Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-26
ECLI:NL:RBNNE:2026:2885
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 25/4574, LEE 25/4748 en LEE 25/5220 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen 1. [naam] uit De Westereen, eiseres 1 (gemachtigden: J. Boskma en J. de Haan), 2. [naam] uit De Westereen, eiseres 2, 3. [naam] uit De Westereen, eiser 3, hierna gezamenlijk te noemen eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel , het college (gemachtigde: H. Sikkema). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Dijkstra Plan & Projectontwikkeling B.V. uit Bolsward (vergunninghoudster). (gemachtigde: mr. L.M. Blankestijn) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor de realisatie van de nieuwbouw van 24 appartementen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen, omdat de twee gebouwen voor 24 huurappartementen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Vergunninghoudster is eigenaar van het perceel aan de [adres] [nummer] te Westereen (het perceel). Daarop staat een winkelpand dat voorheen gebruikt werd voor detailhandel. Dat winkelpand staat nu al geruime tijd leeg. 2.1. Vergunninghoudster heeft op 9 oktober 2023 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van twee gebouwen voor 24 appartementen (het project). 2.2. De gemeenteraad van de gemeente Dantumadiel heeft op 23 september 2025 een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven voor het project. 2.3. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’ . 2.4. Eisers hebben beroepen ingesteld tegen het bestreden besluit. De beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers LEE 25/4574 (eiseres 1), LEE 25/4748 (eiseres 2) en LEE 25/5220 (eiser 3). 2.5. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.6. De rechtbank heeft de beroepen op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres 1, eiseres 2, eiser 3, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld van [naam] en [naam], die beiden werkzaam zijn bij vergunninghoudster. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht Omgevingswet 3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. 3.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voordat de Omgevingswet in werking is getreden, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing zoals die gold voor 1 januari 2024. Dat geldt ook voor de Crisis- en herstelwet (Chw). Crisis- en herstelwet is van toepassing. 4. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat in dit geval de Chw van toepassing is. Dat is zo omdat in dit geval met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo van het bestemmingsplan is afgeweken ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen (namelijk 24 appartementen) in een aaneengesloten gebied of herstructurering van woon- en werkgebieden. Omdat het college bij de bekendmaking van het besluit dit niet heeft vermeld, zal de rechtbank in deze procedure niet toetsen of voldaan is aan de indieningsvereisten van de Chw. Wel acht de rechtbank het van belang hier uitdrukkelijk op te wijzen omdat de toepasselijkheid van de Chw van belang is voor het indienen van ee Door de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte hebben de toekomstige bewoners van de appartementen waar het project op ziet zicht op hun woningen en op hun tuinen. Hun privacy zal daarom verloren gaan. 7.1. Het college betoogt dat de privacy niet onevenredig wordt geschaad. Daarbij betrekt het college dat de afstand tussen de te bouwen appartementen en de woningen en tuinen van eiseres 2 en eiser 3 te groot is om te kunnen spreken van een onevenredige aantasting van hun privacy. 7.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt dat hierna uit. 7.3. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat een zekere mate van aantasting van privacy niet betekent dat het college een vergunning voor afwijking van het bestemmingsplan moet weigeren. Aan het college komt beleidsruimte toe bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor afwijking van het bestemmingsplan een vergunning te verlenen. Het college heeft de keuze om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. Het college dient de daarbij betrokken belangen af te wegen. 7.4. Het college heeft een afweging gemaakt tussen het algemeen belang van de bouw van de appartementen aan de ene kant en (onder meer) het belang van eiseres 2 en eiser 3 bij behoud van privacy aan de andere kant. De rechtbank kan het standpunt van het college volgen dat de gevolgen van de afwijking van het bestemmingsplan (voor de appartementengebouwen met een bouwhoogte van ongeveer 9,5 meter) op de privacy van eiser 3 niet onevenredig zijn. Op zitting is besproken dat eiser 3 zich vooral zorgen maakt om de inkijk in zijn woning. De afstand vanaf de vergunde appartementen tot het perceel van eiser 3 bedraagt ongeveer 15 meter en de woning ligt nog enkele meters verder weg van de appartementen. Daartussen bevindt zich de openbare weg. Hoewel deze woning direct aan de overzijde van de weg is gelegen, heeft het college de gevolgen voor de inkijk in deze woning en de daarbij horende tuin naar het oordeel van de rechtbank niet van dusdanige aard hoeven achten dat die inbreuk onevenredig is. Het college heeft daarbij mogen betrekken dat bewoners van woningen in een bebouwde omgeving tot op zekere hoogte enige inkijk moeten aanvaarden. De woning met tuin van eiseres 2 is nog verder weg gelegen van het perceel dan de woning en de tuin van eiser 3. Het gaat om een afstand van meer dan 25 meter van het perceel. Verder ligt de openbare weg tussen het perceel en haar woning. Gelet op de ligging van de woning en de tuin van eiseres 2 ten opzichte van de vergunde appartementengebouwen ziet de rechtbank geen aanleiding om over de situatie van eiseres 2 anders te oordelen dan over de situatie van eiser 3. Goede ruimtelijke ordening: aantasting straat- en bebouwingsbeeld 8. Eiseres 2 en eiser 3 betogen dat het project het straat- en bebouwingsbeeld onevenredig aantast. De bouwhoogte van het project is te hoog en past niet bij de overige aanwezige bebouwing. 8.1. Het college stelt dat het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de ruimtelijke gevolgen van de afwijking van het bestemmingsplan aanvaardbaar zijn. Hoewel het project afwijkt van de maximaal planologisch toegestane bouwhoogte is die afwijking ten opzichte van omliggende gebouwen volgens het college niet van dien aard dat het project niet stedenbouwkundig kan worden ingepast. 8.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo oordeelt. 8.2.1. In de bij het bestreden besluit horende ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het straatbeeld van de Noarder Stasjonsstrjitte wordt gekenmerkt door een verscheidenheid aan bouwvormen in een wisselende rooilijn langs de straat. De aanwezige bouwwerken hebben een variëteit in functies en bouwstijlen en grootten. Op zitting heeft het college op het ruime bouwvolume van het partycentrum “Old Dutch” gewezen. In de ruimtelijke onderbouwing is verder De rechtbank constateert dat met het bestreden besluit nog is uitgegaan van de kencijfers van 2018, maar ziet geen aanleiding om daaraan gevolgen te verbinden, gelet op de toelichting van het college dat de gehanteerde norm ook past binnen de kencijfers van 2024 die kenbaar waren ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat het college niet van een parkeerbehoefte van 1,2 parkeerplaats per appartement heeft mogen uitgaan. Nu sprake is van 24 appartementen heeft het college terecht vastgesteld dat het project een parkeerbehoefte van 29 parkeerplekken kent. 9.6. Uit de bij de aanvraag horende stukken volgt dat met het project wordt voorzien in 29 parkeerplekken. De parkeerplaatsen worden voor het grootste gedeelte gerealiseerd op het perceel met de bestemming ‘Detailhandel’. Dat is het perceel van vergunninghoudster. Een deel van de parkeerplaatsen is daar al aanwezig. Deze aanwezige parkeerplaatsen waren bestemd (feitelijk en planologisch) voor de op het perceel aanwezige (detailhandel)bedrijven. De rechtbank volgt het college dat deze parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het eigen terrein dat bij het project hoort. Dat deze parkeerplaatsen voor een klein deel op gemeentegrond liggen en dat de gerealiseerde plaatsen enige tijd zijn gebruikt door derden, doet daar in dit geval niet aan af. 9.7. Tot slot leidt het betoog van eisers dat er een bestaand parkeerprobleem is niet tot een ander oordeel. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij het beoordelen van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid een bestaand tekort buiten beschouwing wordt gelaten. Waardedaling 10. Eiseres 2 en eiser 3 voeren aan dat het project leidt tot waardedaling van hun woningen. 10.1. In de ‘nota zienswijzen en commentaar’ stelt het college dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het project een negatieve invloed op de woningwaarde zal hebben. Het college wijst verder op de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om planschade. 10.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat de eventueel nadelige invloed van het project op de waarde van de woningen van eiseres 2 en eiser 3, ziet de rechtbank in wat eiseres 2 en eiser 3 hebben aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan de belangen die zijn gediend met het bestreden besluit. Bovendien wijst het college er terecht op dat voor het afhandelen van eventuele schade als gevolg van het plan een aparte procedure bestaat. Conclusie en gevolgen 11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom de betaalde griffierechten niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afde