de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en - de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i. (…), i. De staat van instandhouding van een soort wordt als “gunstig beschouwd” wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. (…). Artikel 2 1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is. 2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantesoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. 3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden. Artikel 3 1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen . Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79 /409 /EEG aangewezen speciale beschermingszones. 2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan. Artikel 4 1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurljike verspreidingsgebied van die soorten , die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn . Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht. De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier. (…), 4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging Artikel 6 1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen. Wet natuurbescherming Artikel 1.5 1. Onze Minister stelt een nationale natuurvisie vast. 2. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het te voeren rijksbeleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de bescherming van waardevolle landschappen, in nationaal en internationaal verband, en het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, de educatieve en de belevingswaarde van natuur en landschap, in samenhang met het beleid om te komen tot een verduurzaming van de economie. (…) 5. De nationale natuurvisie bevat voor zover mogelijk een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten en verschaft in samenhang daarmee en in samenhang met de staat van instandhouding van deze habitats en soorten inzicht in voorgenomen wijzigingen van de besluiten tot aanwijzing van die Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. Artikel 1.8 1. Onze Minister ziet toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in onderscheidenlijk de bijlagen I, II, IV en V bij de Habitatrichtlijn, en van de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten. Artikel 2.1 1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als “Natura 2000-gebied”. 2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister. 3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven. 4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. 5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid. 7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven. Bijlage eisers en zaaknummers Procedurenummer Eiser/Eiseres Woon-/vestigingsplaats LEE 23/905 [namen] [plaats]) LEE 23/4020 [namen] [plaats]) LEE 23/4021 [namen] [plaats]) LEE 23/4027 [namen] [plaats] LEE 23/4030 [namen] [plaats] LEE 23/4033 [namen] [plaats] LEE 23/4040 [namen] [plaats] LEE 23/4041 [namen] [plaats] LEE 23/4042 [namen] [plaats] LEE 23/4043 [namen] [plaats] LEE 23/4044 [namen] [plaats] LEE 23/4045 [namen] [plaats] LEE 23/4047 [namen] [plaats] LEE 23/4049 [namen] [plaats] LEE 23/4050 [namen] [plaats] LEE 23/4061 [namen] [plaats] LEE 23/4062 [namen] [plaats] LEE 23/4067 [namen] ‘[plaats] LEE 23/4068 [namen] ‘s-[plaats] LEE 23/4069 [namen] [plaats] LEE 23/4073 [namen] [plaats] LEE 23/4082 [namen] [plaats] LEE 23/4086 [namen] [plaats] LEE 23/4095 [namen] [plaats] LEE 23/4098 [namen] [plaats] LEE 23/4099 [namen] [plaats] LEE 23/4100 [namen] [plaats] LEE 23/4103 [namen] [plaats] LEE 23/4109 [namen] [plaats] LEE 23/4111 [namen] [plaats] LEE 23/4112 [namen] [plaats] LEE 23/4113 [namen] [plaats] LEE 23/4118 [namen] [plaats] LEE 23/4119 [namen] [plaats] LEE 23/4120 [namen] [plaats] LEE 23/4123 [namen] [plaats] LEE 23/4124 [namen] [plaats] LEE 23/4132 [namen] [plaats] LEE 23/4134 [namen] [plaats] LEE 23/4139 [namen] [plaats] LEE 23/4143 [namen] [plaats] LEE 23/4144 [namen] [plaats] LEE 23/4150 [namen] [plaats] LEE 23/4157 [namen] [plaats] LEE 23/4162 [namen] [plaats] LEE 23/4164 [namen] [plaats] LEE 23/4165 en 23/4482 [namen] [plaats] LEE 23/4491 [namen] [plaats] LEE 23/4492 [namen] [plaats] LEE 23/4499 [namen] [plaats] LEE 23/4505 [namen] [plaats] LEE 23/4507 [namen] [plaats] LEE 23/4508 [namen] [plaats] LEE 23/4531 [namen] [plaats] LEE 23/4533 [namen] [plaats] LEE 23/4536 [namen] [plaats] LEE 23/4541 [namen] [plaats] LEE 23/4545 [namen] [plaats] LEE 23/4547 [namen] [plaats] LEE 23/4548 [namen] [plaats]) LEE 23/4560 [namen] [plaats] LEE 23/4573 [namen] [plaats] LEE 23/4575 [namen] [plaats] LEE 23/4580 [namen] [plaats] LEE 23/4585 [namen] [plaats] LEE 23/4587 [namen] [plaats] LEE 23/4589 [namen] [plaats] LEE 23/4592 [namen] [plaats] LEE 23/4596 [namen] [plaats] LEE 23/4599 [namen] [plaats] LEE 23/4718 [namen] [plaats] LEE 23/4731 [namen] [plaats] LEE 23/4734 [namen] [plaats] LEE 23/4962 [namen] [plaats] LEE 23/4965 [namen] [plaats] LEE 23/4972 [namen] [plaats] LEE 23/4975 [namen] [plaats] LEE 23/4979 [namen] [plaats] LEE 23/5026 [namen] [plaats] LEE 23/5037 [namen] [plaats] LEE 23/5040 [namen] [plaats] LEE 23/5044 [namen] [plaats] LEE 23/5049 [namen] [plaats] LEE 23/5053 [namen] [plaats] LEE 23/5056 [namen] [plaats] LEE 23/5060 [namen] [plaats] LEE 23/5062 [namen] [plaats] LEE 23/5065 [namen] [plaats] LEE 23/5067 [namen] [plaats] LEE 23/5070 [namen] [plaats] LEE 23/5071 [namen] [plaats] LEE 23/5075 [namen] [plaats] LEE 23/5120 [namen] [plaats] LEE 23/5121 [namen] [plaats] LEE 23/5122 [namen] [plaats] LEE 23/5123 [namen] [plaats] LEE 23/5127 [namen] [plaats] LEE 23/5129 [namen] [plaats] LEE 23/5141 [namen] [plaats] LEE 23/5149 [namen] [plaats] LEE 23/5153 [namen] [plaats] LEE 26/888 [namen] [plaats] Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl). De rechtbank leidt uit artikel 1 van de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV. Voor de namen van eisers in de beroepsprocedures verwijst de rechtbank naar de bijlage “eisers en zaaknummers”. Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1159, r.o. 4.3. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5009, r.o. 3.2. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5009. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5009. Als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Het in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken opgestelde rapport “Het voorkomen van Habitatrichtlijnsoorten in Habitatrichtlijngebieden. Advies ten aanzien van wijzigingen in de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten” van G.I. Bos-Groenendijk, C.A.M. van Swaay, A.W. Gmelig Meyling, T. Termaat, J. van Deijk, B. Koese, J.T. Smit, R.C.M. Creemers, J. Kranenbarg, O. Bos, M. La Haye, V. Dijkstra, L. Sparrius & B. Ode (De Vlinderstichting, 2017). bijvoorbeeld de uitspraken van 12 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1239 en van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958. Uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 15.2. Uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1119. Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958, r.o. 6.2. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:164, r.o. 5.2. ECLI:NL:RVS:2010:BN8553. Als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:321, r.o. 4.1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:321, r.o. 4.2. Vgl. de uitspraak van de AbRvS van 16 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7767. Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 7 november 2000, ECLI:EU:C:2000:733 (First Corporate Shipping) en het arrest van het Hof van 12 september 2024, ECLI:EU:C:2024:733 (Elliniki-arrest).