Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-14
ECLI:NL:RBNNE:2026:191
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 23/1396 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen [naam] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. P.R. van der Vorst), en Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut (gemachtigde: mr. A.G. Sol en S.C Goldbohm). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op de aanvraag om een vergoeding van geleden schade door mijnbouw aan zijn woning in [woonplaats] . Het Instituut heeft terzake van deze aanvraag in het bestreden besluit een vergoeding van in totaal € 33.946,68 toegekend. Eiser is het daar niet mee eens en vindt dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd en dat de schadevergoeding te laag is. Hij voert daar een aantal beroepsgronden gronden voor aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat Instituut het bewijsvermoeden ten aanzien van de schades 10, 14, 15, 19, 68, 69, 81 en 82 niet weerlegd heeft kunnen achten, dat de scheefstand onderdeel van de schade uitmaakt en dat het Instituut zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van de schades 23, 24, 25. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het Instituut moet de schade alsnog begroten en daarvoor de methode van herstel en de herstelkosten en het daarmee corresponderende bedrag aan schadevergoeding bepalen. Procesverloop 2. De rechtsvoorganger van eiser, mevrouw [naam] (hierna: [naam] ), heeft op 29 oktober 2019 een aanvraag ingediend bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (hierna: Tijdelijke Commissie), thans het Instituut, voor schade veroorzaakt door aardbevingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten aan haar woning aan de [adres] . 2.1. Het Instituut heeft op die aanvraag bij besluit van 27 augustus 2020 een schadevergoeding van € 28.384,54 (inclusief wettelijke rente en bijkomende kosten) toegekend. 2.2. Bij herzien besluit van 30 november 2022 is een aanvullende vergoeding toegekend van € 1.599,64 in verband met de aanpassing naar het prijspeil van 2020. 2.3. Bij besluit op bezwaar van 23 januari 2023 heeft het Instituut het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij is besloten dat in totaal een schadevergoeding van € 33.946,68 inclusief rente wordt vergoed en dat aan eiser, als koper van de woning, een aanvullende schadevergoeding van € 631,95 wordt toegekend voor de schades 51, 54 en 70 (dat is € 674,16 inclusief wettelijke rente). Dit in verband met het feit dat de vordering aan hem is overgedragen terzake van de eigendomsoverdracht van de woning bij akte van transport van 4 januari 2023. Verder is daarin bepaald dat [naam] een aanvullende vergoeding wordt toegekend van € 3.963,10 (zijnde de bijkomende kosten, een vergoeding voor proceskosten en een extra overlastvergoeding, inclusief rente). 2.4. Eiser heeft op 3 maart 2023 tegen dit besluit beroep ingesteld en dit aangevuld op 6 februari 2024. Hij heeft daarbij een rapport van Ingenieursbureau Energeo d.d. 30 januari 2024 overgelegd. 2.5. Op 25 juni 2024 heeft de rechtbank een regiezitting gehouden. Afgesproken is daarbij dat alsnog geotechnisch onderzoek zal worden verricht en tevens dat de schades 88, 89 en 90 alsnog beoordeeld zullen worden. 2.6. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 5 november 2024, waarbij het Instituut een nader advies heeft overgelegd van deskundige D. Kiestra (hierna: Kiestra) en M. Ottevanger (hierna: Ottevanger) van bureau 10BE. Bij dat advies zit een bijlage van Ir. R.H.G. Loohuis (hierna: Loohuis) d.d. 22 maart 2024 en van LamersWater BV van 19 maart 2024. Het Instituut heeft de rechtbank in het verweerschrift verzocht het beroep gegrond te verklaren ten aanzien van de geadviseerde aanvullende schadevergoedingen voor de schades 63 en 87 en zelf in de zaak te voorzien door voor deze schades ee Op 30 oktober 2019 heeft [naam] melding gemaakt van een acuut onveilige situatie (AOS-melding), omdat de zijgevel naar buiten beweegt en zij zich hierdoor niet meer veilig voelde. De AOS-melding is op 11 november 2019 ongegrond verklaard. 4.4. Op 27 november 2019 heeft H. Doedel- de Vries (hierna: Doedel) verbonden aan 10BE, de schade aan de woning met een ‘opname light’ visueel opgenomen. In het rapport d.d. 24 december 2019 zijn 80 schades opgenomen. In verband hiermee is een schadevergoeding geadviseerd van in totaal € 27.333,71 voor de schades 1-17, 19, 20, 22, 26-28, 30-44, 46-49, 51-65 en 67-80. Over deze schades staat in het rapport aangegeven: ‘ Overbelasting door trillingen of veranderingen in de ondergrond veroorzaakt door mijnbouw kan invloed hebben gehad op de gemelde schade .’ 4.5. De arbiter bodembeweging (hierna: de arbiter) heeft op 19 december 2019 uitspraak gedaan in de zaak van de buren van eiser woonachtig op [adres] tegen de NAM. De herstelkosten van de door de NAM aan de eigenaren te vergoeden schades is daarbij vastgesteld conform de methode sloop/nieuwbouw. 4.6. [naam] heeft een zienswijze ingediend op 14 april 2020, aangevuld op 17 juni 2020. Daarin worden bezwaren ten aanzien van de schadebeoordeling aangegeven en tevens wordt gemeld dat bij inspectie door de aannemer is gebleken dat er meerdere grote scheuren in de fundering zitten, onder de schouw in de woonkamer, onder de hobbykamer, in de hoek van de zuidwest gevel met de noordwest gevel en dat de zuidwest gevel naar voren/buiten wijkt. Verder wordt gemeld dat er schade is aan de keukenvloer (scheuren en verzakt), dat er een scheur is in de hobbykamer en in de slaapkamer en dat die zijn ontstaan na de beving in Wagenborgen op 2 maart 2020. Verzocht wordt dat de schade aan de zuidwest kant van het huis en de fundering nader wordt onderzocht en om de schades aan de keukenvloer, hobbykamer en slaapkamer op te nemen en te beoordelen. Tevens is verwezen naar de gemelde uitspraak van de arbiter inzake het buurpand op [adres] . 4.7. Op 10 augustus 2020 heeft Doedel op verzoek van het Instituut een herzien adviesrapport uitgebracht. Daarin zijn aanvullend de schades 81-87 opgenomen. Geadviseerd wordt voor de schades 81 en 85-87 een schadevergoeding toe te kennen van in totaal € 1.355,85. Ten aanzien van de schades 82, 83 en 84 is Doedel van mening dat deze schades niet als mijnbouwgerelateerde schades kunnen worden aangemerkt. Verder zijn in dit rapport de herstelkosten voor een aantal schades aangepast. Geadviseerd wordt een schadevergoeding toe te kennen van in totaal € 27.333,71. 4.8. Het Instituut heeft bij besluit van 27 augustus 2020 het herziene adviesrapport van Doedel van 10 augustus 2020 gevolgd en aan [naam] een vergoeding van € 27.384,54 toegekend, te vermeerderen met wettelijke rente en bijkomende kosten, zijnde in totaal € 28.384,54. 4.9. [naam] heeft op 5 oktober 2020 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en dat later aangevuld op 29 januari 2021. Daarbij is een contra-expertise van Vergnes d.d. 27 januari 2021 overgelegd. Vergnes heeft in dat rapport ten aanzien van de schades 10, 14, 15, 68, 69 en 81 erop gewezen dat sprake is van scheurvorming door beide zijden van de fundering die zich onder de hobbykamer bevindt. Ten aanzien van schade 82 wordt aangegeven dat deze schade is veroorzaakt door de scheefstand van het metselwerk (schade 10 en 15) en de scheurvorming in de onderliggende fundering (schade 81). De scheurvorming in de onderliggende fundering staat volgens Vergnes in direct verband met de scheefstand en scheurvorming in de tegelvloer in de keuken. De schades zijn niet te herstellen op de door Doedel gecalculeerde wijze gezien de forse scheefstand van de gevel en de scheurvorming in de fundering. Vergnes adviseert om, gelet op de situatie op locatie, een constructief plan op te laten stellen om de schade duurzaam te laten herstellen. In totaal wordt daarvoor door hem een schadebedrag berekend van € 58.388,72. 4.10. Het Instituut heef De bezwaaradviescommissie heeft op 14 juni 2022 geadviseerd het bezwaar tegen schades 51, 54 en 70 gedeeltelijk gegrond te verklaren, zonder toekenning van een aanvullende vergoeding en voor het overige het bezwaar ongegrond te verklaren. De bezwaaradviescommissie overweegt – voorzover van belang – in de kern als volgt: - Schades 10, 14, 15, 19 (‘scheuren in het metselwerk van de achtergevel en scheuren in de afwerklaag van de wand van de hobbykamer die is gelegen achter aan de andere kant van de achtergevel’). De bezwaaradviescommissie volgt de beoordeling van Dorman en de specialisten dat de scheuren zijn veroorzaakt door ongelijkmatige verzakking (zetting) van de fundering in de ondiepe ondergrond door een ongelijke funderings- en belastingwijze in verband met zettingsgevoelige of onvoldoende draagkrachtige ondiepe ondergrond. De berekende maximum trillingssnelheid van de bodem door mijnbouw op de locatie van de woning heeft de zetting niet veroorzaakt of verergerd. Daar doet niet aan af dat de dakkapel bij de badkamer niet later is aangebouwd, maar al bij de bouw van de woning in 1948 bestond. Dorman heeft evident en aantoonbaar een andere oorzaak dan bodembewegingen door mijnbouw voor deze schades aangetoond. Het bewijsvermoeden is daarom weerlegd. Nu Doedel de schades wel als mijnbouwschade heeft gekwalificeerd heeft het Instituut de schades onverplicht betaald. Deze onverplicht toegekende herstelkosten kunnen worden verrekend met in bezwaar toegekende aanvullende vergoeding. - Voor de schades 68, 69 (‘verticale en een diagonale scheur in het pleisterwerk van wand 4 van de hobbykamer’) en 81 (‘scheur in het metselwerk van de kruipruimte’) volgt de bezwaaradviescommissie eveneens de beoordeling van Dorman. Datzelfde geldt voor schade 82 (‘een scheur in een tegel, loszittend voegwerk en de verzakking van de aansluiting van de tegelvloer met de wand van de keuken’). - Schades 23 tot en met 25 (‘scheuren in het metselwerk van gevel 4’) zijn identiek aan door de NAM eerder beoordeelde schades. Het Instituut is daarom niet bevoegd over deze schades te oordelen. - Voor schades 35 (‘scheur voegwerk schoorsteen’) en 37 (‘horizontale scheur in raapwerk van wand 2 van de zolder’) is de door Doedel geadviseerde herstelmethode toereikend om de schade deugdelijk te herstellen. - Voor schades 38, 42, 44, 63, 65 (‘scheuren in het stuc- en sauswerk’) en 87 (‘scheurvorming in het voeg en metselwerk van gevel 4’) is de geadviseerde herstelwijze toereikend om de schade te herstellen. - Voor de nieuwe schades 88, 89 en 90, die eiser in bezwaar heeft opgevoerd, moet hij een nieuwe aanvraag indienen bij het Instituut. 4.18. Het Instituut heeft in het bestreden besluit van 23 januari 2023 het advies van de bezwaaradviescommissie gevolgd, behalve voor wat betreft het verrekenen van de aanvullende vergoedingen met de onverplicht betaalde vergoedingen in verband met nieuw beleid. Het Instituut heeft deze schades niet verrekend en het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de schadevergoeding in totaal vastgesteld op € 33.946,68 (zoals hiervoor bij het procesverloop is opgenomen). 4.19. Eiser is daartegen op 3 maart 2023 in beroep gegaan en heeft bij aanvullend beroepschrift van 6 februari 2024 een onderzoek van Energeo d.d. 30 januari 2024 overgelegd, opgesteld door Meiborg. In dat onderzoek wordt door Meiborg geconcludeerd dat met het addendum in bezwaar van Dorman niet is aangetoond dat het bewijsvermoeden is weerlegd. Verder wordt opgemerkt dat er sprake is van ernstige scheefstand van de woning, waarbij de voorgevel en de zijgevels, maar ook de vloeren binnen ernstige scheefstanden en zettingsverschillen vertonen. 4.20. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 5 november 2024, waarbij het Instituut een nader advies d.d. 24 oktober 2024 heeft overgelegd van de deskundigen Kiestra en Ottevanger van 10BE, met daarbij de bijlage “Analyse en oorzaken van de opgetreden (verschil)zettingen” van deskundige Loohuis (ge Tevens staat de hoogte van de herstelkosten ter discussie, waaronder de herstelwijze van de schades 35, 37, 38, 42, 44, 65 en 69 en de vraag of de scheefstand van de woning onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Ten aanzien van de schades 23, 24, 25 staat ter discussie of het Instituut zich terecht onbevoegd heeft geacht en of de schades 88, 89 en 90 moeten worden vergoed. 6. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Standpunten wijze toetsing bewijsvermoeden 7. Tussen partijen is niet in geschil dat dat de woning in het effectgebied ligt en dat het bewijsvermoeden van toepassing is op de schades aan de woning van eiser. Wel verschillen zij van mening over de vraag of het Instituut het bewijsvermoeden op juiste wijze heeft getoetst. 7.1. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat het Instituut de vraag of het bewijsvermoeden is weerlegd ten onrechte volledig aan de ingeschakelde deskundigen heeft over gelaten, zonder dat het Instituut dit op juistheid heeft getoetst en zonder dat de deskundigen hun conclusies op juiste wijze hebben onderbouwd. Het Instituut mag niet volstaan met een marginale toets, maar moet vol toetsen of er in civielrechtelijke zin afdoende bewijs is om het wettelijk bewijsvermoeden weerlegd te achten. Het Instituut heeft door middel van het toepassen van bestuursprocesrechtelijke regels minder rechtsbescherming geboden aan de burger dan diezelfde burger op basis van civielrechtelijke regels jegens de NAM toekomt. 7.2. Het Instituut stelt voorop dat een aanvaardbare bestuursrechtelijke invulling is gegeven aan het wettelijk bewijsvermoeden. De werkwijze van het Instituut is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) akkoord bevonden. Het Instituut mag in beginsel afgaan op het advies van deskundigen als deze onafhankelijk zijn en het advies inzichtelijke en begrijpelijk is. Voor het weerleggen van het bewijsvermoeden is, anders dan eiser en zijn deskundigen lijken te veronderstellen, geen wetenschappelijke zekerheid vereist. Beoordelingskader; het bewijsvermoeden in bestuursrechtelijke context 8. Het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de schades. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, wordt namelijk vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk. 8.1. Het Instituut acht het bewijsvermoeden met succes weerlegd als aan de hand van een deskundigenadvies is aangetoond dat de schadeoorzaak aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. In dat geval is het voldoende aannemelijk dat de schade niet is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. 8.2. De rechtbank verwijst voor de vraag op welke wijze in mijnbouwzaken voor wat betreft fysieke schade aan gebouwen getoetst moet worden en voor de toepassing van het bewijsvermoeden in bestuursrechtelijke context, in het bijzonder naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, onder 30-40. 8.3. Van het Instituut wordt daarbij niet gevraagd dat met 100% zekerheid uitgesloten kan worden dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Zie hiertoe de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, onder 69. Het is een voldoende grote mate van zekerheid als de schade zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een andere uitsluitende oorzaak dan mijnbouwactiviteiten. Zie daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:96, onder 75. 8.4. De rechtbank wijst daarnaast e Het Instituut past daarbij de regels van het civielrechtelijke aansprakelijkheidsrecht overeenkomstig toe, waaronder het bewijsvermoeden uit artikel 6:177a, eerste lid, BW, met toepassing van de regels van het bestuursprocesrecht. Daarbij is er door de Afdeling op gewezen dat het vaste jurisprudentie is dat de bestuursrechter bij (de toetsing van) een beslissing om een verzoek tot schadevergoeding aansluiting zoekt bij het civiele recht en het aansprakelijkheidsrecht. Het belang van rechtseenheid laat geen ruimte voor niet te rechtvaardigen verschillen in benadering. Dit betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor mijnbouwschade vol toetst en dus ook een volle toets hanteert bij de vraag of het bewijsvermoeden is weerlegd. Daarbij betrekt hij de adviezen die door onafhankelijke deskundigen zijn opgesteld die beschikken over specialistische kennis. De vraag of de schade het gevolg is van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is primair een technische bouwkundige vraag en beantwoording van die vraag vergt specialistische kennis en ervaring. Om die reden is in de Tijdelijke wet Groningen bepaald dat het Instituut hierover een onafhankelijke deskundige om advies kan vragen (artikel 12, eerste lid). 9.3. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat het bewijs vorm krijgt door onafhankelijke deskundigenadvisering, waarbij het Instituut zich bij zijn besluit moet vergewissen van de juistheid van de adviezen. Het Instituut kan het bewijsvermoeden alleen met succes weerleggen als het er in slaagt te bewijzen dat aan de schade uitsluitend een andere autonome oorzaak ten grondslag ligt dan bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Daarbij is door de Afdeling in voornoemde uitspraak van 8 juni 2022 aangegeven dat het wettelijk bewijsvermoeden niet veronderstelt dat het conditio sine qua non verband tussen schade en schadeoorzaak reeds gegeven is, maar dat dit ziet op de bewijslastverdeling. Het wettelijk bewijsvermoeden brengt een omkering van de bewijslast met zich mee en daarmee een verlichting van de bewijslast van de aanvrager. Het bewijsrisico voor het ontbreken van het causaal verband ligt bij het Instituut. 9.4. Het Instituut mag volgens de Afdeling afgaan op een advies van een door hem ingeschakelde deskundige als het zich van de zorgvuldigheid ervan heeft vergewist en ook is nagegaan of het advies de hoge bewijsmaatstaf haalt en evident een andere oorzaak dan bodembeweging als uitsluitende oorzaak van de schade heeft aangewezen. Het gaat hierbij om een hoge mate van zekerheid en niet 100% of natuurwetenschappelijke zekerheid. Alleen als het Instituut het bewijsvermoeden weerlegt en dus bewijst dat de schade niet door mijnbouwexploitatie is ontstaan of verergerd, gaat het bewijsrisico van het Instituut over op de aanvrager. Als het Instituut het bewijsvermoeden heeft weerlegd, is het vervolgens aan de aanvrager om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van conclusies daarop naar voren te brengen. De bestuursrechter beoordeelt vervolgens aan de hand van de aangevoerde gronden of het bewijsvermoeden evident en aantoonbaar is weerlegd en dus of het Instituut aan zijn bewijslast heeft voldaan en zijn besluitvorming op de adviezen mocht baseren. 9.5. Deze jurisprudentie van de Afdeling neemt de rechtbank tot uitgangspunt. Van minder en onvoldoende rechtsbescherming in algemene zin is aldus geen sprake. Deze grond van eiser slaagt daarom niet. Ingeschakelde deskundigen onafhankelijk? 10. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de deskundigen die door het Instituut zijn aangesteld niet onafhankelijk zijn omdat aan hen geen vrijheid wordt gegeven om de oorzaak van de schades zelfstandig vast te stellen, zij een directe bezoldigde afhankelijkheidsrelatie hebben met het Instituut en onvoldoende deskundig zijn op het terrein waarover zij advies hebben uitgebracht. Ten onrechte hebben zij de Het Instituut heeft betoogd dat Dorman er in zijn rapport dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt op heeft gewezen dat het kunststof kozijn in combinatie met een relatief grote gevelopening en het ontbreken van een latei, niet in staat is een ondersteunende functie te bieden aan het door zetting vervormende metselwerk in de achtergevel. Dit ligt volgens het Instituut mede als oorzaak voor de schade aan het besluit ten grondslag. 12.2. De rechtbank stelt vast dat het Instituut in het bestreden besluit het advies van de bezwaaradviescommissie van 14 juni 2022 inhoudelijk op het punt van het weerlegd achten van het bewijsvermoeden, integraal heeft gevolgd. De bezwaaradviescommissie heeft aan haar advies twee rapporten en twee addenda ten grondslag gelegd. Het betreft hier een adviesrapport van Doedel van 24 december 2019, een herzien adviesrapport van Doedel van 10 augustus 2020, een addendum van Ottevanger van 30 juni 2021 en een addendum van Dorman van 15 februari 2022, dat vijf bijlagen kent, waaronder het rapport van Archipunt van 4 februari 2022 en de rapporten van MUG en FUGRO. 12.3. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het kunststof raamkozijn en de volgens Dorman ontbrekende latei, aan dat besluit niet ten grondslag zijn gelegd. De bezwaaradviescommissie heeft dit gedeelte van de redenering van Dorman namelijk niet meegenomen in haar oordeel en is ook niet ingegaan op hetgeen in bezwaar over het kunststof raamkozijn of de latei van de zijde van [naam] naar voren is gebracht. 12.4. De bezwaaradviescommissie heeft in genoemd advies wel aangegeven dat de opmerking van Dorman dat de dakkapel later dan de bouw is aangebracht niet op feitelijke juistheid berust nu de dakkapel al bij bouw van de woning in 1948 is aangebracht. Onder overname van de motivering van de bezwaaradviescommisie heeft het Instituut ten aanzien van genoemde schades het bewijsvermoeden weerlegd geacht en het bezwaar ter zake ongegrond verklaard. De rechtbank leidt daaruit af dat de gevolgen die Dorman in zijn advies aan de dakkapel heeft verbonden, namelijk dat er na de bouw van de woning extra spanningen en trekkrachten op de achtergevel zijn ontstaan, daarmee evenmin aan het bestreden besluit en de weerlegging van het bewijsvermoeden ten grondslag liggen. 12.5. De bezwaaradviescommissie volgt de beoordeling van Dorman en de specialisten waar deze zich op baseert, in hun beoordeling dat de scheuren het gevolg zijn van ongelijkmatige verzakking (zetting) van de fundering in de diepe ondergrond door een ongelijke funderings- en belastingwijze in verband met zettingsgevoelige of onvoldoende draagkrachtige ondiepe ondergrond. De rechtbank zal er bij de verdere beoordeling dan ook van uitgaan dat het deze specifieke schadeoorzaken zijn die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. Evidente en andere uitsluitende oorzaak? Standpunt eiser 13. Eiser betoogt, onder verwijzing naar de adviezen van Vergnes en Meiborg, dat niet vastgesteld kan worden dat de schades onder de hierboven genoemde nummers zijn ontstaan door een evidente en andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Pas na 2012 en na verschillende aardbevingen als gevolg van gaswinning, zijn er scheuren en verschilzettingen in muren en vloeren van de woning ontstaan. Het Instituut heeft in het bestreden besluit slechts op basis van bureaustudies en (onjuiste) aannames een potentiële alternatieve oorzaak aangedragen voor de schade, zonder te controleren of dit overeenkomt met de feiten, zoals het temporele manifestatiemoment van de schade en de omvang van de daadwerkelijke zettingen. De onderzoeken en adviezen waar het Instituut zich op baseert zijn onvolledig en daarom niet bruikbaar. 13.1. Volgens eiser is het Instituut in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op hetgeen bij de zienswijze en in bezwaar door [naam] en Vergnes naar voren is gebracht over de aard van de schade en het moment van optrede De schade wordt veroorzaakt door zettingsverschillen door verschillende belasting en funderingsdruk ter plaatse van de fundering op staal van de dieper gefundeerde kelder en zettingsverschil door achtergrondzakking (consolidatie) van de bodem met verschillende grondopbouw. Daarbij is van belang dat er sprake is van een zettingsgevoelige (cohesieve) ondergrond. Mijnbouwactiviteiten zijn niet van invloed geweest op de schade. 13.6. Het Instituut wijst er verder op dat ook uit het rapport van Loohuis is af te leiden dat alle opgetreden verschilzettingen volledig los staan van mijnbouwactiviteiten en van (directe of indirecte) effecten van diepe bodemdaling. De opgetreden verschilzettingen worden veroorzaakt door autonome oorzaken, te weten: niet homogeniteit en variatie in de bodemopbouw bij het pand, de oxidatie van organisch materiaal, gebouwbelastingen en de aanwezigheid van een kelder. Vanwege het feit dat de fundering op staal zich bevindt in een slappe, sterk samendrukbare (en dus sterk zettingsgevoelige) ondergrond, bestaande uit kleilagen en veenlagen en het feit dat slechts een deel van het pand is onderkelderd, ontstaan relatief forse verschilzettingen in de woning. Loohuis heeft aan de hand van zettingsberekeningen onderbouwd dat er sprake is van verschilzettingen door gebouwbelasting tussen het gedeelte van de achtergevel dat op een strokenfundering is gefundeerd en het gedeelte van de achtergevel ter plaatse van de kelder dat dieper is gefundeerd. Het geconstateerde schadebeeld past bij zetting van een beperkte omvang en correspondeert met het zettingsmechanisme uit het rapport van Loohuis. De stelling van eiser dat het zettingsproces na dertig jaar eindigt, klopt gelet op de zettingsberekeningen van Loohuis niet. Dat de schade pas na 2012 is ontstaan, is door eiser verder niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Kiestra en Ottevanger hebben in hun nader advies aangegeven dat aan verschillende voegkleuren en breedtes is te zien dat eerder meerdere herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd aan de gevel. 13.7. Loohuis heeft aangegeven dat wat Meiborg heeft betoogd over wierdegrond en droge klei, niet relevant is. Gezien vanuit de basistheorie van de grondmechanica moeten tussen het bouwjaar 1948 en 2012 verschilzettingen bij de woning zijn ontstaan door de forse verschillen in veenlaagdikte daaronder. 13.8. Het Instituut wijst er verder op dat in theorie twee schademechanismen worden gerelateerd aan trillingen door aardbevingen die verband houden met zettingen: verdichting en verweking. In de wetenschappelijke onderzoeken die tot op heden zijn uitgevoerd, wordt als uitgangspunt genomen dat deze schademechanismen zich niet voordoen bij de kracht van de aardbevingen in Nederland tot nu toe. Gelet op het feit dat daarom eigenlijk op voorhand al kan worden uitgesloten dat de hier gemeten trillingen tot de betreffende zetting hebben geleid, behoefde het Instituut geen hoge eisen te stellen aan de onderbouwing van de autonome oorzaak; dat zijn communicerende vaten bij de afweging van het bewijs. 13.9. Het Instituut verwijst naar het advies van Van Staalduinen en Everts van 16 december 2020 waarin veilige grenswaarden zijn opgenomen waaronder het optreden van verweking en verdichting kan worden uitgesloten. Daarin zijn voldoende veiligheidsmarges ingebouwd, zodat deze ook gehanteerd kunnen worden bij gebouwen op een wierde. Verder wordt door het Instituut nog gewezen op een advies van Van Staalduinen van 28 januari 2022 onder de titel “Advies over de invloed van de (afwijkende) dynamische respons op bevingen bij wierden”. Daarin wordt geadviseerd om vooralsnog geen betekenis toe te kennen aan de invloed van wierden op de trillingsrespons van geïnduceerde bevingen binnen het reguliere gebied waarin het bewijsvermoeden nu al wordt toegepast. Uitzonderingssituaties daarop doen zich hier niet voor nu het gebouw op 47 meter afstand ligt ten opzichte van de rand van de wierde met een hoogte verschil van 1,1 meter ten opzichte van het oml In dit verband acht de rechtbank van belang dat in de Praktische Uitwerking Deskundigen onder 2.5 en 2.5.6 (versie 4.3 en 4.4) staat dat indien er op “bouwdeel en/of schadeniveau” kenmerken worden waargenomen waaruit blijkt dat er sprake kan zijn van ongelijke zettingen, het voor de deskundige verplicht is de omgevingskenmerken in te vullen. Daarbij wordt verwezen naar “indicatieve kenmerken” voor verschilzettingen, zoals scheefstand, hoogteverschil in vloeren, sprongen in lintvoegen, en de V-vorm van de scheur. De rechtbank constateert dat dit in het geval van de woning van eiser niet is gebeurd. 14.6. Gevraagd naar de juridische consequentie van het hiervoor gememoreerde standpunt dat tegenwoordig meer onderzoek zou worden verricht, is door het Instituut aangegeven dat het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt op dat punt niet zorgvuldig is geweest en dat het besluit daarom niet in stand kan blijven. De rechtbank deelt dat standpunt. Het Instituut heeft daarbij verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit wel in stand te laten. Op dit laatste zal hierna in 16 e.v. worden ingegaan. Conclusie ten aanzien van de totstandkoming van het bestreden besluit 15. De rechtbank is al met al van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser heeft concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de totstandkoming van het advies waarop het bestreden besluit is gebaseerd en aan de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat de rechtbank dit zal vernietigen. Deze beroepsgrond is daarom terecht aangevoerd. Zelf in de zaak voorzien door de rechtbank, kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven? 16. In artikel 8:41a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter het voorgelegde geschil, zoveel mogelijk zelf definitief beslecht. De rechtbank zal met inachtneming van het juiste beoordelingskader bezien of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. Daarbij betrekt de rechtbank ook het debat zoals dat tussen partijen in beroep is gevoerd en de in dat kader overgelegde adviezen en rapporten. Op voorhand uitsluiten? 17. Voorzover het Instituut zich op het standpunt heeft gesteld dat aan de hand van staande wetenschappelijke inzichten eigenlijk al op voorhand kan worden uitgesloten dat trillingen tot de betreffende zettingen hebben geleid, wijst de rechtbank erop dat op basis van het geldende ‘bewijsbeleid’ eerst een evidente en aantoonbaar andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten voor het ontstaan van de schade moet worden aangewezen; zie ook de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2232 onder 151. Als de deskundige daar niet in slaagt mogen trillingswaarden, zoals ook blijkt uit het hiervoor genoemde beoordelingskader onder 8, niet worden gebruikt om alsnog het bewijsvermoeden te weerleggen. Is een evidente en uitsluitende andere oorzaak voor de schade aangewezen? 18. Nu het Instituut het bewijsvermoeden op basis van het geldende bewijsbeleid alleen terecht weerlegd kan achten als er sprake is van een evidente en andere aantoonbare uitsluitende oorzaak voor de schade anders dan door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten, zal de rechtbank beoordelen of van de zijde van eiser zodanig concrete aanleiding voor twijfel is opgeworpen dat op dit punt niet kan worden uitgegaan van de adviezen van de deskundigen die het Instituut heeft ingeschakeld. 18.1. De rechtbank zal daarbij – in het voetspoor van het debat tussen partijen en de betreffende deskundigenberichten - in het bijzonder achtereenvolgens stil staan bij de bodemopbouw, verzakking woning, kleigrond en veenlagen, wierdegrond, zettingsberekeningen, verschilzettingen in het veen, het ontstaansmoment schade, verrichte herstelwerkzaamheden, trillingen en dan stilstaan bij de eindconclusie betreffende het bewijsvermoeden. B Eiser betoogt in navolging van Meiborg dat het niet-onderkelderde deel van de woning zeer wel mogelijk is verzakt in verband met de gevoeligheid van de 400 jaar oude wierdegrond onder de fundering van het niet-onderkelderde deel van de woning. Meiborg wijst erop dat wierden door mensen gedurende vele eeuwen aangebrachte kunstmatige ophogingen van klei, puin, mest, riet etc zijn; in eerste instantie om vee een droge ondergrond te bieden, maar deze wierdegrond bleek later een prima ondergrond om zettingsvrij te bouwen. De wierdegrond is echter veel gevoeliger gebleken voor verzakkingen als gevolg van trillingen door aardbevingen en/of directe en indirecte effecten van bodemdaling door gaswinning. De diverse opeenvolgende bevingen hebben een cumulerend effect op schade bij wierdegrond. Daardoor is het volgens Meiborg mogelijk dat er verzakkingen en verschilzettingen zijn ontstaan in de woning, terwijl de kelder niet zakt door trillingen van aardbevingen. Dat is volgens hem te verklaren doordat droge klei hard en (veel) minder zettingsgevoelig is onder belasting van een woning. De oorspronkelijke ondergrond is daarvoor niet gevoelig. De fundering onder het niet onderkelderde deel van de woning, zal als gevolg van de stijve eigenschappen van droge klei veel sneller dan 30 jaar zijn eindzetting hebben bereikt. Meiborg wijst er op dat het slootpeil van de op 45 meter afstand van de woning gelegen sloot zich op -0,27 NAP bevindt en dus op het niveau van het oorspronkelijke maaiveld voordat de wierde was aangebracht. De wierde bevindt zich daarmee volledig boven het grondwater. Dat maakt het erg aannemelijk dat deze al meer dan 400 jaar droog is geweest. In droge klei vindt geen oxidatie van organisch materiaal plaats; de klei is nagenoeg luchtdicht. De kleigrond in de wierde is droog en gecementeerd en gedraagt zich veel stijver onder gebouwbelasting vergeleken met kleilagen die zich altijd onder grondwater bevinden. Meiborg heeft ter onderbouwing van zijn visie nog verwezen naar het “TR-17 Technisch rapport voor Dijken” van Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen uit 1996. Meiborg heeft verder aangegeven dat de conclusie van Loohuis dat door verschillen in zetting in het veen tussen 1948 en 2012 zeker verschilzettingen zijn ontstaan, onjuist is. Niet benoemd is waardoor de verschillen in zettingen zijn ontstaan en of het hierbij gaat om veenoxidatie of het gewicht van de woning op de ondergrond. De verschillen in laagdiktes in de veenlaag waar Loohuis naar verwijst, bevinden zich op respectievelijk 2,70 m en 2,25 m onder het maaiveld en daarmee al meer dan 400 jaar onder de wierde met een hoogte van meer dan 2,20 meter. Daardoor zijn de klei- en veenlagen onder de woning sterk geconsolideerd. Het gewicht daarvan heeft nooit aanleiding gegeven voor verschilzettingen in de woning van eiser tussen 1948 en 2012. Zettingen in veenlagen op een diepte van meer dan 2.00 meter onder het maaiveld en altijd onder grondwater zijn uitgesloten. Deze veenlaag is altijd nat en op deze diepte kan niet voldoende zuurstof optreden om veenoxidatie te veroorzaken. 18.7. Het Instituut betoogt (in navolging van Loohuis) dat wat van de zijde van eiser en Meiborg over wierden en droge klei is aangevoerd, in het geval van eiser niet van belang is. Ter onderbouwing van de juistheid van die stelling is met name verwezen naar de door Loohuis uitgevoerde zettingsberekeningen met betrekking tot de gebouwbelasting. Wierdegrond 18.8. Niet in geschil is dat de woning is gelegen op de wierde van [plaats] . Het Instituut heeft verder niet betwist, ook niet door middel van de rapporten van de aangestelde deskundigen, dat de hiervoor beschreven bodemsamenstelling (klei, sterk siltig, matig humeus en baksteenhoudend) tot 2,2 m onder het maaiveld, wijst op wierdegrond, zoals Meiborg heeft aangegeven. 18.9. Eiser heeft zijn stelling dat wierdegrond gevoeliger is voor aardbevingen nader onderbouwd met een verwijzing naar het advies van het Panel van deskundigen van Op grond van die metingen wordt geconcludeerd dat het zettingsverschil van de begane grondvloer van de woning in de woonkamer met name in de hoek van de linkerzijgevel optreedt. Dit duidt er volgens Vergnes op dat de betreffende vloer met name vanaf de overgang tussen hal en woonkamer scheef loopt in de richting van de linker voorhoek van de woning. Uit de metingen op de eerste verdieping volgt volgens Vergnes dat er een niveauverschil is in de richting van de voorgevel en zijgevel (slaapkamer linksvoor) ten opzichte van het vloerverschil op de overloop en dat dit beeld grotendeels overeen komt met de vloerpassing zoals uitgevoerd op de begane grond. Verder is er een lintvoegwaterpasmeting rondom de woning uitgevoerd waarbij zettingsverschillen in het voegwerk inzichtelijk zijn gemaakt. Vergnes concludeert dat de lintvoegmetingen het zettingsbeeld zoals dat uit de vloerpassingen is gebleken, bevestigen. Er is namelijk een hoogteverschil waar te nemen tussen het nulpunt bij de entreedeur van de woning (rechterzijgevel) ten opzichte van de voorzijde van de woning op de hoek met de linkerzijgevel. Volgens de lintvoegmeting treedt het grootste zettingsverschil van de woning met name in de richting van de linkerzijgevel aan de voorzijde op ten opzichte van de rechterzijgevel nabij de voordeur. Afsluitend wordt door Vergnes geconcludeerd dat de scheefstand en zakking van de woning zoals waargenomen, met name tot uiting komt in de scheefstand van de begane grondvloer en in mindere mate in het metselwerk van de woning. 18.13. Het Instituut heeft zelf geen metingen laten uitvoeren of tegenover die van Vergnes laten stellen. In eerste instantie is door het Instituut met name volstaan met het verwijzen naar het rapport van Kiestra van 24 maart 2025. Daarin worden opmerkingen gemaakt over de door Vergnes gehanteerde meetmethode en waarom de gemeten waarden niet konden kloppen. Daarop is weer gereageerd door Vergnes die uiteen heeft gezet hoe en met welke apparatuur is gemeten; dit is ter zitting ook nader toegelicht. Ter gelegenheid van die zitting is van de zijde van de deskundigen die door het Instituut zijn aangesteld, alsnog aangegeven dat de vloerwaterpasmetingen wel zouden kunnen kloppen. De rechtbank constateert dat de bevindingen van Vergnes passen in het beeld zoals dat is gerezen uit de eerdere deskundigenonderzoeken. Daaruit komt naar voren dat er sprake is van een verzakking van het niet-onderkelderde deel van de woning ten opzichte van het onderkelderde deel. Dat volgde ook uit de test met rollende knikkers die ter gelegenheid van de plaatsopneming zowel op de begane grond als de vloerverdieping is gedaan. Voorzover Kiestra heeft aangegeven dat de vloermetingen niet kunnen kloppen, is er van de zijde van eiser en Meiborg op gewezen dat uit het onderzoek van Archipunt volgt dat de vloer apart van de gevels is gefundeerd op stiepen en balken op de ondergrond. De rechtbank is al met al van oordeel dat er geen aanleiding is aan de metingen en bevindingen van Vergnes te twijfelen. 18.14. De rechtbank stelt vast dat de verschilzettingen die Loohuis in zijn rapport heeft berekend als gevolg van gebouwbelasting bij de achtergevel van de woning, niet overeenkomen met de bevindingen van Vergnes. De door Loohuis berekende verschilzettingen in de (deels onderkelderde) achtergevel zijn namelijk feitelijk niet vastgesteld. Integendeel, uit de bevindingen van Vergnes volgt dat er geen noemenswaardige verschilzetting is in de achtergevel. Ter gelegenheid van de plaatsopneming is dit beeld verder bevestigd; de achtergevel staat min of meer recht en ten aanzien van de linkerzijgevel is een afschot naar voren. Wel volgt daaruit dat de woning is verzakt richting de linkerzijgevel aan de voorzijde. Nu er geen noemenswaardige verschilzettingen in de achtergevel zijn geconstateerd, kan dit naar het oordeel van de rechtbank ook niet de oorzaak zijn van de scheuren in de achtergevel. De veel grotere verschilzettingen in andere delen van de woning wo [naam] heeft van meet af aan in de procedure verklaringen ingebracht waaruit afgeleid kan worden dat de schade van na 2012 dateert en dat die mettertijd toenam. De rechtbank verwijst in dit verband naar de inhoud van de aanvraag waarin zij heeft aangegeven dat de linkerzijgevel gaat hellen en dat de scheuren met de dag groter worden en dat de dakkapel wordt meegetrokken naar de linker zijgevel, de zienswijze waarbij zij dit heeft herhaald en de AOS-melding die er is geweest. Eiser heeft terecht aangevoerd dat de schades op grotendeels goed zichtbare plekken zitten. In 2014 zijn in opdracht van de NAM naar aanleiding van eerdere schademeldingen door [naam] schaderapporten opgemaakt. Daarin worden de schades die nu tussen partijen aan de orde zijn (met uitzondering van schade 23-25), toen (kennelijk) niet genoemd en/of meegenomen. De rechtbank ziet niet in waarom goed zichtbare schades, als die toen al aanwezig waren, daarin niet meegenomen zouden zijn. De rechtbank volgt het Instituut ook om die reden niet in het standpunt dat het ontstaansmoment door eiser niet is onderbouwd. 18.20. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut hetgeen over de ontstaansdatum van de schade door [naam] en eiser naar voren is gebracht, ten onrechte niet mee heeft betrokken in de beantwoording van de vraag of er sprake is van een evidente en andere uitsluitende oorzaak van de schade en daarmee de vraag of het bewijsvermoeden weerlegd moet worden geacht. Het beroep is op dit punt gegrond. Verrichte herstelwerkzaamheden 18.21. Loohuis heeft er weliswaar en ter onderbouwing van de juistheid van zijn conclusie nog op gewezen dat er herstelwerkzaamheden aan de achtergevel moeten zijn verricht en in het nader advies van Kiestra en Ottevanger wordt er op gewezen dat aan de verschillende voegkleuren en breedtes is te zien dat er herstelwerkzaamheden aan de woning zijn uitgevoerd. De rechtbank is echter met eiser van oordeel dat dit hoe dan ook onvoldoende is onderbouwd; onvoldoende duidelijk is namelijk welke (herstel)werkzaamheden het hier betreft en wanneer die dan zouden zijn uitgevoerd. Weliswaar is in het rapport van Kiestra en Ottevanger, mede naar aanleiding van het rapport van Archipunt, aangegeven dat sprake is van verschillende voegkleuren onder de dakkapel, maar daarover is van de zijde van eiser aangevoerd dat aan het metselwerk aldaar geen wijzigingen zijn aangebracht en dat dit enkel optisch zo lijkt door de voeg. De rechtbank acht de conclusie van deze beide deskundigen die ter plaatse ook niet hebben gekeken, op dit punt onvoldoende geconcretiseerd onderbouwd en gaat daar aan voorbij. Bij de beoordeling is verder van belang dat er na de bouw in 1948 geen sprake kan zijn geweest van extra spanning en trekkrachten op de achtergevel. De dakkapel was immers al bij de bouw van de woning in 1948 aangebracht. Trillingen 18.22. Hiervoor is al overwogen dat voorzover het Instituut zich op het standpunt heeft gesteld dat aan de hand van staande wetenschappelijke inzichten eigenlijk op voorhand al kan worden uitgesloten dat trillingen tot de betreffende zettingen hebben geleid, dat standpunt niet juist is. Eerst moet op basis van meergenoemd bewijsbeleid namelijk een evidente en andere uitsluitende oorzaak voor de schade worden aangewezen dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Als de deskundige daar niet in slaagt mogen de trillingswaarden niet gebruikt worden om alsnog het bewijsvermoeden te weerleggen. De notitie van Van Staalduinen en Everts “Over de invloed van trillingen door bevingen op zettingen van gebouwen” van 16 december 2020 heeft in het toetsingskader dan ook pas een plaats nadat is vastgesteld dat er een andere uitsluitende oorzaak voor het optreden van de schade is aangewezen. Reeds daarom snijdt dat standpunt van het Instituut geen hout. 18.23. Overigens heeft eiser er terecht op gewezen dat laatstgenoemde notitie ziet op verweking en verdichting en niet op andere mechanismes. In de reactie op het commentaar van Meiborg over de Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven. 19.3. Zoals hierna nog in 22 zal worden gemotiveerd komt de rechtbank tot het oordeel dat de herstelkosten nader moeten worden begroot. In dat kader zal eerst worden stilgestaan bij de vraag of scheefstand als schade moet worden meegenomen en of dat ook geldt voor de schade 23, 24 en 25 en de schades 88, 89 en 90. Scheefstand als schade meenemen? 20. Eiser betoogt dat de scheefstand van de woning ten onrechte niet als separate schade is aangemerkt terwijl deze wel onderdeel uitmaakt van de procedure. Hij wijst er daarbij ondermeer op dat de schade aan de fundering die verband houdt met de scheefstand (schade 81) wel als schade is aangemerkt. 20.1. Het Instituut heeft ter zake primair aangevoerd dat er geen sprake is van scheefstand en er subsidiair op gewezen dat de schade ziet op scheuren en meer subsidiair aangegeven dat deze schade niet is beoordeeld en buiten de onderhavige procedure valt en dat eiser daarvoor een nieuwe aanvraag kan indienen. Ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank is door het Instituut overigens aangegeven dat de scheefstand van de vloeren, wel meegenomen kon worden, maar dat ook hiervoor het bewijsvermoeden weerlegd moet worden geacht. 20.2. De rechtbank acht in dit verband van belang dat in de Praktische Uitwerking Deskundigen onder 1.2.1 staat vermeld dat het Instituut het begrip fysieke schade als volgt definieert: “ Onder fysieke schade wordt verstaan: een fysieke aantasting, die zich manifesteert in een blijvende verandering van vorm of structuur of stand c.q. verzakking, die naar verkeersopvatting de gaafheid kenmerkt. Verder is daarbij vereist dat de fysieke schade is ontstaan aan een ‘gebouw’ of ‘werk’ .” Dit staat ook zo gedefinieerd in voornoemd Paneladvies uit 2019 op p. 9. Eiser heeft er terecht op gewezen dat uit het Paneladvies volgt dat fysieke schades, die bestaan uit verzakkingen, verschilzettingen, scheefstanden en scheuren, schades zijn die naar hun aard redelijkerwijs zouden kunnen zijn veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld. Deze schades staan ook niet op de lijst van fysieke schades die op basis van alleen hun uiterlijke kenmerken worden uitgesloten van enige relatie met bodembewegingen door mijnbouwexploitatie. 20.3. Voorts staat in de Praktische Uitwerking Deskundigen onder 2.5.6 dat alle door de aanvrager gemelde schade wordt vastgelegd en van een technische toelichting wordt voorzien. De deskundige dient dus alle schade op te nemen die de bewoner bedoeld heeft te melden en/of waarvan de bewoner van mening is dat er sprake is van mijnbouwschade. Daarbij is vermeld het de deskundige onder geen beding is toegestaan om een opname van schade achterwege te laten, omdat hij van mening is dat er geen sprake is van mijnbouwschade, wanneer de aanvrager meent dat die wel voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. 20.4. Dat er sprake is van verzakking en verschilzetting is, zoals hiervoor is overwogen, niet in discussie. Hiervoor is al aangegeven dat er onvoldoende aanleiding is om te twijfelen aan de bevindingen van Vergnes op basis van de uitgevoerde metingen. Eiser heeft er verder terecht op gewezen dat de schade 81 aan de fundering, die zich ook onder de linkerzijgevel bevindt, als schade is aangemerkt. Gelet op het vorenstaande en alsmede al bij de initiële aanvraag om schadevergoeding is aangegeven dat er sprake is van scheefstand en gevraagd is dit bij het onderzoek te betrekken, is de rechtbank van oordeel dat de scheefstand deel uitmaakt van onderhavige procedure. Eiser hoeft daarvoor geen nieuwe aanvraag in te dienen. Ook ten aanzien van de scheefstand is het bewijsvermoeden naar het oordeel van de rechtbank niet weerlegd. Het beroep is op dit punt gegrond. Schades 23, 24 en 25; bevoegdheid van het Instituut 21. De schades 23, 24 en 25 betreffen scheurvorming in (het metselwerk van) de gevels aan de west- en hoofdzijde (23), de noordzijde (24) en De rechtbank stelt vast dat in de rapportages van Doedel is uitgegaan van herstel van scheuren. Daarbij is met name uitgegaan van cosmetisch herstel en niet van constructief herstel. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende concrete twijfel aan de juistheid van dit advies voor wat betreft de kosten voor herstel naar voren heeft gebracht, nu er ook sprake is van scheefstand en verschilzettingen zoals hiervoor is overwogen. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank nu niet in zal gaan op de afzonderlijke schadeposten onder de nummers 38, 42, 44, 63, 65 en 87. 22.3. Dat laat onverlet dat de rechtbank op basis van de deskundigenrapporten die zich nu in het dossier bevinden, niet op voorhand het betoog van eiser kan volgen dat sloop- nieuwbouw moet plaatsvinden. Dat gaat immers in beginsel verder dan herstel in oude toestand en daarvoor moet eerst meer onderzoek gedaan worden naar de methode van herstel en de kosten voor herstel. In het rapport van 24 oktober 2024 van Kiestra en Ottevanger en ter gelegenheid van de zitting is ook betwist dat dit de enige mogelijkheid voor herstel zou zijn. Daarbij komt dat ter gelegenheid van de regiezitting ook van de zijde van eiser is aangegeven dat gekeken zou moeten worden naar de kosten voor herstel en dat van de zijde van eiser in een door hem aangeleverde contra-expertise in eerste instantie is uitgegaan van een veel lager bedrag aan herstelkosten dan sloop en nieuwbouw; overigens is daarbij wel bepleit dat gekeken moest worden naar constructief herstel. 22.4. Al met al acht de rechtbank het aangewezen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2203, dat de schade nu begroot gaat worden. Het Instituut moet daarvoor de methode van herstel en de herstelkosten en het daarmee corresponderende bedrag aan schadevergoeding bepalen. Daarbij dient hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de schade, in acht te worden genomen . Conclusie en gevolgen 23. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene Wet Bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, zoals hiervoor is overwogen, geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. 23.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het Instituut een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het Instituut hiervoor 16 weken. 23.2. Omdat het beroep gegrond is moet het Instituut het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Instituut moet deze vergoeding betalen. Proceskosten rechtsbijstand 23.3. Eiser heeft voorts verzocht om het Instituut in de volledige juridische kosten te veroordelen. Het Instituut heeft er bij brief 5 september 2025 op gewezen dat de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) moeten worden beoordeeld. De rechtbank overweegt in dit kader dat het Bpb een forfaitair vergoedingenstelsel kent. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit stelsel rechtvaardigen; vgl. de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1329. 23.4. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling met een zwaarte van 1 een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). Daarna zijn aanvullende gronden ingediend, alsmede twee schriftelijke reacties op processtukken van het Instituut met deskundigenberichten. De rechtbank zal daarvoor 3 keer 0,5 punten toekennen (1,5 punt). Daarnaast heeft de gemachtigde aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt), aan de regiezitting (0,5 punt) en aan de plaatsopneming (0,5 punt). De rechtbank