Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-13
ECLI:NL:RBNNE:2026:1796
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
6,753 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1796 text/xml public 2026-05-19T11:41:40 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-13 255230 en 255235 Uitspraak Beschikking NL Groningen Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1796 text/html public 2026-05-19T11:41:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1796 Rechtbank Noord-Nederland , 13-05-2026 / 255230 en 255235 Samenplaatsing van broer en zus en de betekenis van artikel 8 EVRM. Kinderrechter verlengt kinderbeschermingsmaatregelen en verzoekt de Raad nader onderzoek te doen naar het (woon)perspectief, met inbegrip van de mogelijkheid van samenplaatsing van broer en zus, in het licht van artikel 8 EVRM en vooruitlopend op de wettelijke verankering van samenplaatsing. De Raad krijgt de uitdrukkelijke opdracht om hier aandacht aan te besteden. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Groningen Zaaknummers: C/18/255230 / JE RK 26-672 en C/18/255235 / JE RK 26-673 Beschikking van 13 mei 2026 van de kinderrechter over de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in de zaken die betrekking hebben op [kind 1] , die is geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , en die hierna " [kind 1] " wordt genoemd, en [kind 2] , die is geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , en die hierna " [kind 2] " wordt genoemd. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering , die is gevestigd in Amsterdam, en die hierna "de GI" wordt genoemd, [de moeder] , die woont in [woonplaats] , en die hierna "de moeder" wordt genoemd, advocaat: mr. J. Scholtens, die kantoor houdt in Stadskanaal, [de vader] , die woont in [woonplaats] , en die hierna "de vader" wordt genoemd, advocaat: mr. G.E. Knol, die kantoor houdt in Groningen, [de pleegouders] , die wonen in [woonplaats] , en die hierna " [de pleegouders] " worden genoemd. 1 Het procesverloop In de zaak met zaaknummer C/18/255230 / JE RK 26-672 1.1. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de GI, dat de rechtbank heeft ontvangen op 9 april 2026. Daarin verzoekt de GI de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind 2] in een gezinshuis te verlengen voor de duur van één jaar. In de zaak met zaaknummer C/18/255235 / JE RK 26-673 1.2. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de GI, dat de rechtbank heeft ontvangen op 9 april 2026. Daarin verzoekt de GI de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind 1] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van één jaar. 1.3. Op 11 mei 2026 heeft de rechtbank een brief van [kind 1] ontvangen. In beide zaken 1.4. Op 13 mei 2026 heeft de kinderrechter de verzoeken mondeling en gevoegd behandeld. Hij heeft toen gesproken met de ouders, hun advocaten, de pleegvader van [kind 1] en [naam vertegenwoordiger] die de GI vertegenwoordigt. 1.5. De kinderrechter heeft direct na de mondelinge behandeling uitspraak gedaan. Hij heeft de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] verlengd voor de duur van zes maanden, dus tot 17 november 2026 en iedere verdere beslissing, in afwachting van onderzoek door de Raad, aangehouden. De kinderrechter heeft aangekondigd dat hij de gronden waarop de uitspraak rust schriftelijk uitwerkt in deze, vandaag te geven, beschikking. 2 De feiten 2.1. De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten. 2.2. De ouders oefenen samen het gezag uit over de nu negenjarige [kind 1] en nu zesjarige [kind 2] . 2.3. [kind 1] woont sinds februari 2021 bij de pleegouders. Bij beschikking van 17 mei 2023 is [kind 1] onder toezicht gesteld van de GI en is zij met een machtiging uit huis geplaatst in het pleeggezin. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd tot 17 mei 2026. 2.4. [kind 2] is bij beschikking van 17 mei 2023 onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 14 augustus 2024 is [kind 2] met een machtiging uit huis geplaatst, eerst in een pleeggezin en later in gezinshuizen. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd tot 17 mei 2026. 2.5. Vanwege de grote zorgbehoefte en de in ernst toegenomen gedragsproblemen van [kind 2] , is [kind 2] medio maart 2026 overgeplaatst naar een gezinshuis in [plaats] . 2.6. De kinderen hebben de ene week een begeleid contactmoment met de moeder en de andere week een begeleid contactmoment met de vader voor de duur van anderhalf uur. 3 De beoordeling 3.1. Het gaat in deze gevoegd behandelde zaken om de nu negenjarige [kind 1] en nu zesjarige [kind 2] . [kind 1] en [kind 2] staan onder toezicht en wonen niet meer bij hun ouders. [kind 1] woont in een pleeggezin en [kind 2] woont in een gezinshuis. Beide kinderen zijn kwetsbaar en hebben een belast verleden en een verzwaarde opvoedvraag. Deze opvoedvraag komt zowel voort uit een beschadiging in de ouder-kind relatie en een trauma, alsmede uit de extra medische zorg die de kinderen behoeven als gevolg van een genafwijking. Het is gebleken dat de ouders, ook met intensieve ondersteuning en begeleiding, niet aan deze opvoedvraag kunnen beantwoorden. Omdat [kind 2] de afgelopen maanden in toenemende mate ernstige gedragsproblemen heeft ontwikkeld, is nader onderzoek nodig naar de aard en oorzaak daarvan. Daarnaast wordt [kind 2] extra belast doordat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing er niet alleen toe hebben geleid dat hij uit huis is geplaatst bij de moeder, maar dat [kind 2] vervolgens tweemaal is (over)geplaatst in gezinshuizen die mogelijk niet of onvoldoende hebben kunnen aansluiten bij zijn zorgbehoefte. De huidige plaatsing heeft een tijdelijk karakter en de GI overweegt een perspectiefbiedende plaatsing in het pleeggezin van [kind 1] . 3.2. Met de wijze waarop de uithuisplaatsing van [kind 2] vorm en inhoud heeft gekregen, heeft de kinderrechter grote moeite. [kind 2] is uit zijn vertrouwde omgeving gehaald omdat dat beter voor hem zou zijn, terwijl uit het verloop van de maatregelen blijkt dat hij in korte tijd niet alleen van zijn moeder is gescheiden, maar ook tweemaal is geplaatst in gezinshuizen waar [kind 2] geen perspectief kan worden geboden. Ook nu is zijn toekomst onzeker. Daarbij rijst de vraag of de genomen maatregelen per saldo niet schadelijker zijn geweest dan wanneer er geen uithuisplaatsing zou zijn geweest. 3.3. De kinderrechter vraagt zich bovendien af hoe de GI nu reeds tot de slotsom kan komen dat het woonperspectief van [kind 2] niet langer bij zijn ouders ligt, gelet op de wettelijke taakstelling dat de thans genomen, tijdelijke, kinderbeschermingsmaatregelen er juist op gericht moeten zijn om een terugplaatsing bij de ouders voorop te stellen. Uit de stukken kan de kinderrechter niet afleiden welke (niet meer weg te nemen) belemmeringen eraan in de weg staan om een terugplaatsing te (blijven) overwegen. Dat sluit niet uit dat dergelijke belemmeringen wel bestaan, maar de kinderrechter kent deze op dit moment niet. 3.4. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling aan de kinderrechter verteld dat zij [kind 1] destijds vrijwillig uit huis hebben geplaatst en dat zij ervaren dat [kind 1] liefdevol is opgenomen in het gezin van de pleegouders. Hoewel de ouders natuurlijk graag zelf voor hun kinderen willen zorgen, erkennen zij dat dit voor [kind 1] niet meer mogelijk is. Zij berusten erin dat [kind 1] in het pleeggezin zal opgroeien en gunnen haar dat ook. 3.5. Alleen ten aanzien van [kind 2] bestaat er bij de ouders weerstand tegen de uithuisplaatsing. Dat lijkt in de eerste plaats samen te hangen met het feit dat voor hen onvoldoende duidelijk is geworden waarom [kind 2] uit huis moest worden geplaatst, en daarnaast met het gegeven dat deze plaatsing volgens hen heeft geleid tot de gedragsproblematiek die [kind 2] inmiddels heeft ontwikkeld. Het is voor de moeder pijnlijk om daarover te moeten lezen en horen, terwijl [kind 2] deze problematiek niet had in de periode dat hij nog bij haar woonde. 3.6. Onder deze feiten en omstandigheden stagneert een behoorlijke uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1796 text/xml public 2026-05-19T11:41:40 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-13 255230 en 255235 Uitspraak Beschikking NL Groningen Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1796 text/html public 2026-05-19T11:41:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1796 Rechtbank Noord-Nederland , 13-05-2026 / 255230 en 255235 Samenplaatsing van broer en zus en de betekenis van artikel 8 EVRM. Kinderrechter verlengt kinderbeschermingsmaatregelen en verzoekt de Raad nader onderzoek te doen naar het (woon)perspectief, met inbegrip van de mogelijkheid van samenplaatsing van broer en zus, in het licht van artikel 8 EVRM en vooruitlopend op de wettelijke verankering van samenplaatsing. De Raad krijgt de uitdrukkelijke opdracht om hier aandacht aan te besteden. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Groningen Zaaknummers: C/18/255230 / JE RK 26-672 en C/18/255235 / JE RK 26-673 Beschikking van 13 mei 2026 van de kinderrechter over de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in de zaken die betrekking hebben op [kind 1] , die is geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , en die hierna " [kind 1] " wordt genoemd, en [kind 2] , die is geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , en die hierna " [kind 2] " wordt genoemd. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering , die is gevestigd in Amsterdam, en die hierna "de GI" wordt genoemd, [de moeder] , die woont in [woonplaats] , en die hierna "de moeder" wordt genoemd, advocaat: mr. J. Scholtens, die kantoor houdt in Stadskanaal, [de vader] , die woont in [woonplaats] , en die hierna "de vader" wordt genoemd, advocaat: mr. G.E. Knol, die kantoor houdt in Groningen, [de pleegouders] , die wonen in [woonplaats] , en die hierna " [de pleegouders] " worden genoemd. 1 Het procesverloop In de zaak met zaaknummer C/18/255230 / JE RK 26-672 1.1. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de GI, dat de rechtbank heeft ontvangen op 9 april 2026. Daarin verzoekt de GI de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind 2] in een gezinshuis te verlengen voor de duur van één jaar. In de zaak met zaaknummer C/18/255235 / JE RK 26-673 1.2. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de GI, dat de rechtbank heeft ontvangen op 9 april 2026. Daarin verzoekt de GI de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind 1] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van één jaar. 1.3. Op 11 mei 2026 heeft de rechtbank een brief van [kind 1] ontvangen. In beide zaken 1.4. Op 13 mei 2026 heeft de kinderrechter de verzoeken mondeling en gevoegd behandeld. Hij heeft toen gesproken met de ouders, hun advocaten, de pleegvader van [kind 1] en [naam vertegenwoordiger] die de GI vertegenwoordigt. 1.5. De kinderrechter heeft direct na de mondelinge behandeling uitspraak gedaan. Hij heeft de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] verlengd voor de duur van zes maanden, dus tot 17 november 2026 en iedere verdere beslissing, in afwachting van onderzoek door de Raad, aangehouden. De kinderrechter heeft aangekondigd dat hij de gronden waarop de uitspraak rust schriftelijk uitwerkt in deze, vandaag te geven, beschikking. 2 De feiten 2.1. De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten. 2.2. De ouders oefenen samen het gezag uit over de nu negenjarige [kind 1] en nu zesjarige [kind 2] . 2.3. [kind 1] woont sinds februari 2021 bij de pleegouders. Bij beschikking van 17 mei 2023 is [kind 1] onder toezicht gesteld van de GI en is zij met een machtiging uit huis geplaatst in het pleeggezin. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd tot 17 mei 2026. 2.4. [kind 2] is bij beschikking van 17 mei 2023 onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 14 augustus 2024 is [kind 2] met een machtiging uit huis geplaatst, eerst in een pleeggezin en later in gezinshuizen. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd tot 17 mei 2026. 2.5. Vanwege de grote zorgbehoefte en de in ernst toegenomen gedragsproblemen van [kind 2] , is [kind 2] medio maart 2026 overgeplaatst naar een gezinshuis in [plaats] . 2.6. De kinderen hebben de ene week een begeleid contactmoment met de moeder en de andere week een begeleid contactmoment met de vader voor de duur van anderhalf uur. 3 De beoordeling 3.1. Het gaat in deze gevoegd behandelde zaken om de nu negenjarige [kind 1] en nu zesjarige [kind 2] . [kind 1] en [kind 2] staan onder toezicht en wonen niet meer bij hun ouders. [kind 1] woont in een pleeggezin en [kind 2] woont in een gezinshuis. Beide kinderen zijn kwetsbaar en hebben een belast verleden en een verzwaarde opvoedvraag. Deze opvoedvraag komt zowel voort uit een beschadiging in de ouder-kind relatie en een trauma, alsmede uit de extra medische zorg die de kinderen behoeven als gevolg van een genafwijking. Het is gebleken dat de ouders, ook met intensieve ondersteuning en begeleiding, niet aan deze opvoedvraag kunnen beantwoorden. Omdat [kind 2] de afgelopen maanden in toenemende mate ernstige gedragsproblemen heeft ontwikkeld, is nader onderzoek nodig naar de aard en oorzaak daarvan. Daarnaast wordt [kind 2] extra belast doordat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing er niet alleen toe hebben geleid dat hij uit huis is geplaatst bij de moeder, maar dat [kind 2] vervolgens tweemaal is (over)geplaatst in gezinshuizen die mogelijk niet of onvoldoende hebben kunnen aansluiten bij zijn zorgbehoefte. De huidige plaatsing heeft een tijdelijk karakter en de GI overweegt een perspectiefbiedende plaatsing in het pleeggezin van [kind 1] . 3.2. Met de wijze waarop de uithuisplaatsing van [kind 2] vorm en inhoud heeft gekregen, heeft de kinderrechter grote moeite. [kind 2] is uit zijn vertrouwde omgeving gehaald omdat dat beter voor hem zou zijn, terwijl uit het verloop van de maatregelen blijkt dat hij in korte tijd niet alleen van zijn moeder is gescheiden, maar ook tweemaal is geplaatst in gezinshuizen waar [kind 2] geen perspectief kan worden geboden. Ook nu is zijn toekomst onzeker. Daarbij rijst de vraag of de genomen maatregelen per saldo niet schadelijker zijn geweest dan wanneer er geen uithuisplaatsing zou zijn geweest. 3.3. De kinderrechter vraagt zich bovendien af hoe de GI nu reeds tot de slotsom kan komen dat het woonperspectief van [kind 2] niet langer bij zijn ouders ligt, gelet op de wettelijke taakstelling dat de thans genomen, tijdelijke, kinderbeschermingsmaatregelen er juist op gericht moeten zijn om een terugplaatsing bij de ouders voorop te stellen. Uit de stukken kan de kinderrechter niet afleiden welke (niet meer weg te nemen) belemmeringen eraan in de weg staan om een terugplaatsing te (blijven) overwegen. Dat sluit niet uit dat dergelijke belemmeringen wel bestaan, maar de kinderrechter kent deze op dit moment niet. 3.4. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling aan de kinderrechter verteld dat zij [kind 1] destijds vrijwillig uit huis hebben geplaatst en dat zij ervaren dat [kind 1] liefdevol is opgenomen in het gezin van de pleegouders. Hoewel de ouders natuurlijk graag zelf voor hun kinderen willen zorgen, erkennen zij dat dit voor [kind 1] niet meer mogelijk is. Zij berusten erin dat [kind 1] in het pleeggezin zal opgroeien en gunnen haar dat ook. 3.5. Alleen ten aanzien van [kind 2] bestaat er bij de ouders weerstand tegen de uithuisplaatsing. Dat lijkt in de eerste plaats samen te hangen met het feit dat voor hen onvoldoende duidelijk is geworden waarom [kind 2] uit huis moest worden geplaatst, en daarnaast met het gegeven dat deze plaatsing volgens hen heeft geleid tot de gedragsproblematiek die [kind 2] inmiddels heeft ontwikkeld. Het is voor de moeder pijnlijk om daarover te moeten lezen en horen, terwijl [kind 2] deze problematiek niet had in de periode dat hij nog bij haar woonde. 3.6. Onder deze feiten en omstandigheden stagneert een behoorlijke uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
Volledig
Het is in de eerste plaats de vraag of, als het gaat om [kind 1] , niet kan worden toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillig kader. Het is de kinderrechter beslist niet duidelijk waarom ten aanzien van [kind 1] nu nog een kinderbeschermingsmaatregel nodig is. 3.7. Als het gaat om [kind 2] , is het voor de kinderrechter niet duidelijk of niet (langer) kan worden toegewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder of, als dat niet mogelijk is, bij de vader. Het is goed mogelijk dat dit al is onderzocht, maar de betreffende stukken zijn voor de kinderrechter niet beschikbaar. Indien is vastgesteld dat het perspectief van [kind 2] niet meer bij (één van) de ouders kan liggen, zal moeten worden beoordeeld of, en zo ja welke, kinderbeschermingsmaatregelen passend, geëigend en noodzakelijk zijn. De GI heeft de Raad verzocht een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. De kinderrechter zal daartoe thans ook besluiten en verzoekt de Raad onderzoek te verrichten aan de hand van de navolgende onderzoeksvragen: In hoeverre is het, gelet op de huidige situatie van [kind 2] en de opvoedingsmogelijkheden van de ouders, nog reëel om toe te werken naar een terugplaatsing bij de moeder, dan wel bij de vader? Welke concrete, niet meer met bijvoorbeeld ambulante hulpverlening weg te nemen belemmeringen staan een terugplaatsing van [kind 2] bij de moeder, respectievelijk bij de vader, in de weg? Hoe ontwikkelt [kind 2] zich op zijn huidige verblijfplaats, en in welke mate kan daar op korte en lange termijn worden voorzien in zijn opvoedings- en behandelbehoeften? Welke risico’s voor de ontwikkeling en veiligheid van [kind 2] zijn aanwezig bij een voortduring van de huidige situatie, bij een terugplaatsing bij (één van) de ouders, en bij een (permanent) verblijf in een pleeggezin of gezinshuis? Is een plaatsing van [kind 2] in het pleeggezin waar [kind 1] thans verblijft mogelijk, mede in het licht van artikel 8 EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak waarin het belang van samenplaatsing van broertjes en zusjes wordt benadrukt? Tevens wordt de Raad verzocht bij dit onderzoek rekening te houden met de voorgenomen wetgeving inzake jeugdbescherming, waarin samenplaatsing van broers en zussen als uitgangspunt wordt vastgelegd, en hierover uitdrukkelijk te rapporteren. Welke vorm van gezag en welke kinderbeschermingsmaatregel (voortzetting ondertoezichtstelling, gezagsbeëindiging, dan wel een andere maatregel) acht de Raad, in het licht van het belang van [kind 2] bij continuïteit en stabiliteit in zijn opvoedsituatie, op dit moment het meest aangewezen? Op welke termijn is volgens de Raad duidelijkheid over het (definitieve) woonperspectief van [kind 2] noodzakelijk om schadelijke onzekerheid in zijn ontwikkeling zoveel mogelijk te beperken? Is het ten aanzien van [kind 1] noodzakelijk dat de huidige kinderbeschermingsmaatregelen voortduren? Welke onderzoeksbevindingen zijn u overigens gebleken die voor de kinderrechter bij het nemen van een beslissing van belang kunnen zijn? 3.8. De kinderrechter zal om deze redenen de lopende kinderbeschermingsmaatregelen verlengen voor de duur van zes maanden, dus tot 17 november 2026. Aan het einde van deze periode worden de zaken opnieuw mondeling worden behandeld. De Raad dient in dat verband uiterlijk twee weken vóór de mondelinge behandeling een schriftelijke rapportage bij de rechtbank in te dienen. 4 De beslissing De kinderrechter: In de zaak met zaaknummer C/18/255230 / JE RK 26-672 4.1. verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] tot 17 november 2026; 4.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; In de zaak met zaaknummer C/18/255235 / JE RK 26-673 4.3. verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] tot 17 november 2026; 4.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad In beide zaken 4.5. geeft de Raad de opdracht onderzoek te doen naar hetgeen in rechtsoverweging 3.7. is overwogen, met inachtneming van wat daarover verder in deze beschikking is overwogen; 4.6. bepaalt dat de zaak verder mondeling wordt behandeld op vrijdag 30 oktober 2026 om 15:00 uur in het gerechtsgebouw in Groningen, Guyotplein 1; 4.7. wijst de ouders, hun advocaten, de Raad en de GI erop dat deze beschikking geldt als uitnodiging om deel te nemen aan de mondelinge behandeling op vrijdag 30 oktober 2026 om 15:00 uur en dat de rechtbank geen nadere oproep zal versturen; 4.8. gelast de Raad uiterlijk één week voor de mondelinge behandeling schriftelijk aan de kinderrechter en de andere belanghebbenden te rapporteren; 4.9. houdt iedere beslissing aan. Deze uitspraak is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. J. Stulp, griffier, op 13 mei 2026. De uitspraak is schriftelijk uitgewerkt in deze beschikking op 18 mei 2026. Als u het niet eens bent met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld. Voor de GI geldt dat zij zelf hoger beroep kan instellen.
Volledig
Het is in de eerste plaats de vraag of, als het gaat om [kind 1] , niet kan worden toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillig kader. Het is de kinderrechter beslist niet duidelijk waarom ten aanzien van [kind 1] nu nog een kinderbeschermingsmaatregel nodig is. 3.7. Als het gaat om [kind 2] , is het voor de kinderrechter niet duidelijk of niet (langer) kan worden toegewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder of, als dat niet mogelijk is, bij de vader. Het is goed mogelijk dat dit al is onderzocht, maar de betreffende stukken zijn voor de kinderrechter niet beschikbaar. Indien is vastgesteld dat het perspectief van [kind 2] niet meer bij (één van) de ouders kan liggen, zal moeten worden beoordeeld of, en zo ja welke, kinderbeschermingsmaatregelen passend, geëigend en noodzakelijk zijn. De GI heeft de Raad verzocht een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. De kinderrechter zal daartoe thans ook besluiten en verzoekt de Raad onderzoek te verrichten aan de hand van de navolgende onderzoeksvragen: In hoeverre is het, gelet op de huidige situatie van [kind 2] en de opvoedingsmogelijkheden van de ouders, nog reëel om toe te werken naar een terugplaatsing bij de moeder, dan wel bij de vader? Welke concrete, niet meer met bijvoorbeeld ambulante hulpverlening weg te nemen belemmeringen staan een terugplaatsing van [kind 2] bij de moeder, respectievelijk bij de vader, in de weg? Hoe ontwikkelt [kind 2] zich op zijn huidige verblijfplaats, en in welke mate kan daar op korte en lange termijn worden voorzien in zijn opvoedings- en behandelbehoeften? Welke risico’s voor de ontwikkeling en veiligheid van [kind 2] zijn aanwezig bij een voortduring van de huidige situatie, bij een terugplaatsing bij (één van) de ouders, en bij een (permanent) verblijf in een pleeggezin of gezinshuis? Is een plaatsing van [kind 2] in het pleeggezin waar [kind 1] thans verblijft mogelijk, mede in het licht van artikel 8 EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak waarin het belang van samenplaatsing van broertjes en zusjes wordt benadrukt? Tevens wordt de Raad verzocht bij dit onderzoek rekening te houden met de voorgenomen wetgeving inzake jeugdbescherming, waarin samenplaatsing van broers en zussen als uitgangspunt wordt vastgelegd, en hierover uitdrukkelijk te rapporteren. Welke vorm van gezag en welke kinderbeschermingsmaatregel (voortzetting ondertoezichtstelling, gezagsbeëindiging, dan wel een andere maatregel) acht de Raad, in het licht van het belang van [kind 2] bij continuïteit en stabiliteit in zijn opvoedsituatie, op dit moment het meest aangewezen? Op welke termijn is volgens de Raad duidelijkheid over het (definitieve) woonperspectief van [kind 2] noodzakelijk om schadelijke onzekerheid in zijn ontwikkeling zoveel mogelijk te beperken? Is het ten aanzien van [kind 1] noodzakelijk dat de huidige kinderbeschermingsmaatregelen voortduren? Welke onderzoeksbevindingen zijn u overigens gebleken die voor de kinderrechter bij het nemen van een beslissing van belang kunnen zijn? 3.8. De kinderrechter zal om deze redenen de lopende kinderbeschermingsmaatregelen verlengen voor de duur van zes maanden, dus tot 17 november 2026. Aan het einde van deze periode worden de zaken opnieuw mondeling worden behandeld. De Raad dient in dat verband uiterlijk twee weken vóór de mondelinge behandeling een schriftelijke rapportage bij de rechtbank in te dienen. 4 De beslissing De kinderrechter: In de zaak met zaaknummer C/18/255230 / JE RK 26-672 4.1. verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] tot 17 november 2026; 4.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; In de zaak met zaaknummer C/18/255235 / JE RK 26-673 4.3. verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] tot 17 november 2026; 4.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad In beide zaken 4.5. geeft de Raad de opdracht onderzoek te doen naar hetgeen in rechtsoverweging 3.7. is overwogen, met inachtneming van wat daarover verder in deze beschikking is overwogen; 4.6. bepaalt dat de zaak verder mondeling wordt behandeld op vrijdag 30 oktober 2026 om 15:00 uur in het gerechtsgebouw in Groningen, Guyotplein 1; 4.7. wijst de ouders, hun advocaten, de Raad en de GI erop dat deze beschikking geldt als uitnodiging om deel te nemen aan de mondelinge behandeling op vrijdag 30 oktober 2026 om 15:00 uur en dat de rechtbank geen nadere oproep zal versturen; 4.8. gelast de Raad uiterlijk één week voor de mondelinge behandeling schriftelijk aan de kinderrechter en de andere belanghebbenden te rapporteren; 4.9. houdt iedere beslissing aan. Deze uitspraak is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. J. Stulp, griffier, op 13 mei 2026. De uitspraak is schriftelijk uitgewerkt in deze beschikking op 18 mei 2026. Als u het niet eens bent met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld. Voor de GI geldt dat zij zelf hoger beroep kan instellen.