Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-18
ECLI:NL:RBNNE:2026:1963
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/660 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen [naam uit woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D.E. de Hoop), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het Uwv, (gemachtigden: mr. D. de Jong en L. van Straaten). Samenvatting Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering en ZW-uitkering van eiser met terugwerkende kracht heeft herzien en teruggevorderd, omdat hij geen werknemer was in de zin van de WW en de ZW en daarom niet verzekerd was voor deze wetten. Daarnaast ligt voor of het Uwv terecht geen WIA-uitkering aan eiser heeft toegekend, omdat hij niet verzekerd was voor de Wet WIA. Tot slot is het de vraag of het Uwv terecht geen dringende redenen heeft gezien om van herziening en terugvordering af te zien. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv een juist besluit op het bezwaar heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Wel krijgt hij een vergoeding voor de in beroep gemaakte proceskosten en een vergoeding voor het betaalde griffierecht, omdat het Uwv pas op de zitting inhoudelijk heeft gereageerd op de bezwaargronden. Inleiding en procesverloop 1. Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Eiser is op 1 januari 2020 in dienst getreden bij [bedrijf 1] B.V. ( [afkorting bedrijf 1] ) in de functie van vervoersmanager. Het dienstverband is vanaf 1 januari 2021 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dezelfde functie voortgezet bij [afkorting bedrijf 1] . 1.2. Eiser heeft op 28 januari 2022 na beëindiging van het dienstverband een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Met het besluit van 1 februari 2022 heeft het Uwv hem vanaf 3 januari 2022 een WW-uitkering toegekend. Met een brief van 25 februari 2022 heeft het Uwv hem laten weten dat zijn WW-uitkering op 2 april 2022 stopt. 1.3. Op 29 maart 2022 heeft eiser zich vanuit de WW ziekgemeld. Met het besluit van 11 april 2022 heeft het Uwv hem vanaf 4 april 2022 een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW). 1.4. Met het besluit van 4 mei 2022 heeft het Uwv de WW-uitkering van eiser per 3 april 2022 beëindigd (lees: ingetrokken). 1.5. Nadat eiser op 7 januari 2024 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 12 februari 2024 gesteld dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor een vereenvoudigde beoordeling en dat recht bestaat op een WIA-uitkering. 1.6. Met het besluit van 26 februari 2024 heeft het Uwv de ZW-uitkering van eiser beëindigd per 26 maart 2024. 1.7. In het kader van een controle op de juistheid van de gegevens in de polisadministratie heeft de afdeling Handhaving van het Uwv in juli 2023 onderzoek gedaan naar (het bestaan van) de dienstbetrekking tussen eiser en [afkorting bedrijf 1] . In dat kader heeft een gesprek plaatsgevonden met een voormalig bestuurder van [afkorting bedrijf 1] , eiser en een getuige (ex-werknemer) . Verder zijn onder meer salarisstrookjes en bankafschriften bij eiser opgevraagd. Ook heeft het Uwv Suwinet en het register van het Kadaster geraadpleegd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport van 17 april 2024. Daarin is het Uwv tot de conclusie gekomen dat eiser niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest en daardoor niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. 1.8. Met het besluit van 1 mei 2024 (besluit 1) heeft het Uwv eiser laten weten dat het besluit van 1 februari 2022 komt te vervallen en wordt vervangen door een nieuw besluit. Het nieuwe besluit houdt in dat eiser vanaf 3 januari 2022 geen WW-uitkering krijgt, omdat uit onderzoek is gebleken dat geen sprake was van een privaa Verder heeft het Uwv ten onrechte gesteld dat feitelijk tussen eiser en zijn echtgenote een arbeidsrelatie bestaat en dat niet is gebleken van een feitelijke gezagsverhouding. Daarnaast is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd, omdat het Uwv niet is ingegaan op de gronden van bezwaar. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat eiser niet als werknemer kan worden aangemerkt, dan heeft het Uwv op basis van de Beleidsregels de WW- en de ZW-uitkering niet met terugwerkende kracht kunnen herzien. Het kon eiser ten tijde van het indienen van de aanvragen voor een WW- en ZW-uitkering redelijkerwijs niet duidelijk zijn dat hij later niet als werknemer aangemerkt zou worden. Verder zijn er dringende redenen om van herziening en terugvordering van de WW- en de ZW-uitkering af te zien. De (financiële) gevolgen van de terug- en invordering zijn voor eiser onevenredig groot en disproportioneel. Ook heeft de terug- en invordering gevolgen voor zijn gezondheid. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de verklaring van zijn psychotherapeut van 27 november 2025. 3. Het Uwv stelt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en een arbeidsverhouding waarbij eiser werkzaam was onder het gezag van een werkgever. Het algemene beeld is dat eiser tezamen met zijn echtgenote [naam 2] , onder de vlag van [afkorting bedrijf 1] , actief was als transportondernemer en dat hij niet was onderworpen aan werkgeversgezag. Het Uwv mag, als er geen sprake is van een dienstverband, met toepassing van de Beleidsregels met terugwerkende kracht de eerdere WW- en ZW-uitkering herzien, als de uitkering ten onrechte is toegekend. Het Uwv stelt dat geen sprake is van een onvoorwaardelijke gedane toezegging door de arbeidsdeskundige inhoudende dat eiser in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Bij de beoordeling van de aanvragen voor een WW- en de ZW-uitkering was er verder geen concreet signaal om op dat moment al onderzoek te doen naar de aard van de arbeidsverhouding van eiser bij [afkorting bedrijf 1] . De overgelegde verklaring van [naam 3] van 9 augustus 2024 stelt het Uwv ter discussie, omdat niet duidelijk is wat zijn positie is. Het Uwv ziet in het door eiser aangevoerde geen reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Toetsingskader 4. Uit de wet volgt dat iemand verzekerd moet zijn voor de WW, de ZW en de WIA om in aanmerking te komen voor een WW-, ZW- en WIA-uitkering. Dat is het geval als de aanvrager als werknemer kan worden beschouwd in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW, artikel 3, eerste lid, van de ZW en artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA. Daarbij is het de vraag of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van (1) een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, (2) een gezagsverhouding en (3) een verplichting tot het betalen van loon. 4.1. Als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding geldt of kan worden gezegd dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de werkgever en dat de werkgever bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en de resultaten van het werk. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht de WW- en de ZW-uitkering van eiser met terugwerkende kracht heeft herzien en teruggevorderd, omdat hij niet als werknemer was verzekerd voor de WW en de ZW. Zij beoordeelt verder of het Uwv terecht geen WIA-uitkering aan eiser heeft toegekend. Tot slot beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht geen dringende redenen heeft gezien om van herziening en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering af te zien. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die hierna afzonderlijk zullen worden besproken e vermelde onderzoeksbevindingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen gezagsverhouding bestond tussen eiser en zijn echtgenote. In het bestreden besluit heeft het Uwv toereikend gemotiveerd dat de omstandigheid dat eiser een arbeidsovereenkomst had met [afkorting bedrijf 1] niet maakt dat er ook feitelijk sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In dit verband heeft het Uwv gesteld dat de echtgenote van eiser enig aandeelhoudster was van [stichting] B.V., die op haar beurt weer enig aandeelhouder is van [bedrijf 3] B.V en dat [bedrijf 3] B.V. enig aandeelhouder was van [afkorting bedrijf 1] . Op de zitting heeft het Uwv hierover toegelicht dat er feitelijk tussen eiser en zijn echtgenote een arbeidsrelatie bestaat en dat uit het onderzoek niet is gebleken dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en zijn echtgenote. Daarbij heeft het Uwv van belang geacht dat eiser en zijn echtgenote vrij waren in de invulling van de werkzaamheden en de tijdstippen waarop deze werden uitgevoerd. Daarnaast heeft het Uwv in het verweerschrift omstandigheden genoemd die duiden op een verstrengeling van persoonlijke en zakelijke belangen en een zekere mate van verwevenheid met andere vennootschappen, waarbij eiser of zijn echtgenote (in)direct betrokken is. De rechtbank volgt het Uwv hierin en in wat het daarover in het verweerschrift heeft uiteengezet. De stelling van eiser dat zijn echtgenote directeur/bestuurder is van de Stichting en geen aandeelhoudster en dat zij niet zelf de aandelen bezit, leidt niet tot een ander oordeel. Het niet bezitten van aandelen wil nog niet zeggen dat er ten tijde van belang sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn echtgenote. Daarbij is van belang dat het Uwv in het aanvullend verweerschrift heeft gesteld dat [bedrijf 3] B.V. in de periode van 23 september 2016 tot 15 juni 2020 de enige bestuurder was van [afkorting bedrijf 1] en dat de echtgenote van eiser in die periode niet alleen via het uitoefenen van haar stemrecht zeggenschap had over [afkorting bedrijf 1] , maar ook (indirect) als bestuurder van [afkorting bedrijf 1] . De rechtbank volgt het Uwv hierin en acht het aannemelijk dat er geen gezagsverhouding bestond tussen eiser en zijn echtgenote. Eiser heeft hiertegen vervolgens te weinig aangevoerd om aan te nemen dat dit anders is. Omdat het Uwv terecht heeft gesteld dat er geen gezagsverhouding bestond tussen eiser en zijn echtgenote behoeven de beroepsgronden die zien op de gezagsverhouding tussen hem en [afkorting bedrijf 1] , geen bespreking meer. Motivering van het bestreden besluit 5.7. Over het standpunt van eiser dat het Uwv in het bestreden besluit niet op alle gronden is ingegaan, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft in de gronden van het bezwaar van 17 oktober 2024 aangevoerd dat niet duidelijk is wat de redenen waren voor de start van het onderzoek naar het bestaan van de dienstbetrekking van eiser bij [afkorting bedrijf 1] . Hij heeft in zijn bezwaarschrift ook gesteld dat door het Uwv op geen enkele wijze is aangetoond dat er feitelijk geen sprake is van een gezagsverhouding en dat het Uwv ten onrechte aanneemt dat geen sprake is van een arbeidsrechtelijke relatie als bedoeld in artikel 3 van de WW. Dit terwijl de bewijslast wel op het Uwv rust, aldus eiser. De rechtbank stelt vast dat – zoals op de zitting aan de orde is gesteld – het Uwv in het bestreden besluit inderdaad niet op alle bezwaargronden van eiser is ingegaan. Zij ziet echter aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet had voorgedaan, zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Van belang hierbij is dat de gemachtigde van eiser op de zitting inhoudelijk heeft kunnen reageren op het standpunt van het Uwv daarover en dat ook heeft gedaan. Toezegging arbeidsdeskundige – vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel 5.8. Voor wat Dat de gemachtigde van eiser op de zitting heeft gesteld dat het eiser ten tijde van het ontvangen van de uitkeringen redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat hij daarop – achteraf gezien – geen recht had, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dat geldt ook voor het standpunt van eiser dat het Uwv niet terug kan komen van een eenmaal toegekende WW- en ZW-uitkering. Anders dan eiser stelt, is het terugkomen van de eerdere toekenningsbesluiten niet in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Terugvordering – dringende redenen 5.11. Artikel 36, eerste lid, van de WW en artikel 33, eerste lid, van de ZW verplichten het Uwv om terug te vorderen wat onverschuldigd is betaald. De bevoegdheid om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien is op grond van het zesde lid van deze artikelen beperkt tot situaties waarin dringende redenen aanwezig zijn. 5.12. In zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de CRvB zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De CRvB ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. 5.13. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen. Het Uwv heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Niet is gebleken dat het Uwv een aandeel heeft gehad in de oorzaak van de terugvordering dan wel dat de vordering door toedoen van het Uwv is opgelopen. Daarvoor is van belang dat het Uwv in juli 2023 onderzoek heeft gedaan naar de aard van de dienstbetrekking van eiser bij [afkorting bedrijf 1] en dat dit onderzoek heeft geleid tot het onderzoeksrapport van 17 april 2024. Zoals hiervoor onder 5.2. is overwogen, was er voor het Uwv geen aanleiding om eerder dan in juli 2023 onderzoek te doen. De oorzaak van de terugvordering is gelegen in het feit dat eiser bij het indienen van de aanvragen voor een WW- en ZW-uitkering had moeten melden dat hij als ondernemer optrad. Dit heeft het Uwv in het verweerschrift gesteld en op de zitting toegelicht. Omdat eiser niet heeft gemeld dat hij als ondernemer optrad, is aan hem achteraf bezien ten onrechte een WW- en ZW-uitkering toegekend. De oorzaak van de terugvordering ligt dus bij eiser en niet bij het Uwv. 5.14. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering voor eiser is van belang dat hij momenteel niets terug hoeft te betalen aan het Uwv. Het Uwv heeft daarmee voldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering. Dat eiser ernstige psychische klachten heeft, levert geen dringende reden op om van terugvordering af te zien. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat bij zijn behandeling de diagnose PTSS is gesteld en dat de kans klein is dat hij in de toekomst nog werkzaamheden kan verrichten. De rechtbank voegt daaraan het volgende toe. Het Uwv heeft op de zitting gesteld dat in de verklaring van de psychotherapeut van 27 november 2025 een concrete diagnose mist en dat het feitelijke ziekteverloop niet voldoende concreet is. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat er op dit moment onvoldoende informatie aanwezig is over de psychische klachten van eiser om aan te kunnen nemen dat er dringende redenen aanwezig zijn. In dit verband heeft het Uwv op de zitting aangegeven dat als er een diagnose gesteld wordt en het ziekteverloop geconcretiseerd wordt én er daarbij een relatie is met de besluitvorming, dit mogelijk gevolgen kan hebben voor de hoogte van de terugvordering en dit mogelijk zou kunnen leiden tot matiging van de terugvord