Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-20
ECLI:NL:RBNNE:2026:1793
Civiel recht
Kort geding
6,639 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1793 text/xml public 2026-05-20T14:33:00 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-20 C/18/254747 / KG ZA 26-116 Uitspraak Kort geding NL Groningen Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1793 text/html public 2026-05-20T14:32:46 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1793 Rechtbank Noord-Nederland , 20-05-2026 / C/18/254747 / KG ZA 26-116 Na einde relatie is de gezamenlijke hond zonder toestemming van de man verkocht door de vrouw. De man vordert de gegevens van de koper van de hond. Omdat die gegevens kort voor de zitting alsnog zijn verstrekt, vordert de man alleen nog de proceskosten. RECHTBANK Noord-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Groningen Zaaknummer: C/18/254747 / KG ZA 26-116 Vonnis in kort geding van 20 mei 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. O.J.C. Toxopeus, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M. Bentum. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de producties van [eiser] ; - de producties van [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van [gedaagde] . 2 De feiten 2.1. Partijen zijn op 29 augustus 2022 een geregistreerd partnerschap aangegaan, welk geregistreerd partnerschap duurzaam ontwricht is geraakt. Partijen zijn vanaf juli 2025 uit elkaar. 2.2. Partijen hebben vanaf juli 2025 om en om in de voormalige gezamenlijke woning verbleven en de zorg voor hun twee kinderen gehad. Desverzocht heeft deze rechtbank bij beschikking van 9 februari 2026 het uitsluitend gebruik van de woning toegekend aan [gedaagde] waarbij wel de gedeelde zorgregeling voor de kinderen waarbij de kinderen de ene week bij [eiser] en de andere week bij [gedaagde] verblijven in stand is gelaten. [eiser] verblijft sedertdien bij zijn ouders en de kinderen verblijven daar om de week. [gedaagde] heeft op 16 februari 2026 bij deze rechtbank het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend. 2.3. Op 26 februari 2026 heeft een viergesprek van partijen, vergezeld van hun advocaten, plaatsgevonden. Daarbij heeft de vrouw aangegeven dat zij de permanente zorg voor de gezamenlijke hond [hond] niet meer wenste. In eerste instantie was tussen partijen afgesproken dat [eiser] de hond toegedeeld zou krijgen, maar zolang [eiser] bij zijn ouders verbleef, kon hij niet voor de hond zorgen; [hond] en de vier honden van de ouders van [eiser] verdragen elkaar niet. 2.4. Mede met het oog op een door [gedaagde] te ondergane operatie op 12 maart 2026 is tussen partijen op 26 februari 2026 de volgende afspraak gemaakt, die door de advocaat van [gedaagde] is vastgelegd in artikel 4.7 van het concept convenant: “De man wenst de hond [hond] te behouden en zal de kosten daarvan betalen. De vrouw krijgt de kat [kat] en zal de kosten daarvan betalen. De man zal er voor zorgdragen dat er uiterlijk 11 maart 2026 een opvangplek voor de hond [hond] zal worden gevonden zodat de vrouw vanaf dat moment niet meer de zorg voor de hond heeft. Indien de man de hond [hond] wenst te verkopen zal de helft van de opbrengst aan de vrouw toekomen. Houdt de man [hond] , dan wordt deze om niet aan de man toegedeeld.” 2.5. Bij e-mail van 11 maart 2026 te 10.46 uur heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] onder meer het volgende laten weten: “Voor wat betreft de hond zit cliënt zit wel met de onduidelijkheid wat indien hij nog geen langdurige opvang voor de hond kan vinden. Gelet op het feit dat cliënt niet vrijwillig uit het huis is vertrokken acht cliënt het niet redelijk dat van hem verwacht mag worden dat cliënt de hond verkoopt omdat uw cliënte er niet voor wil zorgen. Uw cliënte voelt zich beperkt in haar mogelijkheden op de dagen/in het weekend dat de kinderen bij cliënt zijn door de zorg voor de hond. Wellicht kan zij een familielid in de woning laten verblijven of client met de kinderen in de woning laten verblijven; het is een kwestie van tijdelijke aard waarvoor beide cliënten oplossingsgericht moeten zijn. Cliënt heeft tot nu toe nog geen opvang voor de hond kunnen vinden. Cliënt is bereid om voor het herstel van de operatie van uw cliënte een honden uitlaatservice te bekostigen of zelf de hond uit te laten. Verder is cliënt bereid de kosten van het eten voor de hond te betalen en eventuele kosten van de dierenarts.” Bij e-mail van 11 maart te 12.14 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] het volgende medegedeeld: “Er is afgesproken dat uw cliënt ervoor zorgdraagt dat de hond gedurende de afwezigheid van cliënt vanwege haar operatie door uw cliënt elders wordt ondergebracht en niet in de woning verblijft. Uw cliënt dient deze afspraak na te komen en vandaag de hond op te halen. Indien de hond vandaag voor 18.00 uur niet is opgehaald door uw cliënt, zal cliënte de hond bij de ouders van uw cliënt brengen.” Bij e-mail van 11 maart 2026 te 14.05 uur heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] onder meer het volgende laten weten “Cliënt kan de hond tijdelijk onder brengen bij een kameraad die ook een hond heeft mits cliënt daarbij de afspraak kan maken met uw cliënte dat de hond terug keert in de woning indien mocht blijken dat het niet goed gaat tussen de 2 honden en mits uw cliënte haar aanbod tot verkoop van de hond dat zij eenzijdig reeds op 9 maart heeft geplaatst, intrekt. Uw cliënte dient zich te realiseren - dat de hond van hen beide is, - dat partijen beide de verantwoordelijkheid voor de hond dragen, - dat uw cliënte de optie van Bird nesting niet meer wenst hetgeen uiteraard zou kunnen in de weekenden van cliënt zodat uw cliënte dan niet de zorg heeft voor de hond - dat indien cliënt, alle inspanningen ten spijt, geen onderdak tijdelijk elders kan vinden, het niet aan uw cliënte is de hond te koop aan te bieden, nog daargelaten de impact hiervan op de kinderen.” 2.6. Omdat [eiser] de hond op 11 (aan het einde van de dag) en 12 maart 2026 niet aantrof in de woning, heeft hij bij [gedaagde] geïnformeerd waar de hond was. Daarop heeft [gedaagde] in eerste instantie niet gereageerd. 2.7. Bij e-mailberichten van 23 en 24 maart van de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] is verzocht [eiser] te informeren omtrent de verblijfplaats van de hond. Op 24 maart 2026 heeft [gedaagde] bericht dat zij de hond heeft verkocht. In reactie daarop heeft de advocaat van [eiser] bij e-mailbericht van 24 maart 2026 [gedaagde] in de gelegenheid gesteld uiterlijk 25 maart 2026 voor 17.00 uur de koper van de hond te informeren dat [gedaagde] niet beschikkingsbevoegd was de hond zonder toerstemming te verkopen en dat de hond terug geleverd moet worden en wordt [gedaagde] verzocht [eiser] de naam en het adres van de koper mee te delen bij gebreke waarvan een kort geding zou volgen. De advocaat van [eiser] heeft bij e-mailbericht van 26 maart 2026 [gedaagde] nogmaals verzocht uiterlijk 27 maart 2026 voor 12 uur de naam van de koper en adres en contactgegevens van de koper te verstrekken bij gebreke waarvan [eiser] [gedaagde] in geding zou betrekken. Daarop heeft de advocaat van [gedaagde] met opgave van de verhinderdata aan de advocaat van [eiser] bericht het kort geding af te wachten. 2.8. Bij dagvaarding van 16 april 2026 is het onderhavige kort geding aanhangig gemaakt. 2.9. Bij e-mail van 29 april 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] het volgende aan de advocaat van [eiser] doen weten: “Naar aanleiding van ons telefoongesprek van zojuist waarbij u aangaf dat het uw cliënt niet te doen is om de hond terug te halen, maar hij wil weten waar de hond verblijft en wilweten of het goed gaat met de hond heb ik contact met cliënte opgenomen. Cliënt is bereid uw cliënt de gegevens van de koper te verstrekken. De hond is verkocht aan [naam] (…). Zij is telefonisch bereikbaar op (…). Meer gegevens heeft cliënte niet. Cliënte heeft de koper inmiddels geïnformeerd dat uw cliënt contact met haar zal opnemen.” 3 Het geschil 3.1.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1793 text/xml public 2026-05-20T14:33:00 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-20 C/18/254747 / KG ZA 26-116 Uitspraak Kort geding NL Groningen Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1793 text/html public 2026-05-20T14:32:46 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1793 Rechtbank Noord-Nederland , 20-05-2026 / C/18/254747 / KG ZA 26-116 Na einde relatie is de gezamenlijke hond zonder toestemming van de man verkocht door de vrouw. De man vordert de gegevens van de koper van de hond. Omdat die gegevens kort voor de zitting alsnog zijn verstrekt, vordert de man alleen nog de proceskosten. RECHTBANK Noord-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Groningen Zaaknummer: C/18/254747 / KG ZA 26-116 Vonnis in kort geding van 20 mei 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. O.J.C. Toxopeus, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M. Bentum. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de producties van [eiser] ; - de producties van [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van [gedaagde] . 2 De feiten 2.1. Partijen zijn op 29 augustus 2022 een geregistreerd partnerschap aangegaan, welk geregistreerd partnerschap duurzaam ontwricht is geraakt. Partijen zijn vanaf juli 2025 uit elkaar. 2.2. Partijen hebben vanaf juli 2025 om en om in de voormalige gezamenlijke woning verbleven en de zorg voor hun twee kinderen gehad. Desverzocht heeft deze rechtbank bij beschikking van 9 februari 2026 het uitsluitend gebruik van de woning toegekend aan [gedaagde] waarbij wel de gedeelde zorgregeling voor de kinderen waarbij de kinderen de ene week bij [eiser] en de andere week bij [gedaagde] verblijven in stand is gelaten. [eiser] verblijft sedertdien bij zijn ouders en de kinderen verblijven daar om de week. [gedaagde] heeft op 16 februari 2026 bij deze rechtbank het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend. 2.3. Op 26 februari 2026 heeft een viergesprek van partijen, vergezeld van hun advocaten, plaatsgevonden. Daarbij heeft de vrouw aangegeven dat zij de permanente zorg voor de gezamenlijke hond [hond] niet meer wenste. In eerste instantie was tussen partijen afgesproken dat [eiser] de hond toegedeeld zou krijgen, maar zolang [eiser] bij zijn ouders verbleef, kon hij niet voor de hond zorgen; [hond] en de vier honden van de ouders van [eiser] verdragen elkaar niet. 2.4. Mede met het oog op een door [gedaagde] te ondergane operatie op 12 maart 2026 is tussen partijen op 26 februari 2026 de volgende afspraak gemaakt, die door de advocaat van [gedaagde] is vastgelegd in artikel 4.7 van het concept convenant: “De man wenst de hond [hond] te behouden en zal de kosten daarvan betalen. De vrouw krijgt de kat [kat] en zal de kosten daarvan betalen. De man zal er voor zorgdragen dat er uiterlijk 11 maart 2026 een opvangplek voor de hond [hond] zal worden gevonden zodat de vrouw vanaf dat moment niet meer de zorg voor de hond heeft. Indien de man de hond [hond] wenst te verkopen zal de helft van de opbrengst aan de vrouw toekomen. Houdt de man [hond] , dan wordt deze om niet aan de man toegedeeld.” 2.5. Bij e-mail van 11 maart 2026 te 10.46 uur heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] onder meer het volgende laten weten: “Voor wat betreft de hond zit cliënt zit wel met de onduidelijkheid wat indien hij nog geen langdurige opvang voor de hond kan vinden. Gelet op het feit dat cliënt niet vrijwillig uit het huis is vertrokken acht cliënt het niet redelijk dat van hem verwacht mag worden dat cliënt de hond verkoopt omdat uw cliënte er niet voor wil zorgen. Uw cliënte voelt zich beperkt in haar mogelijkheden op de dagen/in het weekend dat de kinderen bij cliënt zijn door de zorg voor de hond. Wellicht kan zij een familielid in de woning laten verblijven of client met de kinderen in de woning laten verblijven; het is een kwestie van tijdelijke aard waarvoor beide cliënten oplossingsgericht moeten zijn. Cliënt heeft tot nu toe nog geen opvang voor de hond kunnen vinden. Cliënt is bereid om voor het herstel van de operatie van uw cliënte een honden uitlaatservice te bekostigen of zelf de hond uit te laten. Verder is cliënt bereid de kosten van het eten voor de hond te betalen en eventuele kosten van de dierenarts.” Bij e-mail van 11 maart te 12.14 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] het volgende medegedeeld: “Er is afgesproken dat uw cliënt ervoor zorgdraagt dat de hond gedurende de afwezigheid van cliënt vanwege haar operatie door uw cliënt elders wordt ondergebracht en niet in de woning verblijft. Uw cliënt dient deze afspraak na te komen en vandaag de hond op te halen. Indien de hond vandaag voor 18.00 uur niet is opgehaald door uw cliënt, zal cliënte de hond bij de ouders van uw cliënt brengen.” Bij e-mail van 11 maart 2026 te 14.05 uur heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] onder meer het volgende laten weten “Cliënt kan de hond tijdelijk onder brengen bij een kameraad die ook een hond heeft mits cliënt daarbij de afspraak kan maken met uw cliënte dat de hond terug keert in de woning indien mocht blijken dat het niet goed gaat tussen de 2 honden en mits uw cliënte haar aanbod tot verkoop van de hond dat zij eenzijdig reeds op 9 maart heeft geplaatst, intrekt. Uw cliënte dient zich te realiseren - dat de hond van hen beide is, - dat partijen beide de verantwoordelijkheid voor de hond dragen, - dat uw cliënte de optie van Bird nesting niet meer wenst hetgeen uiteraard zou kunnen in de weekenden van cliënt zodat uw cliënte dan niet de zorg heeft voor de hond - dat indien cliënt, alle inspanningen ten spijt, geen onderdak tijdelijk elders kan vinden, het niet aan uw cliënte is de hond te koop aan te bieden, nog daargelaten de impact hiervan op de kinderen.” 2.6. Omdat [eiser] de hond op 11 (aan het einde van de dag) en 12 maart 2026 niet aantrof in de woning, heeft hij bij [gedaagde] geïnformeerd waar de hond was. Daarop heeft [gedaagde] in eerste instantie niet gereageerd. 2.7. Bij e-mailberichten van 23 en 24 maart van de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] is verzocht [eiser] te informeren omtrent de verblijfplaats van de hond. Op 24 maart 2026 heeft [gedaagde] bericht dat zij de hond heeft verkocht. In reactie daarop heeft de advocaat van [eiser] bij e-mailbericht van 24 maart 2026 [gedaagde] in de gelegenheid gesteld uiterlijk 25 maart 2026 voor 17.00 uur de koper van de hond te informeren dat [gedaagde] niet beschikkingsbevoegd was de hond zonder toerstemming te verkopen en dat de hond terug geleverd moet worden en wordt [gedaagde] verzocht [eiser] de naam en het adres van de koper mee te delen bij gebreke waarvan een kort geding zou volgen. De advocaat van [eiser] heeft bij e-mailbericht van 26 maart 2026 [gedaagde] nogmaals verzocht uiterlijk 27 maart 2026 voor 12 uur de naam van de koper en adres en contactgegevens van de koper te verstrekken bij gebreke waarvan [eiser] [gedaagde] in geding zou betrekken. Daarop heeft de advocaat van [gedaagde] met opgave van de verhinderdata aan de advocaat van [eiser] bericht het kort geding af te wachten. 2.8. Bij dagvaarding van 16 april 2026 is het onderhavige kort geding aanhangig gemaakt. 2.9. Bij e-mail van 29 april 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] het volgende aan de advocaat van [eiser] doen weten: “Naar aanleiding van ons telefoongesprek van zojuist waarbij u aangaf dat het uw cliënt niet te doen is om de hond terug te halen, maar hij wil weten waar de hond verblijft en wilweten of het goed gaat met de hond heb ik contact met cliënte opgenomen. Cliënt is bereid uw cliënt de gegevens van de koper te verstrekken. De hond is verkocht aan [naam] (…). Zij is telefonisch bereikbaar op (…). Meer gegevens heeft cliënte niet. Cliënte heeft de koper inmiddels geïnformeerd dat uw cliënt contact met haar zal opnemen.” 3 Het geschil 3.1.
Volledig
De vordering van [eiser] strekt ertoe: [gedaagde] te veroordelen binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] schriftelijk de gegevens te verstrekken omtrent de koopovereenkomst met betrekking tot de hond [hond] van partijen, omtrent de verblijfplaats van de hond en omtrent de contactgegevens van de koper zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis na betekening te voldoen; [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2. [eiser] heeft ter zitting aangegeven dat inmiddels aan de vordering onder 1 is voldaan. Omdat de gevraagde gegevens pas op 29 april 2026 zijn gegeven, handhaaft [eiser] de vordering [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. 3.3. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. 4 De beoordeling 4.1. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] te kennen gegeven dat hij op 29 april 2026 de door hem verlangde gegevens heeft ontvangen. Hetgeen onder 1 is gevorderd dient daarom bij gebrek aan belang afgewezen te worden. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter, om een oordeel te kunnen gegeven over de wel gehandhaafde vordering ten aanzien van de proceskosten, zich wel zal uitlaten over de aan de vordering onder 1 ten grondslag liggende stellingen. 4.2. Vaststaat dat tussen partijen is afgesproken dat [eiser] uiterlijk op 11 maart 2026 een nieuwe opvangplek voor [hond] zou regelen. Verder staat vast dat [eiser] die afspraak niet tijdig is nagekomen. Ter zake van die afspraak is echter niet aannemelijk geworden dat onderdeel daarvan was dat indien [eiser] [hond] niet tijdig zou hebben opgehaald, [hond] door [gedaagde] zou kunnen worden verkocht. Integendeel: nog bij e-mail van 11 maart te 12.14 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] het volgende medegedeeld over het gevolg als de nieuwe opvangplek niet tijdig zou zijn gevonden: “Er is afgesproken dat uw cliënt ervoor zorgdraagt dat de hond gedurende de afwezigheid van cliënt vanwege haar operatie door uw cliënt elders wordt ondergebracht en niet in de woning verblijft. Uw cliënt dient deze afspraak na te komen en vandaag de hond op te halen. Indien de hond vandaag voor 18.00 uur niet is opgehaald door uw cliënt, zal cliënte de hond bij de ouders van uw cliënt brengen. [onderstreping rb] ” 4.3. Desalniettemin is [gedaagde] er nog dezelfde dag eigenstandig – en naar eigen zeggen ondanks uitdrukkelijk protest van [eiser] in een app-bericht – toe overgegaan de hond aan een derde te verkopen. Wat er verder ook zij van de omstandigheden waaronder zij daartoe besloot, vaststaat dat [hond] eigendom was van partijen gezamenlijk. In dit licht en bij gebreke van andersluidende afspraken was [gedaagde] naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet bevoegd [hond] zonder toestemming van [eiser] te verkopen. Door de hond desalniettemin te verkopen, heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . 4.4. Echter, in dit kort geding is niet gevorderd dat die koop teruggedraaid wordt. [eiser] heeft uitsluitend gevorderd dat hem de naam en contactgegevens van de koper bekend worden gemaakt. [gedaagde] heeft – zowel voorafgaand aan als tijdens dit kort geding – geen enkele valide reden aangevoerd waarom zij niet gehouden zou zijn [eiser] de gegevens van de koper van zijn eigen hond te verstrekken. De voorzieningenrechter wijst erop dat in dit verband feitelijk niet van belang is of zij al dan niet gerechtigd was de hond eigenstandig te verkopen: ook wanneer dat wél het geval zou zijn geweest, zoals zij stelt, was zij zonder meer gehouden desgevraagde de naam en gegevens van de koper kenbaar te maken. 4.5. Weliswaar heeft [gedaagde] de gevraagde gegevens uiteindelijk aan [eiser] verstrekt, doch dat is pas gebeurd op 29 april 2026, na betekening van de inleidende dagvaarding en kort voor de mondelinge behandeling. 4.6. Derhalve acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat (de aanzegging van) dit kort geding nodig is geweest om [gedaagde] te bewegen de gevorderde gegevens aan [eiser] af te geven. 4.7. In dat licht ziet de voorzieningenrechter aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in familiezaken worden gecompenseerd, en in plaats daarvan [gedaagde] in de proceskosten te veroordelen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten . De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - griffierecht € 93,00 - salaris advocaat € 760,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.042,00 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.042,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.2. wijst af het meer of anders gevorderde; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026. js (319)
Volledig
De vordering van [eiser] strekt ertoe: [gedaagde] te veroordelen binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] schriftelijk de gegevens te verstrekken omtrent de koopovereenkomst met betrekking tot de hond [hond] van partijen, omtrent de verblijfplaats van de hond en omtrent de contactgegevens van de koper zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis na betekening te voldoen; [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2. [eiser] heeft ter zitting aangegeven dat inmiddels aan de vordering onder 1 is voldaan. Omdat de gevraagde gegevens pas op 29 april 2026 zijn gegeven, handhaaft [eiser] de vordering [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. 3.3. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. 4 De beoordeling 4.1. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] te kennen gegeven dat hij op 29 april 2026 de door hem verlangde gegevens heeft ontvangen. Hetgeen onder 1 is gevorderd dient daarom bij gebrek aan belang afgewezen te worden. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter, om een oordeel te kunnen gegeven over de wel gehandhaafde vordering ten aanzien van de proceskosten, zich wel zal uitlaten over de aan de vordering onder 1 ten grondslag liggende stellingen. 4.2. Vaststaat dat tussen partijen is afgesproken dat [eiser] uiterlijk op 11 maart 2026 een nieuwe opvangplek voor [hond] zou regelen. Verder staat vast dat [eiser] die afspraak niet tijdig is nagekomen. Ter zake van die afspraak is echter niet aannemelijk geworden dat onderdeel daarvan was dat indien [eiser] [hond] niet tijdig zou hebben opgehaald, [hond] door [gedaagde] zou kunnen worden verkocht. Integendeel: nog bij e-mail van 11 maart te 12.14 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] het volgende medegedeeld over het gevolg als de nieuwe opvangplek niet tijdig zou zijn gevonden: “Er is afgesproken dat uw cliënt ervoor zorgdraagt dat de hond gedurende de afwezigheid van cliënt vanwege haar operatie door uw cliënt elders wordt ondergebracht en niet in de woning verblijft. Uw cliënt dient deze afspraak na te komen en vandaag de hond op te halen. Indien de hond vandaag voor 18.00 uur niet is opgehaald door uw cliënt, zal cliënte de hond bij de ouders van uw cliënt brengen. [onderstreping rb] ” 4.3. Desalniettemin is [gedaagde] er nog dezelfde dag eigenstandig – en naar eigen zeggen ondanks uitdrukkelijk protest van [eiser] in een app-bericht – toe overgegaan de hond aan een derde te verkopen. Wat er verder ook zij van de omstandigheden waaronder zij daartoe besloot, vaststaat dat [hond] eigendom was van partijen gezamenlijk. In dit licht en bij gebreke van andersluidende afspraken was [gedaagde] naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet bevoegd [hond] zonder toestemming van [eiser] te verkopen. Door de hond desalniettemin te verkopen, heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . 4.4. Echter, in dit kort geding is niet gevorderd dat die koop teruggedraaid wordt. [eiser] heeft uitsluitend gevorderd dat hem de naam en contactgegevens van de koper bekend worden gemaakt. [gedaagde] heeft – zowel voorafgaand aan als tijdens dit kort geding – geen enkele valide reden aangevoerd waarom zij niet gehouden zou zijn [eiser] de gegevens van de koper van zijn eigen hond te verstrekken. De voorzieningenrechter wijst erop dat in dit verband feitelijk niet van belang is of zij al dan niet gerechtigd was de hond eigenstandig te verkopen: ook wanneer dat wél het geval zou zijn geweest, zoals zij stelt, was zij zonder meer gehouden desgevraagde de naam en gegevens van de koper kenbaar te maken. 4.5. Weliswaar heeft [gedaagde] de gevraagde gegevens uiteindelijk aan [eiser] verstrekt, doch dat is pas gebeurd op 29 april 2026, na betekening van de inleidende dagvaarding en kort voor de mondelinge behandeling. 4.6. Derhalve acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat (de aanzegging van) dit kort geding nodig is geweest om [gedaagde] te bewegen de gevorderde gegevens aan [eiser] af te geven. 4.7. In dat licht ziet de voorzieningenrechter aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in familiezaken worden gecompenseerd, en in plaats daarvan [gedaagde] in de proceskosten te veroordelen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten . De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - griffierecht € 93,00 - salaris advocaat € 760,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.042,00 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.042,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.2. wijst af het meer of anders gevorderde; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026. js (319)