Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-06-03
ECLI:NL:RBNNE:2026:2220
De werkgever heeft ten behoeve van verzoeker toestemming gekregen van de korpschef om (beveiligings)werkzaamheden te mogen verrichten, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Voorlopige voorziening naar aanleiding van de intrekking van de toestemming door de korpschef afgewezen. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/1485 uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2026 in de zaak tussen [naam uit woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: [naam 2] ) en de korpschef van politie (gemachtigde: I. Middelbrink) Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] B.V. , statutair gevestigd te Drachten, de werkgever Samenvatting 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [naam 1] . 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Op 4 april 2022 heeft [bedrijf] B.V. ten behoeve van verzoeker toestemming gekregen van de korpschef om (beveiligings)werkzaamheden te mogen verrichten, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). 2.1. Bij brief van 28 juni 2022 is door de korpschef aan [naam 1] meegedeeld dat de korpschef voornemens is om de verleende toestemming in te trekken. 2.2. Bij brief van 14 juli 2022 heeft [naam 1] een zienswijze naar voren gebracht. 2.3. Bij besluit van 9 augustus 2022 is door de korpschef aan [naam 1] meegedeeld dat de korpschef van mening is dat [naam 1] niet voldoende geschikt is om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Door de feiten en omstandigheden benoemd in dat besluit is bij de korpschef meer dan geringe twijfel ontstaan over de integriteit en betrouwbaarheid van [naam 1] . Daarom is besloten de toestemming op grond van de Wpbr in te trekken. [naam 1] heeft bezwaar gemaakt. 2.4. Bij besluit op bezwaar van 18 januari 2023 is het bezwaar ongegrond verklaard. 2.5. Bij brief van 14 juli 2024 is door de korpschef aan [naam 1] meegedeeld dat [bedrijf] B.V. op 30 november 2023 ten behoeve van hem toestemming heeft gevraagd bij de korpschef om werkzaamheden te mogen verrichten, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr en dat de korpschef het voornemen heeft om die toestemming te weigeren. [naam 1] heeft een zienswijze naar voren gebracht. 2.6. Bij besluit van 10 februari 2025 is door de korpschef aan [naam 1] meegedeeld dat [bedrijf] B.V. ten behoeve van hem op 30 november 2023 toestemming heeft gevraagd bij de korpschef om voor dat bedrijf werkzaamheden te mogen verrichten, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid van de Wpbr en dat de korpschef heeft besloten om die toestemming te verlenen. 2.7. Bij brief van 28 juli 2025 is door de korpschef aan [naam 1] meegedeeld dat de korpschef op 10 februari 2025 aan [bedrijf] B.V. ten behoeve van hem toestemming heeft verleend om voor dat bedrijf werkzaamheden te kunnen verrichten zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr en dat de korpschef het voornemen heeft die toestemming in te trekken. [naam 1] heeft een zienswijze naar voren gebracht. Op 1 oktober 2025 is een zienswijzegesprek gevoerd. 2.8. Bij brief van 28 augustus 2025 is door het Openbaar Ministerie, Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie aan [naam 1] meegedeeld dat, naar aanleiding van het door [naam 1] ingestelde verzet tegen de aan hem opgelegde strafbeschikking, is besloten om hem niet meer te vervolgen en de aan hem opgelegde strafbeschikking in te trekken. Het betreft de zaak met parketnummer [nummer 1] , een proces-verbaal van Politie Groningen, basiseenheid Delfzijl ter zake van 41 tot 45 kilometer per uur harder rijder dan mag op een autosnelweg, gepleegd op 10 november 2022 te Rouveen, gemeente Staphorst (het sepot). 2.9. Bij brief van 29 september 2025 is namens de werkgever een verklaring over [naam 1] opgesteld. 2.10. Bij e-mailbericht verzonden op 6 oktober 2025 door de gemachtigde van [naam 1] aan een medewerker van de korpschef is de zienswijze op het voornemen van 28 juli 2025 aangevuld. 2.11. Bij primair besluit van 17 november 2025 ( [nummer 2] ) is door de korpschef aan [naam 1] meegedeeld dat op 10 februari 2025 door de korpschef aan [bedrijf] B.V. ten behoeve van hem toestemming is verleend om voor dat bedrijf werkzaamheden te kunnen verrichten zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr en dat de korpschef heeft besloten om die toestemming in te trekken. [naam 1] heeft bezwaar gemaakt. 2.12. Bij besluit op bezwaar van 26 maart 2026 ( [nummer 3] ) heeft de korpschef aan de gemachtigde van [naam 1] meegedeeld dat het bezwaar ongegrond is verklaard. 3. [naam 1] heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 3.1. De korpschef heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 3.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de korpschef. Het besluit op bezwaar 4. Aan het besluit op bezwaar is door de korpschef, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd, waarbij met “u” de gemachtigde van [naam 1] is bedoeld en [naam 1] is aangeduid met “belanghebbende”. “Feiten en omstandigheden Voor het verrichte onderzoek naar de betrouwbaarheid van belanghebbende, waarbij onder andere het Justitiële Documentatie Systeem (JDS) en de politiegegevens zijn geraadpleegd, verwijst de korpschef u naar het primaire besluit van 17 november 2025. Bijkomend wijst de korpschef op een nieuw politiegegeven dat hangende de onderhavige procedure naar voren is gekomen: [nummer 4] Op 13 januari 2026 omstreeks 10.00 uur is door twee politieambtenaren een controle bijzondere wetten (Wpbr) uitgevoerd bij [bedrijf] B.V. aan [adres] . Door de politieambtenaren is belanghebbende tijdens de controle in de meldkamer aangetroffen, waar personen werkzaam waren die camerabewaking doen. De politieambtenaren hebben vastgelegd dat belanghebbende werkzaam was met een pas welke is ingetrokken op 17 november 2025. […] De korpschef vat samen dat belanghebbende, ondanks meerdere waarschuwingen en binnen zeer korte tijd na de verleende toestemming, opnieuw tweemaal negatief in beeld is gekomen voor verkeersgerelateerde overtredingen. Daarnaast zijn er voldoende aanwijzingen dat belanghebbende reeds na het besluit tot het intrekken van de toestemming toch (beveiligings)werkzaamheden heeft verricht en hier bovendien niet conform waarheid over heeft verklaard. Ondanks de belangen die u in het bezwaarschrift en tijdens het hoorgesprek naar voren heeft gebracht ziet de korpschef geen aanleiding om het bestreden besluit d.d. 19 juni 2025 [de voorzieningenrechter leest: 17 november 2025] te herroepen. De korpschef meent dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van belanghebbende niet boven iedere twijfel verheven is en de intrekking in dit specifieke geval een passende en noodzakelijke maatregel is die het maatschappelijk belang dat gediend is bij een betrouwbare veiligheidszorg ondersteunt. Uw bezwaar wordt dan ook ongegrond verklaard. Gelet hierop wijst de korpschef uw verzoek om (eventuele) proceskosten te vergoeden af.” 4.1. Kennelijk beoogt de korpschef in het besluit op bezwaar te verwijzen naar de volgende gedragingen, zoals beschreven in het primaire besluit van 17 november 2025, waarbij met “u” [naam 1] is bedoeld. “Feiten Uit onderzoek naar uw betrouwbaarheid, waarbij ik onder andere het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) en politiegegevens heb geraadpleegd, is mij het volgende gebleken. Centrale Verwerking Openbaar Ministerie [nummer 5] Op 14 juni 2025 werd er tegen u proces verbaal opgemaakt terzake het overtreden van art 20 ahf/ond a Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (overtreden van de maximumsnelheid). Door een politieagent werd geconstateerd dat u met een gecorrigeerde snelheid van 90 km per uur reed daar waar 50 km per uur was toegestaan. Deze overtreding werd gepleegd binnen de bebouwde kom op zaterdag 14 juni omstreeks 17:14 uur. U heeft ten tijde van de staande houding geen verklaring afgelegd. U heeft hiervoor een strafbeschikking opgelegd gekregen van EURO 650,-- CJIB [nummer 6] Op 25 maart 2025 werd tegen u proces verbaal opgemaakt terzake het overtreden van de maximumsnelheid. Door een politieagent werd geconstateerd dat u met een gecorrigeerde snelheid van 66 km per uur reed daar waar 50 km per uur was toegestaan. Deze overtreding werd gepleegd binnen de bebouwde kom op dinsdag 25 maart 2025 omstreeks 13:00 uur. U heeft ten tijde van de staande houding geen verklaring afgelegd. […] Feiten welke benoemd stonden in het voornemen van juli 2024 Justitieel Documentatie Systeem: CJIB [nummer 7] Op 10 november 2022 heeft u het volgende artikel overtreden, art. 62 jo bord A1 RVV 1990: weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Verkeersborden zijn, evenals verkeerslichten en verkeerstekens op het wegdek verkeerstekens. Op 26 januari 2023 heeft u, door het CJIB daarvoor een strafbeschikking opgelegd gekregen, te weten een geldboete van EURO 500,--. CJIB [nummer 8] Op 23 augustus 2022 bent u staande gehouden voor art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 U heeft een voertuig bestuurd zonder geldig rijbewijs. Op 5 september 2022 heeft u, door het CJIB daarvoor een beschikking opgelegd gekegen, te weten een geldboete van EURO 260,--. Politieregistraties: [nummer 9] Op 10 december 2023 krijgt de meldkamer een melding van de wegbeheerder van Rijkswaterstaat die met Prio 1 onderweg was naar een voorwerp op de weg. De wegbeheerder reed ongeveer 145 km/u over de A7 rechts. Hij geeft aan dat hij tussen Tjalleberd en het tankstation Gorredijk hinderlijk werd gevolgd door een zwarte Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [kenteken] op uw naam geregistreerd. Politiefunctionarissen hebben naar uw voertuig uitgekeken en hebben u nadat ze u aantroffen u hierop aangesproken. U deed eerst alsof u niet wist waar het om ging. De politiefunctionarissen hebben u toen duidelijk gemaakt dat dit rijgedrag absoluut niet kan en wat de gevaarzetting hierin is. U bekende later dat het dom was wat u had gedaan. Politiefunctionarissen hebben u een waarschuwing gegeven en verteld dat u goed om uw rijgedrag moet denken als u uw rijbewijs langer wilt behouden. [nummer 10] Op 18 mei 2023 bent u staande gehouden voor het negeren van rood licht. U heeft hiervoor een politiebeschikking gekregen. [nummer 11] Op 23 oktober 2022 bent u staande gehouden omdat u met het motorvoertuig reed op een door bord G11 RVV 1990 aangeduid weggedeelte dat is bestemd voor het verkeer van fietsers, zijnde een fietspad. U heeft voor deze overtreding een politiebeschikking ontvangen. [nummer 12] Op 23 augustus 2022 heeft u een politie beschikking gekregen voor het overschrijden van de maximale toegestane snelheid op een bromfiets. [nummer 12] Op 22 april 2022 is er tijdens een onderzoek naar handel in soft- en harddrugs door de politie een mobiele telefoon in beslag genomen. Uit de veiliggestelde data op dit toestel bleek dat er meerde [sic] malen contact is geweest met het telefoonnummer: [telefoonnummer] . Dit is het telefoonnummer wat u had opgegeven als uw telefoonnummer op het aanvraagformulier voor uw toestemming Wpbr. Uit onderzoek van het inbeslaggenomen telefoontoestel bleek dat er over en weer contact is geweest tussen u en de eigenaar van dit toestel. Verkort en zakelijk weergegeven werden er op diverse data in januari en februari 2022 gesprekken gevoerd waarbij om pillen, lsd, hasj en pep werd verzocht. Er wordt gesproken over bedragen en betalingen tussen u en de eigenaar van het toestel.” Het verzoek om een voorlopige voorziening 5. [naam 1] heeft de voorzieningenrechter verzocht om: - De werking van het bestreden besluit van 26 maart 2026 te schorsen totdat op het beroep is beslist. - Te bepalen dat hij gedurende de schorsing zijn werkzaamheden als beveiliger mag voortzetten. - De korpschef te veroordelen in de proceskosten van [naam 1] . 5.1. Ter zitting is het verzoek aangevuld in de zin dat [naam 1] ook schorsing van de werking van het primaire besluit van 17 november 2025 beoogt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 6. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. 7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de korpschef de “Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019” heeft toegepast (de beleidsregels). De voorzieningenrechter overweegt dat paragraaf 3.3. van de beleidsregels, getiteld “Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden”, alleen ziet op het onthouden van een (nog te verlenen) toestemming, zoals bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wbpr. Aangezien het intrekken van een reeds verleende toestemming, een voldoende verwante bevoegdheid is, is daarin geen aanleiding gelegen om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de korpschef een belangenafweging heeft verricht in het besluit op bezwaar. De korpschef heeft aldus onderkend dat intrekking van de toestemming zoals bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr een discretionaire bevoegdheid is, anders dan het onthouden van toestemming. 8. De relevante wetgeving en de relevante delen van de genoemde beleidsregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 9. Tussen partijen is in geschil of hetgeen is geconstateerd op 13 januari 2026 ( [nummer 4] ) aan [naam 1] kan worden toegerekend. Daarnaast is tussen partijen in geschil of hetgeen de korpschef ten grondslag heeft gelegd aan het besluit op bezwaar door hem terecht is gekwalificeerd als een situatie waarin [naam 1] er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde, zoals bedoeld in paragraaf 3.3. van de beleidsregels. 10. De voorzieningenrechter overweegt dat het beleid dat door de korpschef op dit punt wordt gehanteerd niet per se vergt dat betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde, zie daartoe het volgende citaat uit paragraaf 3.3. van de beleidsregels. “Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name - maar niet uitsluitend [nadruk voorzieningenrechter] - het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. De frase “maar niet uitsluitend” betekent naar voorlopig oordeel dat onder omstandigheden de toestemming kan worden ingetrokken, ook als zich niet de situatie heeft voorgedaan waarin [naam 1] er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde, in de zin van de beleidsregels. 11. De voorzieningenrechter overweegt dat [naam 1] uitdrukkelijk is gewaarschuwd in het besluit van 10 februari 2024, waaruit het volgende citaat afkomstig is. “Besluit Ik ben van mening dat deze gehele procedure vanaf het moment van aanvraag tot het moment van besluit een redelijke termijn zeer ernstig is overschreden. Ook ben ik het met u eens dat de verkeersfeiten welke genoemd werden niet vallen onder “tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde”. Wel ben ik van mening dat bij ernstige overschrijding van de maximale snelheid, het door rood rijden en het volgens [sic] van het voertuig van Rijkswaterstaat een gevaarsetting [sic] is waarbij u uzelf en medeweggebruikers in gevaar kunt brengen. Dit gedrag is niet passend bij een beveiliger en ik verwacht dan ook dat u zich aan de geldende rechtsregels zult gaan houden. Ook bent u inderdaad niet meer in aanraking geweest met politie en/of justitie omtrent verdovende middelen. Ik ga er dan ook vanuit dat deze geen onderdeel meer van uw leven uitmaken. In de zienswijze werd mij duidelijk dat u op het vlak van verdovende middelen uw leven gebeterd hebt. Ook ga ik ervan uit dat mijn waarschuwing omtrent de verkeer gerelateerde strafbare feiten voldoende duidelijk is geworden en dat u ook op dat vlak persoonlijke groei zult laten zien. Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden heb ik besloten de toestemming te verlenen. Dat uw toestemming alsnog wordt verleend, houdt echter niet in dat uw gedragingen acceptabel zijn binnen de beveiligingsbranche. Een beveiliger dient zich te allen tijde te houden aan de geldende rechtsregels. Daarom dient u dit besluit te beschouwen als een schriftelijke waarschuwing welke ook als zodanig zal worden geregistreerd in uw dossier. [onderstreping door de korpschef in dat besluit] Voor de volledigheid wijs ik u er nadrukkelijk op dat wanneer er in de toekomst incidenten plaatsvinden welke afbreuk doen aan uw betrouwbaarheid, deze aanleiding kunnen vormen om uw toestemming alsnog te heroverwegen.” 12. Voorts heeft de voorzieningenrechter bij zijn voorlopig oordeel betrokken dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie tot uitdrukking heeft gebracht dat de korpschef beoordelingsruimte toekomt bij de beoordeling of een betrokkene voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche mogen hogere eisen worden gesteld dan aan die in andere branches. Dit betekent dat de korpschef mag eisen dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven zijn, aldus de ABRvS. 13. In het licht van het voorgaande zijn de persoonlijke omstandigheden van [naam 1] naar voorlopig oordeel niet zodanig zwaarwegend dat de korpschef zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van [naam 1] zodanig in het geding is dat intrekking van de toestemming bedoeld in artikel 7, vijfde lid van de Wbpr passend en geboden was. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om de werking van de besluiten van 17 november 2025 en 26 maart 2026 te schorsen. Conclusie en gevolgen 14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage: Relevante wetgeving en de relevante delen van de “Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019” Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: a-b. […] c. beveiligingswerkzaamheden: het bewaken van de veiligheid van personen en goederen of het waken tegen verstoring van de orde en rust op terreinen en in gebouwen; d. beveiligingsorganisatie: een door een of meer personen in stand gehouden particuliere organisatie die gericht is op het verrichten van beveiligingswerkzaamheden; e-j. […] 2-5. […] Artikel 7 1. […] 2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. […] 3. […] 4. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. […] 5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend. 6-8. […] Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 3.3. Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van: a. […] b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten. […] Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name - maar niet uitsluitend - het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Sepots, processen-verbaal en mutaties Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat. Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren. […] . Stcrt. 2019, 19733 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-19733.pdf) . Vgl. rov. 6.2. van de uitspraak van de ABRvS van 29 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2429).