Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-06-18
ECLI:NL:RBNNE:2026:3072
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 23/4567 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen Vereniging Vogelwacht Langezwaag, Luxwoude e.o. , uit Luxwoude, eiseres (gemachtigde: D. Kooistra), en het college van gedeputeerde staten van de Provincie Fryslân, het college (gemachtigde: mr. R. Snel). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Vitens N.V. uit Zwolle (Vitens) (gemachtigden: mr. B. de Haan en mr. T.A. Hubregtse). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening aan Vitens. Eiseres is het niet eens met de vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college gelet op de natuurbelangen de vergunning niet hoefde te weigeren en ook geen nadere voorschriften aan de vergunning hoefde te verbinden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 3 maart 2022 heeft Vitens een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het onttrekken van 6,5 miljoen m³ grondwater per jaar nabij Luxwoude, ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. 2.1. Het college heeft bij besluit van 26 september 2023 de gevraagde vergunning verleend. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de vergunning. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Vitens heeft een schriftelijke reactie ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen en verder namens eiseres [naam], namens het college R. Bil en A. Nass, en namens Vitens W. Zandbergen, A. Oosterhof en I. Kraak. Beoordeling door de rechtbank Welke regelgeving is van toepassing? 3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 3.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 3 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Is het beroep van eiseres ontvankelijk? 4. Het college heeft zich in het verweerschrift primair op het standpunt gesteld dat eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij geen belanghebbende is, zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartoe voert het college aan dat de belangen die de vereniging behartigt niet rechtstreeks betrokken zijn bij het bestreden besluit. De vergunning is verleend met het oog op de doelstellingen zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Het belang van de vereniging hangt hier niet rechtstreeks mee samen, maar is een duidelijk afgeleid belang, aldus het college. 4.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van eiseres ontvankelijk. Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is dat in een beroep dat betrekking heeft op een omgevingsrechtelijk besluit, waaronder besluiten op grond van de Waterwet, aan iemand die geen belanghebbende is, maar die wel tegen het ontwerpbesluit een zienswijze heeft ingediend, niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. De vereniging heeft een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit. De rechtbank gaat daarom niet verder in op de stelling van het college dat eiseres geen belanghebbende is. Welke b In een recente uitspraak bevestigt de Afdeling ondubbelzinnig dat een watervergunning alleen mag worden geweigerd als de aanvraag niet verenigbaar is met de doelstellingen die worden genoemd in artikel 2.1, eerste lid van de Waterwet. Uit rechtspraak blijkt verder dat natuurbelangen – in dit geval de bescherming van (het leefgebied van) weidevogels – niet vallen onder het bereik van de doelstellingen van de Waterwet. 5.2.5. De rechtbank ziet geen grond voor het onderscheid dat het college maakt tussen onderzoek naar de gevolgen voor het leefgebied van weidevogels en onderzoek naar de gevolgen voor weidevogels zelf. In de uitspraak waarnaar door het college in dit verband is verwezen was een peilbesluit aan de orde dat mogelijk gevolgen had voor natura2000-gebied waar een doelstelling gold voor weidevogels. Dat is hier niet het geval. Is het besluit zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd? 6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de gevolgen voor weidevogels onvoldoende zijn onderzocht en dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. 6.1. Het college wijst op onderzoeken die zijn uitgevoerd voor de vergunningverlening. Daaruit blijkt dat de effecten van de waterwinning op de (geschiktheid van broedlocaties voor) weidevogels ‘beperkt negatief’ dan wel van ‘geringe aard’ zijn. 6.2. Deze grond slaagt niet. De rechtbank overweegt daarbij het volgende. 6.2.1. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de grondwateronttrekking gevolgen heeft voor de grondwaterstand in een aantal weidevogelgebieden en dat de verlaging van de grondwaterstand in die gebieden negatieve effecten heeft voor de weidevogels. Door de Bosgroep Noord-Oost Nederland (Bosgroep) is, voorafgaand aan de vergunningverlening en in vervolg op het milieueffectrapport, onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de grondwaterstandsverlaging op weidevogels. Eiseres verwijst ook naar de conclusies in dat rapport. Bosgroep concludeert daarin het volgende: - In de (meest) nabijgelegen Natura2000-gebieden en EHS-gebieden kunnen negatieve effecten worden uitgesloten; - In natuurterreinen buiten de EHS zijn effecten gering. De grondwaterstandsdaling die optreedt als gevolg van de waterwinning in Luxwoude zal voor de natuur buiten de EHS tot enige (extra) verdroging leiden, maar vanwege de geringe floristische natuurwaarden van deze bosjes leidt dit niet tot een aantasting van de huidige natuurkwaliteit. Alleen in natuurgebied De Fennen kan in zeer droge jaren de extra verdroging als gevolg van de waterwinning een negatief effect hebben op het broedsucces; - Binnen het invloedgebied liggen drie door de provincie begrensde weidevogelkansgebieden. In twee van deze gebieden is geen verlaging van de freatische grondwaterstand te verwachten waardoor negatieve effecten uitgesloten zijn. In het weidevogelkansgebied tussen Gersloot en Tijnje bedraagt de verlaging minder dan 5 cm. Daarmee is de invloed van de waterwinning op de kwaliteit van het gebied gering; Op enkele locaties op agrarische percelen rondom de winlocatie broeden grutto en tureluur. De geschiktheid van de betreffende percelen als broedlocatie voor deze soorten neemt af; het broedsucces zal afnemen. 6.2.2. In reactie op een zienswijze van eiseres heeft het college aangegeven dat in de agrarische gebieden nabij de winningslocatie de sterkste daling van freatisch grondwater wordt verwacht. De geschiktheid als broedlocatie neemt daardoor af. Meer kritische soorten als grutto en tureluur kunnen daar effect van ondervinden. Het college wijst er in de reactienota echter op dat uit de telgegevens bij het rapport van Bosgroep blijkt dat er geen populaties van betekenis in de omgeving van de winning aanwezig zijn. De grutto en tureluur zijn in de huidige situatie vrijwel afwezig. 6.2.3. Het standpunt van het college in de reactienota is door Bosgroep onderschreven in een nadere reactie naar aanleiding van het beroepschrift. Daarin wordt toegelicht dat op de agrarische gronden rondom de winningslocatie weini