Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-06-30
ECLI:NL:RBNNE:2026:3085
Varia. Wegenverkeerswet 1994. Betreft het besluit van het CBR om aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen en zijn rijbewijs te schorsen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het CBR had geen objectieve redenen om te twijfelen aan de juistheid van de in het politiedossier aanwezige processen-verbaal. Het CBR mocht de resultaten van de ademanalyse ten grondslag leggen aan het besluit. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/4699 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.J. van 't Hoff), en De directie van het CBR, het CBR (gemachtigde: drs. I.S.B. Metaal). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen en zijn rijbewijs te schorsen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan de wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn. Procesverloop 2. Op 24 juni 2024 heeft de politie aan het CBR een mededeling in de zin van artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 uitgebracht. 2.1. Met het primaire besluit van 28 juni 2024 heeft het CBR aan eiser een onderzoek opgelegd naar zijn rijgeschiktheid en is daarnaast het rijbewijs van eiser geschorst. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door eiser. 2.2. Met het bestreden besluit van 1 november 2024 op het bezwaar van eiser is het CBR bij het primaire besluit gebleven. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft vervolgens de gronden aangevuld. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het CBR deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Deze zaak gaat om de vraag of het CBR aan eiser terecht een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd en of zijn rijbewijs terecht is geschorst. Daarbij is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser op 22 juni 2024 een voorlopig ademonderzoek op locatie en een ademanalyse op het politiebureau heeft ondergaan en dat bij de ademanalyse een ademalcoholgehalte van 1205 μg/l (2,772 ‰) is geconstateerd. Partijen zijn het er ook over eens dat het CBR bij een dergelijk ademalcoholgehalte op grond van artikel 5, aanhef en onder j, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) gehouden is om het rijbewijs te schorsen. Het CBR is bij een dergelijk ademalcoholgehalte daarnaast op grond van artikel 23, eerste lid, van de Regeling gehouden een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen. De standpunten van partijen 3.1. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of de resultaten van de ademanalyse ten grondslag kunnen worden gelegd aan het bestreden besluit. Volgens eiser is dit niet het geval omdat het politiedossier, waar het CBR zijnbesluit op heeft gebaseerd, tegenstrijdige informatie bevat. Volgens eiser blijkt uit het politiedossier niet voldoende duidelijk dat (minimaal) 20 minuten zijn verstreken tussen het voorlopige ademonderzoek op locatie en de ademanalyse op het politiebureau, terwijl dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer wel vereist is. Eiser hecht daarbij waarde aan het feit dat hij door het openbaar ministerie is vervolgd naar aanleiding van de gebeurtenissen op 22 juni 2024, maar dat hij door de politierechter is vrijgesproken. Volgens eiser heeft het CBR in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld door het bestreden besluit te baseren op het politiedossier. 3.2. Het CBR heeft gesteld dat uit het politiedossier wel voldoende duidelijk blijkt dat (minimaal) 20 minuten zijn verstreken tussen het voorlopige ademonderzoek en de ademanalyse. Verder is volgens het CBR van belang dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt dat de resultaten van de ademanalyse onder omstandigheden ook ten grondslag mogen worden gelegd aan het opleggen van een onderzoek en het schorsen van het rijbewijs als de 20-minutenregel niet in acht is genomen. Het feit dat eiser door de politierechter is vrijgesproken is volgens het CBR niet doorslaggevend voor deze (bestuursrechtelijke) procedure. Mocht het CBR de resultaten van de ademanalyse ten grondslag leggen aan het besluit? 3.3. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat een bestuursorgaan in beginsel uit mag gaan van de juistheid van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Dat geldt ook voor de bestuursrechter, tenzij er tegenbewijs is dat er moet worden afgeweken van dit uitgangspunt. Het is niet vereist dat het CBR een eigen onderzoek doet naar de juistheid van de feiten die door de politie in het proces-verbaal zijn beschreven, tenzij het CBR objectieve redenen heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen. 3.4. De vraag die voorligt is dus of het CBR objectieve redenen had om aan de juistheid van de in het politiedossier aanwezige processen-verbaal te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Daarvoor is van belang dat uit een proces-verbaal blijkt dat eiser op zaterdag 22 juni 2024 om 4:10 uur is gevorderd om mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek en dat eiser op diezelfde dag om 4:32 uur is bevolen mee te werken aan de ademanalyse. Op de uitdraai van de ademanalyse staat dat de ademanalyse om 4:32 is gestart en om 4:39 is afgerond. Hieruit volgt dat er 22 minuten zijn verstreken tussen het voorlopige ademonderzoek en de ademanalyse en dat de 20-minutenregel in acht is genomen. 3.5. In het dossier zijn ook aanwijzingen te vinden dat de verbalisanten pas later ter plaatse waren en dat het voorlopige ademonderzoek mogelijk later is afgenomen. Zo lijkt het mutatierapport van 22 juni 2024 te suggereren dat de verbalisanten pas om 4:16 uur ter plaatse waren. 3.6. De rechtbank overweegt dat het CBR vanwege deze tegenstrijdigheden niet hoefde te twijfelen of de 20-minutenregel in acht is genomen. Daarvoor is redengevend dat de verbalisanten die het voorlopige ademonderzoek hebben afgenomen in een proces-verbaal van 22 juli 2024 expliciet hebben bevestigd dat zij om 4:10 uur ter plaatse waren en dat zij eiser op dat tijdstip hebben gevorderd om mee te werken aan het voorlopige ademonderzoek. De verbalisanten hebben bovendien in een e-mailbericht van 20 september 2024 verklaard dat zij om 4:16 uur een melding hebben gedaan aan het Operationeel Centrum en dat dit verklaart waarom dit tijdstip op het mutatierapport staat. De verbalisanten hebben in dit e-mailbericht nogmaals bevestigd dat zij daarvoor al ter plaatse waren en dat zij de 20-minuten regel in acht hebben genomen. Zij hebben in deze verklaring bovendien toegelicht dat de ademanalyse niet binnen 20 minuten na de voorlopige ademtest kan worden afgenomen, omdat het analysesysteem dan een foutmelding geeft. Deze toelichting is door eiser niet weersproken. 3.7. Dat eiser is vrijgesproken door de politierechter leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling gelden in het bestuursrecht andere bewijsregels dan in het strafrecht en heeft een strafrechtelijke vrijspraak daarom niet zonder meer gevolgen voor de bestuursrechtelijke procedure. Uit de aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter blijkt overigens ook niet waarom eiser is vrijgesproken. 3.8. Kortom, het CBR had geen objectieve redenen om te twijfelen aan de juistheid van de in het politiedossier aanwezige processen-verbaal. Het standpunt van eiser dat het CBR in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door zijn besluit te baseren op het politiedossier slaagt daarom niet. Het CBR mocht op basis van het politiedossier aannemen dat de 20-minutenregel in acht is genomen en mocht de uitslag van de ademanalyse dus zonder meer ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. Het beroep van eiser slaagt dus niet. 3.9. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het CBR – ook als de 20-minuten regel niet in acht was genomen – tot het opleggen van de maatregel en het schorsen van het rijbewijs heeft kunnen overgaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het naleven van de 20-minutenregel alleen van doorslaggevend belang als sprake is van een grensgeval. Daar is in deze zaak geen sprake van. Het ademalcoholgehalte van eiser was namelijk zo hoog, dat niet aannemelijk is dat de eventueel nog aanwezige resten mondalcohol de meting dusdanig hebben beïnvloed dat de minimale waarde van 785 μg/l enkele minuten later niet meer gehaald zou worden. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Veenema, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wegenverkeerswet 1994 Artikel 130 1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld. 2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs. (…) Artikel 131 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2024-06-19/0?g=2024-11-01&z=2026-05-12) 1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot: a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen. (…) 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid. Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 Artikel 5 Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130&g=2018-05-01&z=2026-06-24) geschiedt in de volgende gevallen: (…) j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰; Artikel 23 1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien: a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰; b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰; (…) Specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel, de vergewisplicht en de motiveringsplicht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961. Een proces-verbaal van 22 juni 2024 met kenmerk PL0100-2024165344-1. Een proces-verbaal met kenmerk PL0100-2024165344-6 dat is opgemaakt vanwege de ontstane verwarring over de in het politiedossier genoemde tijdstippen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:942. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1943.