Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-06-18
ECLI:NL:RBNNE:2026:3071
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 23/4524, LEE 23/4529, LEE 23/4537 en LEE 23/4556 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen V.O.F [naam], Teijepole Werkmaatschappij B.V. en HP Werkmaatschappij B.V. , uit [plaatsnaam],; [naam], uit [plaatsnaam]; V.O.F. melkveebedrijf [naam] , uit [plaatsnaam]; Maatschap [naam] , uit [plaatsnaam] (gemachtigde: mr. J.T. Fuller), en het college van gedeputeerde staten van de Provincie Fryslân, het college (gemachtigde: mr. R. Snel). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Vitens N.V. uit Zwolle (Vitens) (gemachtigden: mr. T.A. Hubregtse en mr. B. de Haan). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening aan Vitens. Eisers zijn het niet eens met deze vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eisers niet slagen. De rechtbank vindt dat de vergunning voldoende zorgvuldig is voorbereid en dat het college daarbij gebruik mocht maken van het MIPWA-v4 grondwatermodel en de WaterWijzer Landbouw. Ook vindt de rechtbank dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eisers en dat die belangen niet onevenredig worden geschaad. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Op 3 maart 2022 heeft Vitens een aanvraag ingediend om een vergunning voor het onttrekken van 6,5 miljoen m³ grondwater per jaar nabij Luxwoude, ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. 2.2. Het college heeft bij besluit van 26 september 2023 de gevraagde vergunning verleend. 2.3. Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de vergunning. Het college heeft verweerschriften ingediend. Vitens heeft een schriftelijke reactie ingediend. 2.4. De rechtbank heeft de beroepen op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en A. Nass en R. Bil . Namens Vitens zijn haar gemachtigden verschenen en W. Zandbergen, A. Oosterhof en I. Kraak. Beoordeling door de rechtbank 3. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 3.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 3 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 4. Eisers zijn eigenaren van agrarische percelen in de buurt van het puttenveld, van waaruit de grondwateronttrekking zal plaatsvinden. Zij zijn het niet eens met de verleende vergunning en vrezen voor schade. De rechtbank zal hieronder hun beroepsgronden beoordelen. Het gebruik van het MIPWA model 5. Eisers stellen dat het college bij de beoordeling van de hydrologische aspecten van de grondwateronttrekking ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het MIPWA-v4 model. Zij vinden dat Vitens te veel betrokken is geweest bij de ontwikkeling van dit model en bij de hydrologische effectbepaling. Dat volgt volgens eisers ook uit een passage uit het jaarverslag van 2005 van de Commissie Deskundigen Grondwaterwet (CDG, nu de AdviesCommissie Schade Grondwater). Verder wijzen zij erop dat het college stelt dat het voor het opstellen van het grondwatermodel afhankelijk is van de in Eisers hebben in hun beroepschriften ook gesteld dat dat zou leiden tot extra beperkingen voor het uitrijden van mest, maar die beroepsgrond hebben zij ter zitting ingetrokken. 7.1. Het college wijst erop dat voor de aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied een apart besluit moet worden genomen. Daartegen staat rechtsbescherming open. De aanwijzing als grondwaterbeschermingsgebied is volgens het college een logisch gevolg van het verlenen van de vergunning voor het onttrekken van grondwater, maar de regels en de exacte omvang van het grondwaterbeschermingsgebied worden pas duidelijk bij de aanwijzing daarvan. Als eisers in de toekomst schade zouden leiden door de aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied, dan worden zij daarvoor gecompenseerd op grond van de nadeelcompensatieregeling uit de Omgevingswet. Daarom kan niet worden gesproken over waardedaling van de gronden. 7.2. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aan de mogelijk nadelige gevolgen van mogelijke beperkingen door een in de toekomst aan te wijzen grondwaterbeschermingsgebied voldoende tegemoet wordt gekomen door de rechtsbeschermingsmogelijkheden en nadeelcompensatieregeling die gelden bij aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied. De aard en de omvang van die mogelijk nadelige gevolgen waren bij het verlenen van de watervergunning nog onzeker en onduidelijk. Eisers hebben enkel gesteld dat zij schade zullen lijden door de aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied. Zij hebben die door hen gestelde schade op geen enkele manier onderbouwd of gespecificeerd. Voor wat betreft de gevolgen van de aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied heeft het college, bij het verlenen van de vergunning, voldoende rekening gehouden met de belangen van eisers. Het college kon volstaan met het verwijzen naar toekomstige rechtsbeschermings- en nadeelcompensatiemogelijkheden. Opbrengstderving door nat- en/of droogteschade 8. Tot slot vrezen eisers opbrengstderving door nat- en/of droogteschade, waardedaling van hun onroerend goed, nadelige gevolgen voor de (her)financiering van hun bedrijven, hogere financieringslasten en beperkingen in het gebruik van een broninstallatie. Volgens hen vallen deze nadelen buiten de schadevergoedingsregeling van artikel 7.18, tweede lid, van de Waterwet. Daarom zou het college aan deze nadelen veel gewicht toe moeten toekennen in de vergunningprocedure. Dat heeft het college niet gedaan. Daarom heeft het college onvoldoende rekening gehouden met hun belangen. 8.1. Het college verwijst naar het onderzoek dat heeft plaatsgevonden naar de effecten van de grondwateronttrekking voor agrariërs. Daarnaast zal er monitoring plaatsvinden om de uitgangspunten te verifiëren en de daadwerkelijke effecten te meten. Het college erkent dat de onttrekking van grondwater kan leiden tot schade aan landbouwgewassen. Die schade kan verhaald worden op de veroorzaker. Daarvoor gelden bijzondere schaderegelingen en daarbij wordt de onafhankelijke AdviesCommissie Schade Grondwater (ACSG) ingeschakeld. Als de toegekende schadevergoeding op basis van het advies van de ACSG naar de mening van een gedupeerde onvoldoende is, dan bestaat de mogelijkheid om daartegen in beroep te gaan. Droogval van broninstallaties zal zich volgens het college niet voordoen vanwege de diepte van de bronnen (minimaal zes meter onder het maaiveld). Tot slot worden de regelingen voor schadevergoeding en nadeelcompensatie die tot 1 januari 2024 gelden, volgens het college voortgezet in de artikelen 15.1 e.v. en 15.16 van de Omgevingswet. 8.2. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende rekening heeft gehouden met mogelijke nat- en/of droogteschade van eisers. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat eisers die schade niet hebben gespecificeerd en onderbouwd. Door te spreken van “nat- en/of droogteschade” laten zij in het midden of het hen om nat- of droogteschade gaat. De aard en de omvang van de door hen gestelde schade is dus volledig onbekend. In het milieueff