Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-27
ECLI:NL:RBNNE:2026:193
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18.094693.25 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 23.002365.21 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. Stegerhoek, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma. Tenlastelegging Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. hij, op of omstreeks de periode van 11 tot en met 24 oktober 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Oisterwijk en/of Eersel en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, enig geldbedrag(en) en/of sieraden, elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een of meer ander(en) toebehoorde(n), te weten aan: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels te weten door (telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en/of medewerker van een bank, tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en/of dat sieraden en/of contant geld gescand en/of veilig gesteld moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de sieraden en/of contant geld klaar moest leggen en/of verdachte en/of medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te (laten) gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en/of sieraden en/of contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie mee te nemen; subsidiair indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of anderen op of omstreeks de periode van 11 oktober tot en met 24 oktober 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Oisterwijk en/of Eersel en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of anderen, althans alleen, sieraden en/of contant geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander dan aan die [verdachte] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die [verdachte] en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen, en/of door een samenweefsel van verdichtsels door (telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en/of medewerker van een ba dat sieraden en/of contant geld gescand moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de sieraden en/of contant geld klaar moest leggen en/of verdachte en/of medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te (laten) gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en/of - sieraden en contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie af te geven, waardoor die perso(o)n(en)/aangever(s) werd/werden bewogen tot voornoemde afgifte en/of het voornoemde ter beschikking stellen, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks de periode van 11 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Oisterwijk en/of Eersel, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door de adressen van aangevers door te geven aan medeverdachten en/of de medeverdachten aan te sturen over de valse hoedanigheid en/of de buit te innen; hij in of omstreeks de periode van 22 september 2024 tot en met 18 november 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Eersel en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht en/of diefstal met een valse sleutel als bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. primair ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , voor het onder 2. primair ten aanzien van aangever [slachtoffer 6] en het onder 3. ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de bewijsmiddelen en dan met name uit de Snapchatberichten volgt dat verdachte deel uitmaakt van de groep verdachten die de delicten ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gepleegd en dat hij is betrokken bij de delicten die op 14 oktober 2024 zijn gepleegd. Verdachte zou medeverdachte [medeverdachte 2] die dag overnemen, maar dan in de rol van chauffeur. Hij zou hiervoor naar Lemmer komen en heeft dat ook daadwerkelijk gedaan. Tevens zou hij op een nader afgesproken locatie de buit van medeverdachte [medeverdachte 2] in ontvangst nemen. Uit de Snapchatberichten en uit de mastgegevens blijkt dat verdachte ten tijde van het plegen van de delicten ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , die op 17 oktober 2024 en 24 oktober 2024 hebben plaatsgevonden, in de directe omgeving van de pleegplaatsen is geweest. Voorts blijkt uit de chatberichten dat verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding van de delicten, door het vragen naar de naam en de code en het adres waar ze naartoe moesten gaan en tijdens de uitvoering in de rol als chauffeur en het geven van instructies aan de nepagent ter plaatse. Hiermee heeft hij een substantiële bijdrage geleverd aan de delicten en is er sprake van medeplegen. Aangever [slachtoffer 6] is door oplichtingsmiddelen bewogen tot afgifte van de goederen, zodat hier sprake is van medeplegen van oplichting. Bij de andere aangevers zijn de goederen weggenomen, hetgeen oplevert diefstal in verenging, waarbij de schuldige zich door oplichtingsmiddelen de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het goed hie Ook in de voorbereiding hiervan had hij geen rol. Dat verdachte kennis nam van de delicten via de Snapchatberichten in de groep doet daar niet aan af. De rechtbank acht daarom niet bewijsbaar dat sprake is van medeplegen bij de delicten gepleegd op 14 oktober 2024. Evenmin acht de rechtbank bewezen dat verdachte bij deze door anderen gepleegde feiten behulpzaam is geweest en dat daarmee sprake is geweest van medeplichtigheid bij deze feiten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1. primair, 1. subsidiair, 2. primair, 2. subsidiair ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ten laste gelegde. Bewijsmiddelen De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast. Uit de aangifte van [slachtoffer 4] , wonende [adres] , blijkt dat zij op 17 oktober 2024 omstreeks 14.45 uur werd gebeld door een vrouw, die haar vertelde dat ze [naam 2] van de politie in Maastricht was. De vrouw vertelde dat de politie een auto had gecontroleerd en de twee daarin zittende mannen had aangehouden. In deze auto lag een briefje waarop meerdere namen stonden, waaronder de naam en het adres van aangeefster. De vrouw zei dat ze moesten controleren of het goed was met aangeefster, omdat er bij haar in de buurt meerdere inbraken bij oudere mensen waren gepleegd. Een man met de naam [naam 9] met dienstnummer [nummer] nam vervolgens ook deel aan het telefoongesprek. De vrouw zei dat er een politieman in burger langs zou komen. Hij kon zich legitimeren met dienstnummer [nummer] . Om 15.50 uur ging de deurbel en er stond een man voor de deur. Hij vroeg waar het geld en de sieraden lagen. Hij pakte aangeefster haar portemonnee met daarin 3.000,-- en vervolgens zei hij dat hij de sieraden moest fotograferen voor de verzekering. Aangeefster opende het sieradenkistje en de man pakte hieruit een gouden ketting. Hij zei dat hij een foto van dit sieraad moest maken. Hij liep de voordeur uit met het sieraad en het geld. De vrouw aan de telefoon zei dat de man naar de auto zou gaan om een foto van het sieraad te maken en het geld zou controleren, waarna hij terug zou komen. De man is niet meer teruggekomen met het sieraad en het geld van aangeefster.2 Uit de aangifte van [slachtoffer 5] , wonende te [adres] , blijkt dat zij op 17 oktober 2024 omstreeks 17.45 uur werd gebeld door een man die zich zelf voorstelde als [naam 1] . Hij vertelde dat hij als politieagent werkte. De man vertelde vervolgens dat er in de buurt veel inbraken zijn gepleegd en dat ze een auto van de daders hadden gevonden. In die auto werd een envelop aangetroffen met de naam en het adres van aangeefster. De man had daarom het vermoeden dat ze zouden gaan inbreken bij aangeefster. Hierna werd aangeefster doorverbonden met een persoon die van de landelijke politie zou zijn. Dit was een vrouw, genaamd [naam 2] . De vrouw vroeg of ze sieraden en contant geld van meer dan 5.000,-- in huis had liggen. Aangeefster bevestigde dit. De vrouw zei vervolgens dat er een politieagent, genaamde [naam 3] , met nummer [nummer] , in burgerkleding zou langskomen. Om 19.00 uur kwam een man genaamd [naam 3] bij aangeefster aan de deur en zij heeft hem binnengelaten. Zij had het geld en de sieraden al klaargelegd. Hij heeft het geld en de sieraden gepakt en is wegegaan. Aangeefster had toen nog steeds de vrouw aan de lijn. Ze mocht namelijk niet ophangen, omdat het gesprek werd opgenomen. Later vertelde de vrouw dat ze het geld hadden geteld en dat dit 11.000,-- betrof. Ze vroeg of aangeefster het goed vond dat ze dit de volgende dag terug zouden brengen. De volgende dag besefte aangeefster dat ze het geld en de sieraden niet terug zou krijgen.3 Uit de aangifte van [slachtoffer 6] , wonende [adres] , blijkt dat zij op 17 oktober 2024 omstreeks 18.30 uur werd gebeld door een vrouw. Deze vrouw vertelde haar dat ze van de politie was en dat de politie drie mannen had aangeh Nadat de vrouw had opgehangen belde aangeefster haar man. Hij vertelde dat hij niet met de politie had gesproken.6 Verdachte heeft verklaard dat hij op 17 oktober 2024 als chauffeur naar Maastricht, Brunssum en Schinveld is geweest. Hij reed in een auto en kreeg via de Snapchatgroep een adres. Wanneer ze bij een adres aankwamen ging de persoon die naast hem in de auto zat, naar de woningen. Hij wist dat er geld en sieraden werden gestolen. Op 24 oktober 2024 ging het op dezelfde manier. Ook toen was hij de chauffeur en is hij in Oisterwijk en Eersel geweest en ging de persoon die naast hem zat naar de woningen om geld en sieraden te stelen. De adressen kreeg verdachte weer via de Snapchatgroep. Verdachte kreeg voor zijn werkzaamheden betaald. Verdachte heeft verklaard dat hij zich in Snapchatgroepen bevond onder de naam [gebruikersnaam 1] . Alles wat door de persoon die achter dit account zat is gezegd, heeft hij gezegd. [medeverdachte 5] kent verdachte uit de buurt en deze persoon heeft hem in de groepen geplaatst.7 Uit het onderzoek van de politie blijkt dat aan het account [gebruikersnaam 1] de UserID [UserID] is gekoppeld.8 Op 21 oktober 2024 is de accountnaam bij deze UserID veranderd in [gebruikersnaam 2] .9 In Snapchatberichten afkomstig uit de telefoon van [naam 10] komt het Snapchataccount [gebruikersnaam 1] met userID: [UserID] voor.10 Uit de Snapchatberichten blijkt dat op 17 oktober 2024 om 15:02 uur het adres [adres] door account [gebruikersnaam 3] in de gespreksgroep wordt gedeeld. Te zien is dat het Snapchataccount van verdachte genaamd [gebruikersnaam 1] , hierna aangeduid als verdachte, wordt benaderd en verdachte geeft hierna een tijdsindicatie. Om 15.14 uur geeft verdachte aan dat hij er is. Vervolgens wordt door [gebruikersnaam 3] een naam en het nummer [nummer] doorgegeven en verdachte zegt dat hij nu gaat. [gebruikersnaam 3] geeft het account [gebruikersnaam 4] aanwijzingen wat hij moet doen. Hij moet onder andere pap pakken en een gouden ketting. Wanneer [gebruikersnaam 4] weg kan vraagt hij verdachte waar hij staat.11 Op 17 oktober 2024 om 18:37 uur deelt het account [gebruikersnaam 5] het adres [adres] in de Snapchatgroep. Hij geeft hierbij ook aan cash en sieraden, de naam [naam 3] en nummer [nummer] . Verdachte geeft hierna een tijdsindicatie door. Door [gebruikersnaam 3] wordt aangegeven dat ze op groen licht moeten wachten. Dit bevestigt verdachte. Vervolgens vraagt [gebruikersnaam 4] om een huisnummer. Verdachte geeft hierna instructies om bij het juiste adres te komen. Ook geeft verdachte [gebruikersnaam 4] instructies om al het goudkleurige bij elkaar te leggen.12 Op 17 oktober 2024 om 19:15 uur wordt door [gebruikersnaam 5] het adres [adres] gedeeld in de gespreksgroep. Verdachte geeft hierna een tijdsindicatie en dat [gebruikersnaam 3] aan de lijn moet blijven tot ze klaar zijn met deze en dat ze dan weg moeten. [gebruikersnaam 5] geeft de naam [naam 3] door. In de groep wordt gevraagd waar verdachte staat. Hij geeft aan dat hij nog op dezelfde plek staat.13 Op 24 oktober 2024 om 15:14 uur wordt door het account [gebruikersnaam 6] het adres [adres] gedeeld in de gespreksgroep. Verdachte geeft hierna een tijdsindicatie en vraagt of ze moeten gaan of wachten. Hierop wordt geantwoord door [gebruikersnaam 3] dat hij moet “Vliegen", waarop verdachte antwoordt: Ai. Om 15:30 uur geeft verdachte aan dat ze er zijn en vraagt om groen licht. Hierop wordt door [gebruikersnaam 6] aangegeven ga. Het account [gebruikersnaam 7] geeft aanwijzingen aan het account [gebruikersnaam 8] over wat te doen in de woning. Uit de berichten blijkt dat zij voor [gebruikersnaam 8] goud bij elkaar zoekt.14 Op 24 oktober 2024 om 17.03 uur wordt door [gebruikersnaam 3] het adres [adres] gedeeld in de Snapchatgroep. Verdachte geeft hierna een tijdsindicatie en vraagt om naam en code. Door [gebruikersnaam 3] wordt de naam [naam 8] en de code [nummer] doorgegeven. Ook geeft hij aan dat er gewacht moet worden op groen licht. Verd [gebruikersnaam 3] zegt op een gegeven moment dat ze weg moeten uit Balk en [gebruikersnaam 9] geeft aan dat hij naar de Mac gaat, waarna verdachte zegt dat hij er bijna is. [gebruikersnaam 10] geeft aan dat hij alles heeft: sieraden, geld met enveloppen en het vest. Hij zal dat aan [verdachte] (verdachte) meegeven.27 Verdachte heeft verklaard dat hij die dag in Lemmer met twee personen had afgesproken.28 Uit Snapchatberichten van 14 oktober 2024 tussen [gebruikersnaam 10] en [gebruikersnaam 7] , aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 2] , blijkt dat [verdachte] (verdachte) [medeverdachte 1] komt overnemen. Ook geeft [gebruikersnaam 10] aan dat hij naar [gebruikersnaam 7] teruggaat om zijn waggie terug te brengen. [gebruikersnaam 3] weet hiervan volgens [gebruikersnaam 10] .29 In de telefoon van een medeverdachte genaamd [medeverdachte 6] werden Snapchatberichten van 19 oktober 2024 aangetroffen. Op een vraag van [medeverdachte 6] wie gaat halen, geeft het account [gebruikersnaam 4] aan dat hij [verdachte] (verdachte) maar even moet snappen. Ook werden er twee fotos aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 6] . Op die fotos is te zien dat verdachte instructies geeft over een werkwijze. Er wordt verteld dat er mensen bellen die van scotoe (politie) zijn. Ze vertellen dat er een inbraak is geweest en dat er nog verdachten op de vlucht zijn. Degene die belt doet zich voor als vrouw. Deze vertelt dat er iemand langs komt om waardevolle spullen, zoals cash en goud, te scannen. De persoon wordt de gehele tijd aan de telefoon gehouden. Je moet goed de chat in de gaten houden en als ze zeggen dat je weg moet gaan, moet je weggaan. Je moet de driver de chat in de gaten laten houden en de auto wordt in de straat ernaast geplaatst. Het is heel makkelijk werk als je goed luistert.30 Overwegingen van de rechtbank Feiten 1 en 2 : diefstal en/of oplichting Door zowel de officier van justitie als de raadsman is aangevoerd dat per aangever een keuze moet worden gemaakt of sprake is van diefstal (feit 1) of oplichting (feit 2). De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Voor een veroordeling ter zake van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat iemand wordt bewogen tot de afgifte van enig goed. De strafbare handeling is in dat geval gelegen in het de ander bewegen tot de afgifte van enig goed. Mede daarin onderscheidt oplichting zich van diefstal. Voor strafbaarheid is de daadwerkelijke afgifte van het goed vereist en de ander moet tot afgifte zijn bewogen door één van de in de delictsomschrijving geformuleerde oplichtingsmiddelen. Voor een veroordeling van diefstal is vereist dat sprake is van wegnemen van een goed. De bestanddelen afgifte en wegnemen worden in de rechtspraak ruim uitgelegd. Ook het toelaten dat een goed wordt weggenomen kan in voorkomende gevallen als afgifte worden aangemerkt. Hierdoor ontstaat ruimte voor de rechter om de bewezen verklaarde gedraging ofwel als afgifte in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht ofwel als wegnemen als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht aan te merken. In casu zijn de aangevers telkens door oplichtingsmiddelen bewogen een persoon in hun woning toe te laten en hun geld en sieraden bij elkaar te zoeken of klaar te leggen. Vervolgens gaf of de aangever de goederen aan de persoon of de persoon pakte de goederen zelf. Telkens was dit om de goederen zogenaamd veilig te stellen. Bij de diefstal is ten laste gelegd de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte en de medeverdachten zich de toegang van de plaats van het misdrijf en/of de goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van oplichtingsmiddelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit geval zowel afgifte als wegnemen ruim kan worden uitgelegd. Immers, ook het wegnemen werd toegelaten door de oplichtingsmiddelen. Nu beide varianten zijn ten laste gelegd komt de rechtbank ten aanzien van de op 17 en 24 oktober 2024 gepleegde feiten tot De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en daarin een aandeel heeft, dan wel dit samenwerkingsverband ondersteunt, of gedragingen verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. (Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:264) en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413) De vragen die de rechtbank daarom dient te beantwoorden zijn: Is er sprake van een organisatie? Is het oogmerk gericht op het plegen van de misdrijven diefstal en/of oplichting? En ten slotte: heeft verdachte deelgenomen aan deze organisatie? De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie onder meer tot oogmerk heeft het plegen van de misdrijven diefstal en/of oplichting. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank ten aanzien van de gekwalificeerde diefstallen en oplichtingen een specifieke en soortgelijke werkwijze af. Oudere slachtoffers worden opgebeld door een persoon die zich voordoet als politieagent. Deze vertelt dat er in de buurt van hun woningen inbraken hebben plaatsgevonden en dat ze aanwijzingen hebben dat ook in de woning van het slachtoffer zal worden ingebroken. Gevraagd wordt of ze aan de telefoon willen blijven en waardevolle goederen, zoals sieraden en geld, klaar willen leggen. Een agent komt daarna op bezoek om deze goederen te fotograferen, te taxeren of veilig te stellen. Deze agent kan zich identificeren door zijn naam en nummer, die telefonisch aan het slachtoffer worden doorgegeven. Hierna wordt hij binnengelaten en op het moment dat het slachtoffer wordt afgeleid gaat hij er met de waardevolle goederen vandoor. De groep verdachten communiceert via een Snapchatgroep. Aan een haler, dat is de nepagent die aan de deur komt, en de driver, de chauffeur van de auto, worden telkens een adres, naam en nummer gegeven. De driver geeft door wanneer hij bij het adres is en wanneer hij er is volgt overleg wanneer de haler naar de woning mag gaan. Terwijl de haler in de woning is, is er continu contact tussen de personen in de Snapchatgroep. De beller, degene aan de telefoon, zorgt op het juiste moment voor de afleiding en de haler maakt fotos van de waardevolle goederen en ontvangt instructies hierover via de telefoon. Wanneer hij uit de woning komt met de buit staat de driver met de auto klaar om hem snel te kunnen vervoeren. Hierna krijgen ze een nieuw adres door, zodat ze naar de volgende klus kunnen. Dit gaat op een dag vaak meerdere malen op deze wijze. Uit de berichten tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat er sprake is van een betaling per klus. Bij [medeverdachte 2] is een achterstand in de betaling en verdachte zal dit voor hem navragen. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij voor zijn werk als driver op 17 en 24 oktober 2024 betaald zou krijgen. Ook uit zijn instructie aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 6] blijkt dat hij het makkelijk werken vindt. Uit de berichten van [medeverdachte 2] , een haler, blijkt dat hij de buit zal afgeven, dus aan anderen van de groep. [medeverdachte 2] heeft ook goud ingeleverd bij een pandhuis, waarvoor hij betaald zou krijgen. De rechtbank maakt hie hij in de periode van 17 tot en met 24 oktober 2024 te Maastricht en Brunssum en Schinveld en Oisterwijk en Eersel, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, geldbedragen en/of sieraden, die aan een ander toebehoorden, te weten aan: [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels te weten door telefonisch contact op te nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie, tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en dat sieraden en/of contant geld gescand en/of veilig gesteld moesten worden en dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en dat voornoemde personen de sieraden en/of contant geld klaar moest leggen en verdachte en medeverdachten naar de woning van voornoemde personen te laten gaan en zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en sieraden en/of contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie mee te nemen; hij in de periode van 17 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 te Maastricht en Brunssum en Schinveld en Oisterwijk en Eersel en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, te weten [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , heeft bewogen tot afgifte van contante geldbedragen en/of afgifte van sieraden, door valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid telefonisch contact op te nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en dat sieraden en/of contant geld gescand moesten worden en dat een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en dat voornoemde personen de sieraden en/of contant geld klaar moest leggen en verdachte en medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te gaan en zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en sieraden en/of contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie af te laten geven, waardoor die personen werden bewogen tot voornoemde afgifte en het voornoemde ter beschikking te stellen; hij in de periode van 22 september 2024 tot en met 18 november 2024 te Maastricht en Brunssum en Schinveld en Eersel en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht en diefstal als bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Eendaadse samenloop De rechtban Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf oplichtingen dan wel diefstallen waarbij oplichtingsmiddelen werden gebruikt. Hij deed dit telkens samen met anderen. Ook heeft verdachte gedurende een periode van twee maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die als doel had dit soort oplichtingen in het gehele land te plegen. In de organisatie had hij een uitvoerende rol als chauffeur en hij fungeerde als tussenpersoon. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, samen met anderen, op zulke doortrapte en slinkse wijze sieraden en geld afhandig heeft gemaakt van de slachtoffers. Slachtoffers die naar het oordeel van de rechtbank niet willekeurig, maar op basis van hun hoge leeftijd werden uitgekozen. De gestolen sieraden hadden vaak naast een financiële waarde ook een emotionele waarde voor de slachtoffers. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zich op geen enkel moment lijkt te hebben gerealiseerd welke gevolgen de door hem gepleegde feiten voor de slachtoffers hebben gehad. Verdachte heeft er niet alleen mede voor gezorgd dat de slachtoffers financiële schade hebben opgelopen, maar heeft ook het vertrouwen dat zij hadden in de medemens en in de politie ernstig geschaad. De slachtoffers waren in de veronderstelling dat een agent hen kwam helpen in hun woningen, bij uitstek de plaats waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen, maar in plaats daarvan werden zij beroofd van voor hun dierbare en onvervangbare sieraden en geld. De rechtbank vindt het stuitend dat verdachte puur heeft gehandeld vanuit zijn eigen behoefte aan geld en zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de financiële en psychische schade waarmee hij de vele slachtoffers opzadelde. Uit de aangiftes en de nazorg gesprekken is gebleken dat de impact van het handelen van verdachte en zijn mededaders op het leven van de slachtoffers groot is geweest. Doordat sprake is van een eendaadse samenloop tussen het onder 1. primair en 2. primair bewezenverklaarde, zal de rechtbank, gelet op artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, eerste lid, bij de strafoplegging slechts rekening houden met de feiten waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Dit betreffen de gekwalificeerde diefstallen die onder 1. primair zijn bewezenverklaard. Hierop staat een maximale gevangenisstraf van negen jaar. Daarnaast is sprake van deelname aan een criminele organisatie. Voor de onderhavige strafbare feiten heeft het LOVS geen oriëntatiepunten. Anders dan door de officier van justitie en de verdediging is aangevoerd, zal de rechtbank voor de strafmaat niet de oriëntatiepunten voor inbraken, te weten drie maanden per delict, als uitgangspunt nemen. De rechtbank acht de strafbare feiten niet te vergelijken. De oudere slachtoffers zijn in hun fysieke bijzijn in hun eigen woning bestolen van hun kostbaarheden. Dit door een persoon die ze zelf hebben binnengelaten en zich heeft voorgedaan als een politieagent. Hierdoor is niet alleen het eigendoms- en huisrecht geschonden, maar ook is het vertrouwen in een openbare autoriteit geschonden en dit heeft maatschappelijke gevolgen. Door de officier van justitie is ter zitting medegedeeld dat de politie tijdens het onderzoek naar de strafbare feiten werd belemmerd, omdat de slachtoffers moeite hadden de politie te vertrouwen. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte ondanks zijn jonge leeftijd al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verdachte liep ten tijde van het plegen van de delicten in de proeftijd van een eerdere veroordeling. Dit heeft hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. In strafmatigende zin neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is in verband met een inmiddels onherroepelijke veroordeling voor andere strafbare feiten. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering, gelet op de proceshouding van verdachte, geen inschatting kan maken van het risico op herhaling. Verdachte heeft aan Dit is ook het bedrag dat in de aangifte wordt genoemd en uit de Snapchatberichten van de verdachten komt ook de term 3k naar voren.31 De rechtbank acht daarom aannemelijk dat dit de schade voor het weggenomen geld betreft. Tevens wordt een bedrag van 150,-- gevorderd voor een ketting. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er een gouden ketting bij de benadeelde partij is weggenomen. Een bedrag van 150,-- voor een gouden ketting acht de rechtbank niet onevenredig. De rechtbank schat daarom de hoogte van de materiële schade op 3.150,--. Dit bedrag zal worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024. Door de benadeelde partij wordt ook een bedrag van 64,99 voor een deurbelcamera gevorderd. Dit bedrag wordt in de vordering als immateriële schade aangeduid in verband met geschonden vertrouwen, maar betreft materiële schade. Deze schade is niet onderbouwd en wordt betwist. De rechtbank zal de vordering daarom ten aanzien van dit bedrag niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Vordering na voorwaardelijke veroordeling Bij onherroepelijk arrest van 20 december 2022 van de het gerechtshof Amsterdam, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 januari 2023. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij vordering van 29 september 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf en heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij haar vordering tot tenuitvoerlegging. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering primair moet worden afgewezen, omdat het een veroordeling voor een ander soort delict betreft en het een verwaarloosbare straf is. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat, gelet op de strafeis in de hoofdzaak, het niet opportuun is na zodanige gevangenisstraf nog een taakstraf uit te voeren. Oordeel van de rechtbank Nu veroordeelde de bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijk opgelegde straf. Dat het een veroordeling voor een ander soort delict betreft of een kleine straf is, maakt dit niet anders. Verdachte heeft meerdere strafbare feiten in de proeftijd gepleegd en dit rechtvaardigt de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegd straf. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 55, 57, 63, 140, 311, 326 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder 1. primair, 2. primair en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor