Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-14
ECLI:NL:RBNNE:2026:2378
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Verstek Civiel recht AK Kantonrechter Zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer: 11947909 CV EXPL 25-5993 verstekvonnis d.d. 14 april 2026 in de zaak van vennootschap naar het recht van Estland Bondora AS, te Tallin, eisende partij, gemachtigde: Inkassier, uw kenmerk: 25601531, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, tegen wie verstek is verleend. 1 De procedure 1.1. De eisende partij heeft bij dagvaarding, op daarin geformuleerde gronden, gevorderd de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 4.734,62 met rente en kosten. 2 De beoordeling Internationaal karakter 2.1. Nu de eisende partij gevestigd is te Estland, draagt onderhavige procedure een internationaal karakter. Allereerst dient daarom de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de onderhavige vordering kennis te nemen. De vorderingen van de eisende partij zijn gebaseerd op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst. In artikel 16.3 van de op deze kredietovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden is bepaald dat de rechtbanken van Estland niet-exclusief bevoegd zijn. De kantonrechter is van oordeel dat hij bevoegd is en ontleent deze bevoegdheid aan artikel 4 lid 1 herschikte EEX Verordening (EU) nr. 1215/2012, aangezien de gedaagde partij is opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waarin hij woonplaats heeft. Gelet op de woonplaats van de gedaagde partij is de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden bevoegd van de vordering kennis te nemen. 2.2. Met betrekking tot het toepasselijke recht overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 3 Rome I Verordening (EG) 593/2008 wordt de overeenkomst beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. In artikel 16.1 van de algemene voorwaarden is een rechtskeuze opgenomen voor de wetgeving van de Republiek Estland. Om haar moverende redenen wenst de eisende partij de onderhavige vordering naar Nederlands recht te laten beoordelen. De wettelijke bepalingen omtrent consumentenkredieten in titel 2A van Boek 7 BW zijn van (semi)dwingend recht, zodat deze bepalingen van Nederlands recht (ondanks de rechtskeuze van partijen) van toepassing zijn. De kantonrechter zal de vordering dan ook toetsen aan deze (semi)dwingende bepalingen. De vordering 2.3. De hoofdsom is opgebouwd uit de volgende posten: - krediet € 3.801,80; - administratiekosten € 24,83; - “ B Secure” € 104,93; - “ B Secure +” € 70,00; - “ B on Track” € 0,00; - rente betrekking hebbende op de niet betaalde maandtermijnen € 243,07; Totaal € 4.244,63. 2.4. De eisende partij baseert haar vorderingen op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst en een overeenkomst voor aanvullende diensten “B Secure”. De gedaagde partij is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van deze overeenkomsten. De eisende partij heeft de kredietovereenkomst opgezegd en heeft het volledige krediet opgeëist en vordert daarnaast betaling voor de aanvullende diensten. Ambtshalve toetsing consumentenkredietovereenkomst 2.5. Partijen hebben op 4 augustus 2023 een kredietovereenkomst gesloten op grond waarvan de eisende partij aan de gedaagde partij een krediet van € 4.242,00 heeft verstrekt. De overeenkomst is op afstand gesloten. Daarop zijn onder andere de artikelen 7:59 tot en met 7:61 BW en 4:34 Wft van toepassing. Deze artikelen bevatten de omzetting van Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (hierna: Richtlijn consumentenkrediet). Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat, om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplicht is de nationale bepalingen waarin de richtlijnen zijn omgezet, ambtshalve toe te passen. Dat wil zeggen dat de bepalingen ook moeten worden toegepast als de consument daar g