Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-31
ECLI:NL:RBNNE:2026:3152
Natuurbeschermingsrecht. Gebiedsbescherming. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van de minister van 22 november 2022 blijft in stand. De minister is verplicht om alle beschermde habitattypen en soorten aan te wijzen en kan dat ook nog doen met een correctie na de oorspronkelijke aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. De minister heeft op basis van de habitattypenkaarten en een deskundigenonderzoek voldoende aannemelijk gemaakt dat de typen en soorten op het moment van het aanwijzen aanwezig waren. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht locatie Groningen zaaknummer: LEE 23/685 uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 31 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres] uit [plaats], eiseres, (gemachtigde: ir. S. Boonstra), en de minister voor Natuur en Stikstof (nu: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), de minister, (gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, derde-belanghebbende, (gemachtigde: mr. V. Wösten). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden van de minister van 22 november 2022 (het wijzigingsbesluit). 1.1. Bij het wijzigingsbesluit van 22 november 2022 heeft de minister ter uitvoering van de Habitatrichtlijn (Hrl) de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd. 1.2. Tegen het wijzigingsbesluit heeft eiseres beroep ingesteld. 1.3. De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank, na overleg met de andere rechtbanken, om proceseconomische gronden gevraagd de zaken die betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die in dit arrondissement liggen, te behandelen, omdat hier de beroepen zijn ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 7 april 2023 aan partijen medegedeeld. 1.4. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld op de regiezitting van 5 december 2025. Eiseres is met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. 1.6. De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de zitting van 12 maart 2026. Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, ing. D. Bal en mr. J.J. Jorritsma. Derde-belanghebbende is met kennisgeving niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het wijzigingsbesluit aan de hand van de gronden die eiseres heeft aangevoerd. 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Feiten 4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 4.1. Eiseres exploiteert een biologische melkveehouderij aan de Bovenburen 3 (het perceel) in Koudum. De biologische melkveehouderij is gelegen binnen een zone van 25 kilometer van de Natura 2000-gebieden “Oudegaaster Brekken, Fluessen en omgeving” en “IJsselmeer”. 4.2. De minister heeft een ontwerpbesluit tot wijziging van de instandhoudingsdoelstellingen van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland genomen. De minister heeft dit ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Verder heeft de minister dit ontwerpbesluit gedurende de periode van 9 maart tot en met 19 april 2018 ter inzage gelegd. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode een zienswijze bij de minister in te dienen. 4.3. Bij het wijzigingsbesluit heeft de minister ter uitvoering van de Hrl de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd. Juridisch kader 5. Uit de Hrl volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats te behouden of herstellen. 5.1. Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel staat dat de minister van LNV ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Hrl gebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister van LNV bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen. Overgangsrecht 6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. 6.1. Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Het geschil 7. Tussen partijen is in geschil of de minister de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden “Oudegaaster Brekken, Fluessen en omgeving” en “IJsselmeer” heeft kunnen wijzigen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Is het habitattype in meer dan betekenende mate aanwezig? 8. Eiseres betoogt dat het de vraag is of het toe te voegen habitattype Veenmosrietland in betekende mate en in een bestendige vorm aanwezig was ten tijde van het aanwijzingsbesluit Oudegaaster Brekken uit 2010. Eiseres voert aan dat uit de Standard Data Form (SDF) van de beoordeling van de staat van instandhouding van natuurtypedoelen en soorten van 2011, het habitattype H7140 Overgangs- en trilvenen niet voorkomt. Het lijkt er dus sterk op dat het toe te voegen habitattype ten tijde van de aanwijzing Oudegaaster Brekken niet voorkwam binnen het gebied. 8.1. Los van vorenstaande wijst eiseres erop dat het moeilijk is, zo niet onmogelijk om openbare toegankelijke informatie over de stand van zaken (0-meting) ten tijde van het nemen van het aanwijzingsbesluit te betrekken van verantwoordelijke instanties. Klaarblijkelijk zijn deze gegevens niet beschikbaar of worden deze niet verstrekt door de instanties. De onzekerheid van het aanwezig zijn van het habitattype Veenmosrietland ten tijde van het aanwijzingsbesluit Oudegaaster Brekken in samenhang met de voor het habitattype ondergeschikte oppervlakte van 0,4 hectare geeft volgens eiseres dan ook aanleiding om de onderbouwing van het wijzigingsbesluit te betwisten. Naar de mening van eiseres is het bestreden besluit onzorgvuldig en in strijd met het motiveringsbeginsel tot stand gekomen. 8.2. De rechtbank overweegt als volgt. Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving”. Het gaat onder meer om habitattype H7140 Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland subtype B) en H91D0 Hoogveenbossen. De omvang en locatie van deze habitattypen zijn weergegeven op de habitattypenkaart van het gebied. 8.3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) leidt de rechtbank af dat een lidstaat verplicht is om alle habitattypen van bijlage I en soorten van bijlage II van de Hrl die in een Natura 2000-gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen aan te wijzen dan wel toe te voegen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. In een arrest van 12 september 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) deze verplichting nog eens bevestigd. Ook blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de door de minister aangehouden minimum-oppervlakte van 100 m² (1 are) niet onredelijk is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij de vraag of een habitattype in een gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomt mag uitgaan van de habitattypenkaarten. In de uitspraken van 2 juli 2025 heeft de Afdeling dit nog eens expliciet bevestigd. 8.4. De rechtbank stelt voorop dat de minister met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het Natura 2000-gebied ten tijde van de aanwijzing. Het is vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat deze habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken. 8.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaart voor het habitattype H7140 leemten of gebreken bevat. De minister heeft namelijk toegelicht dat het habitattype H7140 Overgangs- en trilveen (veenmosrietland subtype B) en aanvankelijk niet in het aanwijzingsbesluit was opgenomen omdat de locaties waar dit habitattype zich bevindt op dat moment nog niet was gekarteerd. De rechtbank stelt echter vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 27 december 2010) meer dan één are van het habitattype Overgangs- en trilveen (H7140) in het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van het wijzigingsbesluit blijkt dat de aanwezigheid van dit habitattype in dit Natura 2000-gebied wordt bevestigd door ecologische rapporten die inhoudelijk niet zijn weersproken door eiseres. De rechtbank overweegt dat het niet van doorslaggevend belang is dat het toe te voegen habitattype H7140 niet is vermeld in het SDF van 2011, omdat dit habitattype niet in het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving” is opgenomen. 8.6. Ook indien er sprake is van een onjuiste of onvolledig ingevulde SDF leidt dat niet tot de door eiseres gewenste conclusie. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat het onjuiste of onvolledige SDF tot consequentie heeft dat het habitattype H7140 niet is opgenomen in het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit. Als dit habitattype wel was opgenomen in het SDF dan was dit habitattype opgenomen in het aanwijzingsbesluit en was een correctie door middel van het wijzigingsbesluit niet meer nodig. 8.7. Wat eiseres overigens heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op die habitattypenkaarten mocht afgaan. Deze grond van eiseres slaagt niet. Belangenafweging 9. Eiseres betoogt dat uit de toelichting bij het bestreden besluit duidelijk wordt dat voor het behoud van oppervlakte en kwaliteit van de beide habitattypen H7140 Overgangs- en trilveen (veenmosrietland subtype B) en H91D0 Hoogveenbossen wordt gekozen. Door het toevoegen van het habitattype Veenmosrietland is er volgens eiseres sprake van stikstofgevoeligheid binnen dit Natura 2000-gebied en zal dit gebied betrokken worden bij de stikstoftoetsing (rekenprogramma Aerius). Dit met alle voor eiseres nadelige gevolgen van dien. Dat het hier enkel gaat om behoud van omvang- en kwaliteitsdoelstelling en er geen sprake is van een verbeter- en/of uitbreidingsdoelstelling maakt dit niet anders, omdat het rekenprogramma Aerius volgens eiseres geen rekening houdt met deze verschillende doelstellingen. Het gaat in dit geval concreet om een stukje vermeende habitat van 0,4 hectare. Volgens eiseres kan dan ook de vraag worden opgeworpen of de marginale oppervlakte veenmosrietland bijdraagt aan het bereiken van een goede staat van instandhouding van dit habitattype op nationale schaal. Zeker als in dit licht het bedrijfsbelang van eiseres, maar ook de inbreuk op het sociaal-economisch belang van geheel Zuidwest-Friesland in ogenschouw wordt genomen. Daar komt volgens eiseres bij dat dit Natura 2000-gebied voor het wijzigingsbesluit niet stikstofgevoelig was. 9.1. Verder betoogt eiseres dat uit de toelichting van het wijzigingsbesluit valt op te maken dat het veenmosrietland binnen de Oudegaaster Brekken zeer beperkt van omvang is, een goede kwaliteit heeft, maar dat er geen sprake is van potentie tot uitbreiding van deze habitatsoort. Daaruit kan volgens eiseres worden afgeleid dat de bijdrage van het veenmosrietland binnen de Oudegaaster Brekken aan de landelijke staat van instandhouding nagenoeg verwaarloosbaar is en achterwege had kunnen blijven, zeker nu er geen sprake dan wel kans op uitbreiding van de oppervlakte veenmosrietland binnen het Natura 2000-gebied is. Belangenafweging habitattypen en soorten 10. Zoals hiervoor onder 8.3. is overwogen, was de minister verplicht om alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er naar het oordeel van de rechtbank bij het toevoegen van habitattypen en soorten geen ruimte om rekening te houden met economische, sociale of culturele belangen. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Belangenafweging bij het bepalen van instandhoudingsdoelstellingen 11. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij de wijze van het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen rekening mag worden gehouden met, onder andere, economische overwegingen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in dit geval niet heeft onderbouwd waarom in dit geval bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende rekening is gehouden met sociaal, economische en agrarische belangen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen heeft toegelicht dat hij wel rekening heeft gehouden met deze belangen, nu in de meeste gevallen is gekozen voor de laagst mogelijke doelstelling (‘behoud’) en niet voor de voor eiser ingrijpendere uitbreidings- of verbeterdoelstelling. 11.1. Voor zover eiseres verwijst naar het in het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken en Fluessen” aangewezen habitattype H7140, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de keuze voor een behouddoelstelling onvoldoende is voor het oordeel dat de minister geen rekening heeft gehouden met de door eiser genoemde belangen. De rechtbank acht van belang dat uit het wijzigingsbesluit voor dit habitattype volgt dat voor de behouddoelstelling is aangesloten bij de landelijke doelstelling. Verder heeft de minister toegelicht dat het wijzigingsbesluit in beginsel geen gevolgen heeft voor het bestaande legale gebruik in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden omdat dat gebruik mag worden voortgezet. Ook heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 , toegelicht dat hij niet op bedrijfsniveau inzichtelijk hoeft te maken welke gevolgen een (gewijzigde) aanwijzing heeft buiten het aangewezen gebied. Dat is door eiseres niet gemotiveerd bestreden. Het betoog slaagt niet. Schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn 12. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade omdat de procedure langer geduurd heeft dan de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 12.1. De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Bij de beoordeling van de redelijke termijn dient de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen. 12.2. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling vangt de in artikel 6, eerste lid, van het EVRM bedoelde termijn bij besluiten die zijn voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb aan bij het instellen van beroep tegen het desbetreffende besluit. Uit deze vaste jurisprudentie volgt voorts dat een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk is in zaken waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen een besluit in de zin van de Awb. 12.3. Eiseres heeft op 10 januari 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Nu sinds het instellen van het beroep op 10 januari 2023 door eiseres ten tijde van deze uitspraak meer dan drie jaar en zes maanden is verstreken, is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan in het licht van de onder 12.1. genoemde criteria deze overschrijding gerechtvaardigd is te achten. Dit betekent dat de procedure meer dan een jaar en zes maanden te lang heeft geduurd. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden maar minder dan 24 maanden. 12.4. De rechtbank zal, uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) met overeenkomstige toepassing van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,- aan eiseres als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade. Conclusie en gevolgen 13. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk en het wijzigingsbesluit blijft in stand. 14. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. 14.1. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden verder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoek. De rechtbank zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep van eiseres ongegrond; veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan eiseres wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.000,-. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzitter, mr. S. Ketelaars-Mast en mr. E. Hardenberg, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026. griffier voorzitter Afschrift verzonden op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Habitatrichtlijn Artikel 1 (…), e. Onder staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt verstaan: de som van invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied. De “staat van instandhouding” wordt als gunstig beschouwd wanneer: - het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en - de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en - de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i. (…), i. De staat van instandhouding van een soort wordt als “gunstig beschouwd” wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. (…). Artikel 2 1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is. 2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantesoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. 3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden. Artikel 3 1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen . Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79 /409 /EEG aangewezen speciale beschermingszones. 2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan. Artikel 4 1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten , die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn . Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht. De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier. (…), 4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging Artikel 6 1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen. Wet natuurbescherming Artikel 1.5 1. Onze Minister stelt een nationale natuurvisie vast. 2. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het te voeren rijksbeleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de bescherming van waardevolle landschappen, in nationaal en internationaal verband, en het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, de educatieve en de belevingswaarde van natuur en landschap, in samenhang met het beleid om te komen tot een verduurzaming van de economie. (…) 5. De nationale natuurvisie bevat voor zover mogelijk een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten en verschaft in samenhang daarmee en in samenhang met de staat van instandhouding van deze habitats en soorten inzicht in voorgenomen wijzigingen van de besluiten tot aanwijzing van die Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. Artikel 1.8 1. Onze Minister ziet toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in onderscheidenlijk de bijlagen I, II, IV en V bij de Habitatrichtlijn, en van de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten. Artikel 2.1 1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als “Natura 2000-gebied”. 2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister. 3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven. 4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. 5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid. 7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven. Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl). De rechtbank leidt uit artikel 1 van de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2895, r.o. 6.4. Arrest van 12 september 2024 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in zaak C-66/23, ECLI:EU:C:2024:733, zie met name de overwegingen 48 tot en met 50. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 16-16.4. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, r.o. 5.8. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:2961 en ECLI:NL:RVS:2025:2968. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 maart 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:864, r.o. 5.2. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958, r.o. 6.2. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:164, r.o. 5.2. ECLI:NL:RVS:2010:BN8553. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 februari 2011 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2011:BP3701. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2901, r.o. 19.