Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-01-29
ECLI:NL:RBNNE:2026:260
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,059 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:260 text/xml public 2026-02-12T15:19:03 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-29 25/645 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021206 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:260 text/html public 2026-02-12T07:43:06 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:260 Rechtbank Noord-Nederland , 29-01-2026 / 25/645 Als bezwaar aangemerkte suppletieaangifte omzetbelasting is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Vergoeding griffierecht vanwege procedurele onduidelijkheden. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/645 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zwolle, de inspecteur gemachtigde: [naam 1] . Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024. 1.1. Eiser heeft met dagtekening 1 februari 2024 een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend over 2019 en daarin € 9.362 aan omzetbelasting teruggevraagd. 1.2. De inspecteur heeft de onder 1.1. vermelde suppletieaangifte als bezwaar aangemerkt en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] . Feiten 2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 2.1. Eiser heeft in 2019 kwartaalaangiften voor de omzetbelasting gedaan. 2.2. Eiser heeft op 1 februari 2024 de in 1.1. genoemde (negatieve) suppletieaangifte omzetbelasting ingediend. 2.3. In zijn e-mail van 13 november 2024 heeft de inspecteur aan eiser het volgende geschreven: “ Suppletie omzetbelasting 2019 U heeft op 1 februari 2024 een suppletie ingediend over het jaar 2019. Dit is niet binnen de wettelijke termijn gebeurd van 8 weken na betaling van de belasting over dat tijdvak. Dit betekent dat u niet ontvankelijk bent in het verzoek om teruggaaf. Uw kunt dan geen beroep tegen deze beslissing instellen bij de Rechtbank anders dan tegen de nietontvankelijkheid. ” 2.4. Bij e-mail van 2 december 2024 heeft de inspecteur aan eiser onder meer geschreven: “ Zoals ik ook al in mijn email van 13 november jl. heb aangegeven kom ik niet tegemoet aan uw verzoek om teruggaaf. U ontvangt hiervoor nog een aparte brief en een beschikking. In de beschikking staat ook vermeld hoe u eventueel bezwaar tegen mijn beslissing kunt maken. ” 2.5. Bij de motivering van de afwijzing van het verzoek om teruggaaf omzetbelasting van 3 december 2024 heeft de inspecteur het volgende geschreven: “ Een verzoek om teruggaaf is op tijd als het binnen 1 maand na afloop van het aangiftetijdvak is ingediend. Omdat dit niet het geval is, is het verzoek te laat ingediend. daarom verklaar ik uw verzoek niet-ontvankelijk. (…) U kunt alleen bezwaar maken tegen mijn beslissing om uw verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Wacht daarmee tot u de beschikking hebt gekregen. (…) Beslissing: u krijgt geen teruggaaf Ik verklaar uw verzoek niet-ontvankelijk en kom ambtshalve niet aan uw verzoek tegemoet. U krijgt daarom géén teruggaaf. Bent u het niet eens met deze beslissing? Omdat ik uw verzoek niet-ontvankelijk verklaar, kunt u geen bezwaar maken tegen mijn beslissing op uw verzoek om btw-teruggaaf. Ook niet als u de beschikking hebt gekregen. Deze krijgt u binnenkort. U kunt alleen bezwaar maken tegen mijn beslissing om uw verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Wacht daarmee tot u de beschikking hebt gekregen. ” 2.6. Bij e-mail van 4 december 2024 heeft de inspecteur aan eiser onder meer geschreven: “ In onderstaande e-mail van 2 december jl heb ik per ongeluk vermeld: “In de beschikking staat ook vermeld hoe u eventueel bezwaar tegen mijn beslissing kunt maken.” Dat moet zijn:“In de beschikking staat ook vermeld hoe u eventueel beroep tegen mijn beslissing kunt maken. De door u ingediende suppletie over het jaar 2019 is aan te merken als een bezwaar tegen de ingediende aangiften omzetbelasting over het jaar 2019. Mijn beslissing is dus een uitspraak op het bezwaar. Tegen deze beslissing kunt u niet nogmaals in bezwaar komen, maar eventueel wel in beroep gaan. Excuses voor de ontstane verwarring. ” 2.7. Met dagtekening 20 december 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij heeft de inspecteur geschreven: “ U heeft bij de Belastingdienst een bezwaarschrift ingediend tegen het bedrag dat u heeft betaald op basis van uw aangifte(n) over 1 januari 2019 t/m 31 december 2019. U heeft het bezwaarschrift niet binnen de gestelde termijn ingediend. U bent hierdoor nietontvankelijk in het bezwaar. Dit houdt in dat u geen beroep kunt aantekenen tegen de inhoudelijke beslissing maar wanneer u meent dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, kunt u nog in beroep gaan tegen de niet-ontvankelijk verklaring. De inspecteur komt niet aan het bezwaar tegemoet. Het bezwaar is ongegrond. Voor de motivering verwijs ik naar mijn brief van 3 december 2024. Als u het niet eens bent met de uitspraak op het bezwaarschrift, kunt u ertegen in beroep gaan bij de rechtbank. ” Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die van mening is dat hij recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting over het jaar 2019. 4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de suppletieaangifte als bezwaar mocht aanmerken en dit bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. De rechtbank overweegt dat de inspecteur de onder 1.1. vermelde suppletieaangifte heeft gekwalificeerd als een bezwaarschrift tegen de eerdere voldoening op aangifte van de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. De inspecteur heeft dit ter zitting bevestigd. Eiser heeft tegen deze kwalificering geen gronden aangevoerd. De inspecteur heeft ter zitting eveneens bevestigd dat zijn uitspraak op het bezwaar inhoudt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. 6. De rechtbank overweegt verder dat volgens artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift (de bezwaartermijn) zes weken bedraagt. Volgens artikel 22j, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), voor zover hier van belang, vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die van de voldoening op aangifte. 7. Volgens artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Volgens artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 8. Volgens artikel 19, eerste lid, van de AWR, voor zover hier van belang, is de belastingplichtige in gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden belasting op aangifte voorschrijft, gehouden de belasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen. De termijn voor de voldoening op aangifte eindigt in dit geval daarom uiterlijk sop 31 januari 2020. Niet in geschil is dat eiser de omzetbelasting die hij volgens de aangifte over het vierde kwartaal van 2019 is verschuldigd, tijdig op aangifte heeft voldaan. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is daarom uiterlijk geëindigd op 13 maart 2020. Evenmin in geschil is dat de als bezwaar aangemerkte suppletieaangifte op 1 februari 2024 door de inspecteur is ontvangen.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:260 text/xml public 2026-04-09T10:05:04 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-29 25/645 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021206 FutD 2026-0286 V-N Vandaag 2026/308 V-N 2026/16.17.13 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:260 text/html public 2026-02-12T07:43:06 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:260 Rechtbank Noord-Nederland , 29-01-2026 / 25/645 Als bezwaar aangemerkte suppletieaangifte omzetbelasting is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Vergoeding griffierecht vanwege procedurele onduidelijkheden. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/645 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zwolle, de inspecteur gemachtigde: [naam 1] . Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024. 1.1. Eiser heeft met dagtekening 1 februari 2024 een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend over 2019 en daarin € 9.362 aan omzetbelasting teruggevraagd. 1.2. De inspecteur heeft de onder 1.1. vermelde suppletieaangifte als bezwaar aangemerkt en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] . Feiten 2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 2.1. Eiser heeft in 2019 kwartaalaangiften voor de omzetbelasting gedaan. 2.2. Eiser heeft op 1 februari 2024 de in 1.1. genoemde (negatieve) suppletieaangifte omzetbelasting ingediend. 2.3. In zijn e-mail van 13 november 2024 heeft de inspecteur aan eiser het volgende geschreven: “ Suppletie omzetbelasting 2019 U heeft op 1 februari 2024 een suppletie ingediend over het jaar 2019. Dit is niet binnen de wettelijke termijn gebeurd van 8 weken na betaling van de belasting over dat tijdvak. Dit betekent dat u niet ontvankelijk bent in het verzoek om teruggaaf. Uw kunt dan geen beroep tegen deze beslissing instellen bij de Rechtbank anders dan tegen de nietontvankelijkheid. ” 2.4. Bij e-mail van 2 december 2024 heeft de inspecteur aan eiser onder meer geschreven: “ Zoals ik ook al in mijn email van 13 november jl. heb aangegeven kom ik niet tegemoet aan uw verzoek om teruggaaf. U ontvangt hiervoor nog een aparte brief en een beschikking. In de beschikking staat ook vermeld hoe u eventueel bezwaar tegen mijn beslissing kunt maken. ” 2.5. Bij de motivering van de afwijzing van het verzoek om teruggaaf omzetbelasting van 3 december 2024 heeft de inspecteur het volgende geschreven: “ Een verzoek om teruggaaf is op tijd als het binnen 1 maand na afloop van het aangiftetijdvak is ingediend. Omdat dit niet het geval is, is het verzoek te laat ingediend. daarom verklaar ik uw verzoek niet-ontvankelijk. (…) U kunt alleen bezwaar maken tegen mijn beslissing om uw verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Wacht daarmee tot u de beschikking hebt gekregen. (…) Beslissing: u krijgt geen teruggaaf Ik verklaar uw verzoek niet-ontvankelijk en kom ambtshalve niet aan uw verzoek tegemoet. U krijgt daarom géén teruggaaf. Bent u het niet eens met deze beslissing? Omdat ik uw verzoek niet-ontvankelijk verklaar, kunt u geen bezwaar maken tegen mijn beslissing op uw verzoek om btw-teruggaaf. Ook niet als u de beschikking hebt gekregen. Deze krijgt u binnenkort. U kunt alleen bezwaar maken tegen mijn beslissing om uw verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Wacht daarmee tot u de beschikking hebt gekregen. ” 2.6. Bij e-mail van 4 december 2024 heeft de inspecteur aan eiser onder meer geschreven: “ In onderstaande e-mail van 2 december jl heb ik per ongeluk vermeld: “In de beschikking staat ook vermeld hoe u eventueel bezwaar tegen mijn beslissing kunt maken.” Dat moet zijn:“In de beschikking staat ook vermeld hoe u eventueel beroep tegen mijn beslissing kunt maken. De door u ingediende suppletie over het jaar 2019 is aan te merken als een bezwaar tegen de ingediende aangiften omzetbelasting over het jaar 2019. Mijn beslissing is dus een uitspraak op het bezwaar. Tegen deze beslissing kunt u niet nogmaals in bezwaar komen, maar eventueel wel in beroep gaan. Excuses voor de ontstane verwarring. ” 2.7. Met dagtekening 20 december 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij heeft de inspecteur geschreven: “ U heeft bij de Belastingdienst een bezwaarschrift ingediend tegen het bedrag dat u heeft betaald op basis van uw aangifte(n) over 1 januari 2019 t/m 31 december 2019. U heeft het bezwaarschrift niet binnen de gestelde termijn ingediend. U bent hierdoor nietontvankelijk in het bezwaar. Dit houdt in dat u geen beroep kunt aantekenen tegen de inhoudelijke beslissing maar wanneer u meent dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, kunt u nog in beroep gaan tegen de niet-ontvankelijk verklaring. De inspecteur komt niet aan het bezwaar tegemoet. Het bezwaar is ongegrond. Voor de motivering verwijs ik naar mijn brief van 3 december 2024. Als u het niet eens bent met de uitspraak op het bezwaarschrift, kunt u ertegen in beroep gaan bij de rechtbank. ” Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die van mening is dat hij recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting over het jaar 2019. 4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de suppletieaangifte als bezwaar mocht aanmerken en dit bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. De rechtbank overweegt dat de inspecteur de onder 1.1. vermelde suppletieaangifte heeft gekwalificeerd als een bezwaarschrift tegen de eerdere voldoening op aangifte van de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. De inspecteur heeft dit ter zitting bevestigd. Eiser heeft tegen deze kwalificering geen gronden aangevoerd. De inspecteur heeft ter zitting eveneens bevestigd dat zijn uitspraak op het bezwaar inhoudt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. 6. De rechtbank overweegt verder dat volgens artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift (de bezwaartermijn) zes weken bedraagt. Volgens artikel 22j, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), voor zover hier van belang, vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die van de voldoening op aangifte. 7. Volgens artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Volgens artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 8. Volgens artikel 19, eerste lid, van de AWR, voor zover hier van belang, is de belastingplichtige in gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden belasting op aangifte voorschrijft, gehouden de belasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen. De termijn voor de voldoening op aangifte eindigt in dit geval daarom uiterlijk sop 31 januari 2020. Niet in geschil is dat eiser de omzetbelasting die hij volgens de aangifte over het vierde kwartaal van 2019 is verschuldigd, tijdig op aangifte heeft voldaan. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is daarom uiterlijk geëindigd op 13 maart 2020.