Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-20
ECLI:NL:RBNNE:2026:1804
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
7,813 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1804 text/xml public 2026-05-21T11:00:28 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-20 LEE 26/803 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1804 text/html public 2026-05-19T10:43:33 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1804 Rechtbank Noord-Nederland , 20-05-2026 / LEE 26/803 Verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) gaat over handhavingsprocedures in verband met stikstof. De locatiegegevens betreffen milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Dit betekent dat de weigeringsgronden van artikel 5.1., eerste en tweede lid, van de Woo niet van toepassing zijn. De voorzieningenrechter schort de openbaarmaking niet op. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/803 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. drs. D.B. Pors), en Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, verweerder (gemachtigde: I. Boschma). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit Leeuwarden. Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van verweerder op het verzoek van de derde-partij om openbaarmaking van documenten. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Totstandkoming van het besluit en procesverloop 2. Derde-partij heeft op 4 november 2025 bij verweerder het volgende verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend: Tijdens de informerende bijeenkomst Stikstof op 8 oktober jl. heeft u aan Provinciale Staten medegedeeld dat er tegen 36 Friese ondernemingen een handhavingsverzoek is ingediend of een aanverwant traject loopt vanwege de uitstoot van stikstof op de natuur. De provincie heeft een lijst opgesteld waarin deze 36 casussen nader worden onderverdeeld en gespecifieerd. Deze lijst is op 9 oktober per mail met dit medium gedeeld. Dit document is als bijlage bij dit Woo-verzoek toegevoegd. Het gaat om 13 lopende handhavingsverzoeken,4 zaken in bezwaarprocedure, 10 zaken waartegen beroep is aangetekend en 9 hogerberoepszaken die zijn voorgelegd aan de Raad van State. Ik vraag om kopie van documenten bij of onder u betreffende: • De door derden ingediende handhavingsverzoeken, in totaal 13 , zoals genoemd en bedoeld in het document van 9 oktober; • De door derden ingediende bezwaarschriften, in totaal 4, zoals genoemd en bedoeld in het document van 9 oktober; • (Afschriften van) de door derden ingediende beroepsschriften bij de bestuursrechter, in totaal 10, zoals genoemd en bedoeld in het document van 9 oktober; • (Afschriften van) de door derden ingediende beroepschriften voor hoger beroep, in totaal 9, zoals genoemd en bedoeld in het document van 9 oktober. 2.1. Bij de behandeling van het Woo-verzoek heeft verweerder met de derde-partij overleg gevoerd over de strekking en omvang van het verzoek. Daarnaast heeft verweerder betrokkenen, waaronder verzoekster, de gelegenheid gegeven een zienswijze in te dienen. Verzoekster heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. 2.2. Bij besluit van 4 maart 2026 heeft verweerder besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van de gevraagde documenten. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd de voorziening te treffen dat de openbaarmaking wordt opgeschort gedurende de behandeling van het bezwaar. 2.3. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder en de derde-partij. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader 3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de artikelen 1.1. en 2.5. van de Woo volgt dat openbaarheid van publieke informatie het uitgangspunt is van de wet. Doen zich weigeringsgronden voor? 4. Verzoekster voert aan dat de gevraagde gegevens de bedrijfslocatie en tevens woonadres van verzoekster bevatten. Openbaarmaking van locatiegegevens levert een reëel risico op intimidatie en bedreiging op. De toenemende intimidatie en agressie raken niet alleen de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van verzoekster, maar ook die van familie, personeel, klanten en afnemers. Daarnaast worden ook de eigendommen van verzoekster hierdoor in gevaar gebracht. Openbaarmaking van de locatiegegevens, in samenhang met de inhoud van het document, kan gerichte acties door activisten vergemakkelijken en daarmee leiden tot ernstige schade aan het bedrijf van verzoekster. Dat bekend wordt dat verzoekster PAS-melder is, kan daarnaast ook leiden tot reputatieschade. Verzoekster heeft niet gekozen voor de publiciteit rond PAS-meldingen en heeft de aandacht rond de handhavingszaak, met tv-opnames, ervaren als een inbreuk op haar privacy. De openbaarmaking kan voorts afbreuk doen aan de rechtsgang in hoger beroep in de handhavingszaak. Verder betreft de gevraagde informatie bedrijfs- en fabricagegegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn verstrekt. Openbaarmaking van deze vertrouwelijk verstrekte bedrijfsgegevens leidt ertoe dat gevoelige informatie, zoals de ammoniakemissie (en indirect de omvang en inrichting van het bedrijf), direct toegankelijk wordt voor concurrenten. 4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster zich onder meer beroept op de absolute weigeringsgrond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, (bedrijfs- en fabricagegegevens) en op de relatieve weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e (persoonlijke levenssfeer) en h van de Woo (beveiliging en voorkomen van sabotage). 4.2. Ter zitting is besproken dat de gegevens waarvan verzoekster openbaarmaking wil voorkomen, in het bijzonder de locatiegegevens van het bedrijf van verzoekster, volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) , aangemerkt worden als milieu-informatie die gaat over emissies in het milieu. Ter zitting is ook besproken dat uit artikel 5.1, zevende lid, van de Woo volgt dat bovengenoemde weigeringsgronden niet van toepassing zijn als het gaat om milieu-informatie die gaat over emissies in het milieu. 4.3. Verzoekster heeft ter zitting gesteld dat de wetgever artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2003/4/EG (milieu-informatierichtlijn) niet correct heeft geïmplementeerd in de Woo. Deze bepaling gaat over de rechtsgang en de mogelijkheid voor een persoon om een eerlijk proces te krijgen. 4.3.1. De voorzieningenrechter deelt deze opvatting niet. In de eerste plaats verwijst de voorzieningenrechter naar het oordeel van de AbRS dat artikel 5.1, zevende lid, van de Woo niet in strijd is met onder meer de milieu-informatierichtlijn. Omdat de AbRS niet expliciet de door verzoekster genoemde bepaling artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c van de milieu-informatierichtlijn bespreekt, overweegt de voorzieningenrechter aanvullend dat deze bepaling de lidstaten weliswaar de bevoegdheid geeft om een verzoek tot milieu-informatie in nader omschreven situaties te weigeren, maar hiertoe niet de verplichting oplegt.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1804 text/xml public 2026-05-21T11:00:28 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-20 LEE 26/803 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1804 text/html public 2026-05-19T10:43:33 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1804 Rechtbank Noord-Nederland , 20-05-2026 / LEE 26/803 Verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) gaat over handhavingsprocedures in verband met stikstof. De locatiegegevens betreffen milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Dit betekent dat de weigeringsgronden van artikel 5.1., eerste en tweede lid, van de Woo niet van toepassing zijn. De voorzieningenrechter schort de openbaarmaking niet op. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/803 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. drs. D.B. Pors), en Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, verweerder (gemachtigde: I. Boschma). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit Leeuwarden. Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van verweerder op het verzoek van de derde-partij om openbaarmaking van documenten. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Totstandkoming van het besluit en procesverloop 2. Derde-partij heeft op 4 november 2025 bij verweerder het volgende verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend: Tijdens de informerende bijeenkomst Stikstof op 8 oktober jl. heeft u aan Provinciale Staten medegedeeld dat er tegen 36 Friese ondernemingen een handhavingsverzoek is ingediend of een aanverwant traject loopt vanwege de uitstoot van stikstof op de natuur. De provincie heeft een lijst opgesteld waarin deze 36 casussen nader worden onderverdeeld en gespecifieerd. Deze lijst is op 9 oktober per mail met dit medium gedeeld. Dit document is als bijlage bij dit Woo-verzoek toegevoegd. Het gaat om 13 lopende handhavingsverzoeken,4 zaken in bezwaarprocedure, 10 zaken waartegen beroep is aangetekend en 9 hogerberoepszaken die zijn voorgelegd aan de Raad van State. Ik vraag om kopie van documenten bij of onder u betreffende: • De door derden ingediende handhavingsverzoeken, in totaal 13 , zoals genoemd en bedoeld in het document van 9 oktober; • De door derden ingediende bezwaarschriften, in totaal 4, zoals genoemd en bedoeld in het document van 9 oktober; • (Afschriften van) de door derden ingediende beroepsschriften bij de bestuursrechter, in totaal 10, zoals genoemd en bedoeld in het document van 9 oktober; • (Afschriften van) de door derden ingediende beroepschriften voor hoger beroep, in totaal 9, zoals genoemd en bedoeld in het document van 9 oktober. 2.1. Bij de behandeling van het Woo-verzoek heeft verweerder met de derde-partij overleg gevoerd over de strekking en omvang van het verzoek. Daarnaast heeft verweerder betrokkenen, waaronder verzoekster, de gelegenheid gegeven een zienswijze in te dienen. Verzoekster heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. 2.2. Bij besluit van 4 maart 2026 heeft verweerder besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van de gevraagde documenten. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd de voorziening te treffen dat de openbaarmaking wordt opgeschort gedurende de behandeling van het bezwaar. 2.3. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder en de derde-partij. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader 3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de artikelen 1.1. en 2.5. van de Woo volgt dat openbaarheid van publieke informatie het uitgangspunt is van de wet. Doen zich weigeringsgronden voor? 4. Verzoekster voert aan dat de gevraagde gegevens de bedrijfslocatie en tevens woonadres van verzoekster bevatten. Openbaarmaking van locatiegegevens levert een reëel risico op intimidatie en bedreiging op. De toenemende intimidatie en agressie raken niet alleen de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van verzoekster, maar ook die van familie, personeel, klanten en afnemers. Daarnaast worden ook de eigendommen van verzoekster hierdoor in gevaar gebracht. Openbaarmaking van de locatiegegevens, in samenhang met de inhoud van het document, kan gerichte acties door activisten vergemakkelijken en daarmee leiden tot ernstige schade aan het bedrijf van verzoekster. Dat bekend wordt dat verzoekster PAS-melder is, kan daarnaast ook leiden tot reputatieschade. Verzoekster heeft niet gekozen voor de publiciteit rond PAS-meldingen en heeft de aandacht rond de handhavingszaak, met tv-opnames, ervaren als een inbreuk op haar privacy. De openbaarmaking kan voorts afbreuk doen aan de rechtsgang in hoger beroep in de handhavingszaak. Verder betreft de gevraagde informatie bedrijfs- en fabricagegegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn verstrekt. Openbaarmaking van deze vertrouwelijk verstrekte bedrijfsgegevens leidt ertoe dat gevoelige informatie, zoals de ammoniakemissie (en indirect de omvang en inrichting van het bedrijf), direct toegankelijk wordt voor concurrenten. 4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster zich onder meer beroept op de absolute weigeringsgrond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, (bedrijfs- en fabricagegegevens) en op de relatieve weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e (persoonlijke levenssfeer) en h van de Woo (beveiliging en voorkomen van sabotage). 4.2. Ter zitting is besproken dat de gegevens waarvan verzoekster openbaarmaking wil voorkomen, in het bijzonder de locatiegegevens van het bedrijf van verzoekster, volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) , aangemerkt worden als milieu-informatie die gaat over emissies in het milieu. Ter zitting is ook besproken dat uit artikel 5.1, zevende lid, van de Woo volgt dat bovengenoemde weigeringsgronden niet van toepassing zijn als het gaat om milieu-informatie die gaat over emissies in het milieu. 4.3. Verzoekster heeft ter zitting gesteld dat de wetgever artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2003/4/EG (milieu-informatierichtlijn) niet correct heeft geïmplementeerd in de Woo. Deze bepaling gaat over de rechtsgang en de mogelijkheid voor een persoon om een eerlijk proces te krijgen. 4.3.1. De voorzieningenrechter deelt deze opvatting niet. In de eerste plaats verwijst de voorzieningenrechter naar het oordeel van de AbRS dat artikel 5.1, zevende lid, van de Woo niet in strijd is met onder meer de milieu-informatierichtlijn. Omdat de AbRS niet expliciet de door verzoekster genoemde bepaling artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c van de milieu-informatierichtlijn bespreekt, overweegt de voorzieningenrechter aanvullend dat deze bepaling de lidstaten weliswaar de bevoegdheid geeft om een verzoek tot milieu-informatie in nader omschreven situaties te weigeren, maar hiertoe niet de verplichting oplegt.
Volledig
Daarnaast ziet de voorzieningenrechter niet in hoe openbaarmaking van de informatie in kwestie de rechtsgang in het hoger beroep in de handhavingszaak, of de mogelijkheid voor verzoekster om een eerlijk proces te krijgen, kan schaden. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter onder meer dat genoemde procedure zelf ook openbaar is. Van een incorrecte implementatie van genoemde bepaling is niet gebleken. 4.4. Daarnaast vraagt verzoekster om artikel 5.1, zevende lid, van de Woo buiten toepassing te verklaren na exceptieve toetsing. Omdat het gaat om een bepaling van een wet in formele zin, is het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet van toepassing. Zoals ter zitting is besproken, kan de bestuursrechter een dergelijke bepaling alleen maar buiten toepassing verklaren middels contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waarbij die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven . 4.4.1. Verzoekster voert aan dat de wetgever niet heeft verdisconteerd dat zich de situatie kan voordoen dat openbaarmaking het belang van een partij in een lopende procedure schaadt, zoals voor eiseres het geval is in de procedure van hoger beroep in de handhavingszaak. 4.4.2. De voorzieningenrechter overweegt dat dit in feite hetzelfde argument is als in 4.3. en 4.3.1. is besproken. Onder verwijzing naar deze overwegingen oordeelt de voorzieningenrechter dat exceptieve toetsing niet kan leiden tot het buiten toepassing verklaren van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo. 4.5. Verzoekster beroept zich ook op artikel 5.1., vijfde lid, van de Woo. De voorzieningenrechter overweegt dat deze bepaling gaat over de openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie. Omdat het hier juist wel gaat om milieu-informatie (zie overweging 4.2.), is deze bepaling niet van toepassing. 4.6. Verder beroept verzoekster zich op artikel 5.1., zesde lid, van de Woo. De voorzieningenrechter overweegt dat deze bepaling ook niet van toepassing is omdat in deze zaak niet is gebleken dat het gaat om bedrijfs- of fabricatiegegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld. Gezien de verwijzing naar artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo, is dit een voorwaarde voor toepasselijkheid van de bepaling. 4.7. Gezien het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de door verzoekster genoemde weigeringsgronden niet van toepassing zijn. Verweerder heeft de openbaarmaking dus niet verder hoeven te beperken dan in het bestreden besluit is gebeurd. Conclusie en gevolgen 5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de openbaarmaking niet opgeschort wordt. Er is geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage Wet open overheid Artikel 1.1. Recht op toegang Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen. Artikel 2.5. Belang openbaarheid Bij de toepassing van deze wet wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. Artikel 5.1. Uitzonderingen 1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt; e. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt. 2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens; g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft; h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage; i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. (…) 5. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden. 6. Het openbaar maken van informatie blijft in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, in geval van milieu-informatie eveneens achterwege voor zover daardoor het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde belang ernstig geschaad wordt en het algemeen belang van openbaarheid van informatie niet opweegt tegen deze schade. 7. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad Artikel 4 Uitzonderingen (…) 2. De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd, indien openbaarmaking van de informatie afbreuk doet aan een van de volgende punten: (…) c) de rechtsgang, de mogelijkheid voor een persoon om een eerlijk proces te krijgen of de mogelijkheid voor een overheid om een onderzoek van strafrechtelijke of disciplinaire aard in te stellen; ECLI:NL:RVS:2019:795, r.o. 3.3., ECLI:NL:RVS:2021:153, r.o. 6.5, ECLI:NL:RVS:2022:128, r.o. 5.3. en ECLI:NL:RVS:2025:4557, r.o. 9.3. ECLI:NL:RVS:2025:4557, r.o. 10.1. ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.10. en 9.11.
Volledig
Daarnaast ziet de voorzieningenrechter niet in hoe openbaarmaking van de informatie in kwestie de rechtsgang in het hoger beroep in de handhavingszaak, of de mogelijkheid voor verzoekster om een eerlijk proces te krijgen, kan schaden. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter onder meer dat genoemde procedure zelf ook openbaar is. Van een incorrecte implementatie van genoemde bepaling is niet gebleken. 4.4. Daarnaast vraagt verzoekster om artikel 5.1, zevende lid, van de Woo buiten toepassing te verklaren na exceptieve toetsing. Omdat het gaat om een bepaling van een wet in formele zin, is het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet van toepassing. Zoals ter zitting is besproken, kan de bestuursrechter een dergelijke bepaling alleen maar buiten toepassing verklaren middels contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waarbij die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven . 4.4.1. Verzoekster voert aan dat de wetgever niet heeft verdisconteerd dat zich de situatie kan voordoen dat openbaarmaking het belang van een partij in een lopende procedure schaadt, zoals voor eiseres het geval is in de procedure van hoger beroep in de handhavingszaak. 4.4.2. De voorzieningenrechter overweegt dat dit in feite hetzelfde argument is als in 4.3. en 4.3.1. is besproken. Onder verwijzing naar deze overwegingen oordeelt de voorzieningenrechter dat exceptieve toetsing niet kan leiden tot het buiten toepassing verklaren van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo. 4.5. Verzoekster beroept zich ook op artikel 5.1., vijfde lid, van de Woo. De voorzieningenrechter overweegt dat deze bepaling gaat over de openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie. Omdat het hier juist wel gaat om milieu-informatie (zie overweging 4.2.), is deze bepaling niet van toepassing. 4.6. Verder beroept verzoekster zich op artikel 5.1., zesde lid, van de Woo. De voorzieningenrechter overweegt dat deze bepaling ook niet van toepassing is omdat in deze zaak niet is gebleken dat het gaat om bedrijfs- of fabricatiegegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld. Gezien de verwijzing naar artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo, is dit een voorwaarde voor toepasselijkheid van de bepaling. 4.7. Gezien het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de door verzoekster genoemde weigeringsgronden niet van toepassing zijn. Verweerder heeft de openbaarmaking dus niet verder hoeven te beperken dan in het bestreden besluit is gebeurd. Conclusie en gevolgen 5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de openbaarmaking niet opgeschort wordt. Er is geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage Wet open overheid Artikel 1.1. Recht op toegang Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen. Artikel 2.5. Belang openbaarheid Bij de toepassing van deze wet wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. Artikel 5.1. Uitzonderingen 1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt; e. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt. 2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens; g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft; h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage; i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. (…) 5. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden. 6. Het openbaar maken van informatie blijft in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, in geval van milieu-informatie eveneens achterwege voor zover daardoor het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde belang ernstig geschaad wordt en het algemeen belang van openbaarheid van informatie niet opweegt tegen deze schade. 7. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad Artikel 4 Uitzonderingen (…) 2. De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd, indien openbaarmaking van de informatie afbreuk doet aan een van de volgende punten: (…) c) de rechtsgang, de mogelijkheid voor een persoon om een eerlijk proces te krijgen of de mogelijkheid voor een overheid om een onderzoek van strafrechtelijke of disciplinaire aard in te stellen; ECLI:NL:RVS:2019:795, r.o. 3.3., ECLI:NL:RVS:2021:153, r.o. 6.5, ECLI:NL:RVS:2022:128, r.o. 5.3. en ECLI:NL:RVS:2025:4557, r.o. 9.3. ECLI:NL:RVS:2025:4557, r.o. 10.1. ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.10. en 9.11.