Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-07
ECLI:NL:RBNNE:2026:3056
Wet BIZ. Belanghebbende is geen ondernemer, maar de onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning. Terechte heffing BIZ-bijdrage. Beroepen zijn ongegrond. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 25/1162 en LEE 25/1163 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 februari 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) voor de belastingjaren 2023 en 2024 aanslagen bedrijveninvesteringszone (BIZ) opgelegd. Met deze aanslagen heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een jaarlijkse BIZ-bijdrage in rekening gebracht van € 250. 1.2. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en als waarnemer van de gemachtigde van de heffingsambtenaar [naam] . Feiten 1.6. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is gelegen in de bedrijveninvesteringszone “Bedrijventerrein [plaats 1] ”. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de BIZ-bijdrage terecht van belanghebbende is geheven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de BIZ-bijdrage terecht van belanghebbende geheven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Wettelijk kader 4. In de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ) staat, voor zover hier van belang: “ Artikel 1. 1. De gemeenteraad kan onder de naam BIZ-bijdrage een belasting instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (bedrijveninvesteringszone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. (…) p Artikel 4 1 De verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld treedt niet in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen. 2 Het college van burgemeester en wethouders stelt iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit te spreken. In afwijking van het peilmoment, bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, wordt degene die blijkens de bij de gemeente op dat moment bekende gegevens een onroerende zaak in de beoogde bedrijveninvesteringszone gebruikt of daarvan het genot heeft aangemerkt als bijdrageplichtige. 3 Bij de toepassing van het tweede lid zorgt het college van burgemeester en wethouders dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening. 4 Het college zorgt er voor dat de vertrouwelijkheid van de strekking van de schriftelijke verklaring van de bijdrageplichtige gewaarborgd is. ” Artikel 5 1 Van voldoende steun is sprake indien na toepassing van artikel 4 blijkt dat: a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken, b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en c. de som van de WOZ waarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van onroerende zaken in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ waarden in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding. ” 4.1. De aanslag BIZ-bijdrage in deze zaak is opgelegd op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor de bedrijveninvesteringszones ‘Centrum [plaats 1] ’, ‘Bedrijventerreinen [plaats 1] ’ en ‘Bedrijventerrein [plaats 2] ’ (de Verordening). In de Verordening staat – voor zover hier van belang – onder meer: “ Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting 1. Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen. 2. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Artikel 3 Belastingobject Belastingobject is de onroerende zaak bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Belastingplicht 1. De BIZ-bijdrage wordt geheven van de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zones gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt. (...) Artikel 7 Tarief BIZ-bijdrage (…) 2. De BIZ-bijdrage voor de BI-zones ‘Bedrijventerreinen [woonplaats] ’ en ‘Bedrijventerrein [plaats 2] ’ bedraagt 0,245% van de WOZ-waarde met een minimum van € 250,00 en een maximum van € 5.000,00 per bijdrage plichtige. Indien de WOZ-waarde beneden € 60.000,00 blijft, wordt geen belasting geheven .” De standpunten van partijen 5. Belanghebbende is van mening dat de BIZ-bijdrage ten onrechte van hem is geheven, omdat hij geen ondernemer is. Belanghebbende voert daar toe aan dat uit de tekst van de Verordening en de Wet BIZ blijkt dat de BIZ-bijdrage alleen geldt voor ondernemers. Uitlatingen van de gemeenteraad en van ondernemersverenigingen uit de omgeving bevestigen dit volgens hem. Verder is belanghebbende van mening dat er geen stemming voor een draagvlakmeting heeft plaatsgevonden voor het inwerking treden van de Verordening, terwijl dit wel had gemoeten. 6. De heffingsambtenaar stelt op juiste gronden de aanslag BIZ-bijdrage te hebben opgelegd. De omstandigheid dat belanghebbende de onroerende zaak in privé bezit doet daar niet aan af, omdat het om de bestemming gaat. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar verklaard dat er een stemming voor de draagvlakmeting gepland stond in oktober 2019. Het oordeel van de rechtbank 7. Uit de wetssystematiek volgt dat de Verordening pas in werking kan treden bij voldoende draagvlak onder de bijdrageplichtigen. Artikel 4 van de Wet BIZ kent geen voorschriften voor de wijze waarop het college van burgemeesters en wethouders de draagvlakmeting uitvoert. De bewijslast of is voldaan aan deze eis ligt bij de heffingsambtenaar. 7.1. De rechtbank acht het aannemelijk dat er een draagvlakmeting heeft plaatsgevonden in oktober 2019. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Onder de intitulé van de Verordening staat onder andere ‘ gezien het voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders van 29 oktober 2019 ’. Dit sluit aan bij de verklaring van de heffingsambtenaar dat er in oktober 2019 een stemming voor de draagvlakmeting stond gepland. Uit de wetssystematiek volgt daarnaast dat een draagvlakmeting vereist is voor inwerkingtreding. De enkele stelling van belanghebbende, zonder nadere onderbouwing, dat er geen stemming zou hebben plaatsgevonden verandert dit niet. 8. Tussen partijen is verder niet in geschil dat belanghebbende in de jaren 2023 en 2024 eigenaar was van de onroerende zaak. Ook is niet in geschil dat de onroerende zaak is gelegen in het bij de Verordening aangewezen gebied waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Partijen houdt ook niet meer verdeeld dat er sprake is van één object, waarbij de hoogte van de WOZ-waarde voor het object voor de jaren 2023 en 2024 ook niet in geschil is. 8.1. De rechtbank overweegt vervolgens dat de BIZ-bijdrage wordt geheven van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.