Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-06-18
ECLI:NL:RBNNE:2026:3068
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 23/4378 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit Luxwoude, eiseres (gemachtigde: mr. M.J. Smaling), en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, het college (gemachtigde: mr. R. Snel). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Vitens N.V. uit Zwolle (Vitens) (gemachtigden: mr. T.A. Hubregtse en mr. B. de Haan). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening aan Vitens. Eiseres is het niet eens met deze vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. De rechtbank vindt dat de vergunning voldoende zorgvuldig is voorbereid en de gevolgen ervan voldoende zijn onderzocht. Ook vindt de rechtbank dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres en dat haar belangen niet onevenredig worden geschaad. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 3 maart 2022 heeft Vitens een aanvraag ingediend om een vergunning voor het onttrekken van 6,5 miljoen m³ grondwater per jaar nabij Luxwoude, ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. 2.1. Het college heeft bij besluit van 26 september 2023 de gevraagde vergunning verleend. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de vergunning. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft daarop gereageerd en nadere stukken ingediend. Ook Vitens heeft een schriftelijke reactie ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en A. Nass en R. Bil. Namens Vitens zijn haar gemachtigden verschenen en W. Zandbergen, A. Oosterhof en I. Kraak. Beoordeling door de rechtbank Regelgeving 3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 3.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 3 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. De beroepsgronden 4. Eiseres stelt dat de grondwateronttrekking een meer dan geringe structurele verlaging van de grondwaterstand tot gevolg heeft. Deze aanvullende daling van de grondwaterstand zal schade aan haar woning en aan haar boomgaard met oude fruitboomrassen doen ontstaan. Deze nadelige gevolgen zijn onevenredig in verhouding tot de met het bestreden besluit te dienen doelen. De belangen van eiseres zijn volgens haar onvoldoende meegewogen. Eiseres is van mening dat het vereiste evenwicht in de afweging van belangen kan worden hersteld door een voorschrift aan de vergunning te verbinden waarbij Vitens wordt verplicht om samen met het Wetterskip Fryslân een preventieve maatregel te treffen door het instellen van een variabel waterpeil rondom de boomgaard en de woning van eiseres. 4.1. Het college stelt voorop dat het een zorgplicht heeft voor een duurzame waterwinning. Dit is een groot openbaar belang. De onttrekking is nodig om aan de vraag naar drinkwater te kunnen blijven voldoen. Er is sprake van een zorgvuldig doordachte en uitgevoerde belangenafweging Dit wordt echter niet verwacht, omdat het gebied nu vrij nat is. Een drogere situatie kan zelfs leiden tot de vorming van een beter wortelstelsel. Dat voor de boomgaard van eiseres een volledig andere beoordeling moet worden gemaakt, heeft eiseres niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. De woning 4.3. Eiseres betwist dat sprake zal zijn van een daling van de grondwaterstand van 5 tot 10 cm, zoals opgenomen in de MER. Deze stelling in de MER is onder meer gebaseerd op de aanname dat het veen in dit gebied praktisch is verdwenen, waardoor er geen verdere bodemdaling zal zijn. Ook bij de woning zijn de ervaringen van eiseres volledig anders. De afgelopen jaren zijn de funderingen van de woning uit 1927 bloot komen te liggen. De extreem droge en warme zomers van 2018, 2019 en 2020 hebben gezorgd voor scheuren in de muren en de binnenmuren zijn los komen te staan van de buitenmuren. Bij de 40 jaar oude garage ligt het maaiveld nu 30 cm onder de fundering. 4.3.1. Ten aanzien van de onderzoeken en de volledigheid en zorgvuldigheid van deze onderzoeken verwijst de rechtbank naar haar overwegingen onder 4.2.2. en 4.2.3. 4.3.2. De rechtbank overweegt verder dat Fugro de situatie ter plaatse van de woning (en de boomgaard) van eiseres heeft onderzocht. Uit het rapport van 19 december 2023 blijkt dat ter plaatse bij eiseres sprake is van autonome bodemdaling, omdat waarschijnlijk nog veen aanwezig is. De berekende grondwaterstandsverlagingen als gevolg van deze vergunning bedragen, in een “worst case”, tussen 0,1 en 0,15 m. De maaiveldverzakkingen bij dergelijke verlagingen zijn volgens Fugro verwaarloosbaar, zeker als dit vergeleken wordt met autonome bodemdaling. Evenredigheid 4.4. De rechtbank is van oordeel dat hiermee de gevolgen van deze watervergunning voldoende zijn onderzocht. Deze gevolgen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig onevenredig voor eiseres dat de vergunning had moeten worden geweigerd of dat ter mitigatie een aanvullend voorschrift had moeten worden opgenomen. 4.5. Daarbij speelt een rol dat voor de opstallen van eiseres een monitoringsplan is opgesteld en aanvullende monitoringsacties worden ondernomen. Hiermee wordt gemeten wat de feitelijke verlaging zal zijn en kunnen de effecten van de autonome bodemdaling inzichtelijk worden gemaakt. Als schade optreedt, wordt op deze wijze ook duidelijk of dit ontstaat door het onttrekken van grondwater. Het college erkent ook dat de onttrekking van grondwater kan leiden tot schade. Die schade kan verhaald worden op de veroorzaker. Daarvoor gelden bijzondere schaderegelingen en daarbij wordt de onafhankelijke Advies Commissie Schade Grondwater (ACSG) ingeschakeld. Als de toegekende schadevergoeding op basis van het advies van de ACSG naar de mening van een gedupeerde onvoldoende is, dan bestaat de mogelijkheid om daartegen in beroep te gaan. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat een schadeloosstelling er mogelijk ook uit kan bestaan dat eiseres financiële middelen krijgt voor herstel of verplaatsing van de boomgaard. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de waterwetvergunning van 26 september 2023 in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, voorzitter, en mr. W.R. van der Velde en mr. G. Knuttel, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026. Griffier Voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling