Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-12
ECLI:NL:RBNNE:2026:1769
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
8,114 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1769 text/xml public 2026-05-19T08:46:40 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-12 LEE 26/1311 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1769 text/html public 2026-05-19T08:45:54 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1769 Rechtbank Noord-Nederland , 12-05-2026 / LEE 26/1311 Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van de verzoeker gaat over het besluit van de burgemeester om een pand te sluiten. Op 27 januari 2026 is bij een doorzoeking 2.029 gram hennep aangetroffen. De sluiting van het pand moet volgens de burgemeester – na wijziging van het besluit – drie maanden duren. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/1311 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen [naam 1 uit woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. M.J. van den Hoonaard) en de burgemeester van Emmen (gemachtigden: mrs. D. Harms en M. Adema) Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2 uit woonplaats] , de verhuurder. Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van [naam 1] gaat over het besluit van de burgemeester om een pand te sluiten. Het gaat om het pand plaatselijk bekend als [adres] . Op 27 januari 2026 is bij een doorzoeking 2.029 gram hennep aangetroffen. De sluiting van het pand moet volgens de burgemeester – na wijziging van het besluit – drie maanden duren. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Op 24 maart 2026 heeft er een adresonderzoek plaatsgevonden. Uit dit onderzoek blijkt dat [naam 1] staat ingeschreven op het adres [adres] en dat hij daar daadwerkelijk woont. 3. Met het bestreden besluit van 8 april 2026 heeft de burgemeester het pand gekwalificeerd als lokaal, en dat lokaal gesloten voor de duur van zes maanden . Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 3.1. Met het bestreden besluit van 16 april 2026 heeft de burgemeester meegedeeld dat hij het pand niet langer aanmerkt als een lokaal, maar als een woning. Om deze reden is een nieuwe sluitingstermijn vastgesteld. De sluitingstermijn is teruggebracht van zes maanden naar drie maanden. 3.2. Bij e-mailbericht verzonden op 21 april 2026 door Harms is aan de griffie meegedeeld dat de ingangsdatum van de woningsluiting wordt opgeschort tot twee weken na de uitspraak in deze zaak. 3.3. Bij brief van 24 april 2026 heeft de burgemeester een stuk ingediend met het verzoek om daarop geheimhouding ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen. 3.4. Bij tussenbeslissing van 1 mei 2026 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van het stuk, een bestuurlijke rapportage van 24 februari 2026, niet-gerechtvaardigd is. Die bestuurlijke rapportage zal daarom worden teruggezonden aan de burgemeester. 3.5. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Bij het verweerschrift is een geredigeerde versie van de bestuurlijke rapportage van 24 februari 2026 ingediend, waarin diverse passages zijn zwartgelakt. De burgemeester heeft een afschrift daarvan rechtstreeks verstrekt aan de gemachtigde van verzoeker. 3.6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester. Het verzoek om een voorlopige voorziening 4. Naar de voorzieningenrechter uit het verzoekschrift begrijpt vraagt verzoeker om schorsing van de werking van het besluit van 8 april 2026, zoals dat is gewijzigd op 16 april 2026. Beoordeling door de voorzieningenrechter 5. De relevante wetgeving staat in de bijlage. 6. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] niet in verband kan worden gebracht met de hennep die door de politie op 27 januari 2026 is aangetroffen in het pand. Evenmin is in geschil dat hij in het pand is gaan wonen nádat de hennep daar is aangetroffen, maar vóórdat de woning door de burgemeester is gesloten en dat de burgemeester aan artikel 13b van de Opiumwet de bevoegdheid kon ontlenen om het pand te sluiten. Ook niet in geschil is dat de sluiting een geschikt middel is. Tussen partijen is in geschil of de sluiting noodzakelijk is. 7. Verzoeker voert aan dat in de bestuurlijke rapportage tweeëneenhalve zin staat over de 2.029 gram hennep die is aangetroffen bij de doorzoeking van het pand op 27 januari 2026. Die zinnen gaan over de feitelijke constatering van het aantal grammen. Verzoeker heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 juli 2025 (de overzichtsuitspraak). Hij verbindt daaraan de conclusie dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden, omdat de sluiting van het pand volgens hem niet noodzakelijk is. 7.1. De burgemeester heeft verwezen naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019 , de overzichtsuitspraak een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2026 en een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 april 2026. , Hij heeft naar voren gebracht dat, indien een handelshoeveelheid is aangetroffen, tot uitgangspunt mag worden genomen dat het pand een rol speelt in het drugscircuit en dat sluiting reeds daarom noodzakelijk is. Dat is ook het geval als geen overlast of feitelijke drugshandel wordt geconstateerd, aldus de burgemeester. In dit verband heeft hij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, van ECLI:NL:RBMNE:2026:1191. 7.2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 7.2.1. De ABRvS heeft in de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 het volgende overwogen over de vraag of een sluiting van een woning noodzakelijk is. “- Noodzaak 10. Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. 10.1. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. 10.2. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1769 text/xml public 2026-05-19T08:46:40 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-12 LEE 26/1311 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1769 text/html public 2026-05-19T08:45:54 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1769 Rechtbank Noord-Nederland , 12-05-2026 / LEE 26/1311 Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van de verzoeker gaat over het besluit van de burgemeester om een pand te sluiten. Op 27 januari 2026 is bij een doorzoeking 2.029 gram hennep aangetroffen. De sluiting van het pand moet volgens de burgemeester – na wijziging van het besluit – drie maanden duren. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/1311 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen [naam 1 uit woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. M.J. van den Hoonaard) en de burgemeester van Emmen (gemachtigden: mrs. D. Harms en M. Adema) Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2 uit woonplaats] , de verhuurder. Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van [naam 1] gaat over het besluit van de burgemeester om een pand te sluiten. Het gaat om het pand plaatselijk bekend als [adres] . Op 27 januari 2026 is bij een doorzoeking 2.029 gram hennep aangetroffen. De sluiting van het pand moet volgens de burgemeester – na wijziging van het besluit – drie maanden duren. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Op 24 maart 2026 heeft er een adresonderzoek plaatsgevonden. Uit dit onderzoek blijkt dat [naam 1] staat ingeschreven op het adres [adres] en dat hij daar daadwerkelijk woont. 3. Met het bestreden besluit van 8 april 2026 heeft de burgemeester het pand gekwalificeerd als lokaal, en dat lokaal gesloten voor de duur van zes maanden . Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 3.1. Met het bestreden besluit van 16 april 2026 heeft de burgemeester meegedeeld dat hij het pand niet langer aanmerkt als een lokaal, maar als een woning. Om deze reden is een nieuwe sluitingstermijn vastgesteld. De sluitingstermijn is teruggebracht van zes maanden naar drie maanden. 3.2. Bij e-mailbericht verzonden op 21 april 2026 door Harms is aan de griffie meegedeeld dat de ingangsdatum van de woningsluiting wordt opgeschort tot twee weken na de uitspraak in deze zaak. 3.3. Bij brief van 24 april 2026 heeft de burgemeester een stuk ingediend met het verzoek om daarop geheimhouding ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen. 3.4. Bij tussenbeslissing van 1 mei 2026 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van het stuk, een bestuurlijke rapportage van 24 februari 2026, niet-gerechtvaardigd is. Die bestuurlijke rapportage zal daarom worden teruggezonden aan de burgemeester. 3.5. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Bij het verweerschrift is een geredigeerde versie van de bestuurlijke rapportage van 24 februari 2026 ingediend, waarin diverse passages zijn zwartgelakt. De burgemeester heeft een afschrift daarvan rechtstreeks verstrekt aan de gemachtigde van verzoeker. 3.6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester. Het verzoek om een voorlopige voorziening 4. Naar de voorzieningenrechter uit het verzoekschrift begrijpt vraagt verzoeker om schorsing van de werking van het besluit van 8 april 2026, zoals dat is gewijzigd op 16 april 2026. Beoordeling door de voorzieningenrechter 5. De relevante wetgeving staat in de bijlage. 6. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] niet in verband kan worden gebracht met de hennep die door de politie op 27 januari 2026 is aangetroffen in het pand. Evenmin is in geschil dat hij in het pand is gaan wonen nádat de hennep daar is aangetroffen, maar vóórdat de woning door de burgemeester is gesloten en dat de burgemeester aan artikel 13b van de Opiumwet de bevoegdheid kon ontlenen om het pand te sluiten. Ook niet in geschil is dat de sluiting een geschikt middel is. Tussen partijen is in geschil of de sluiting noodzakelijk is. 7. Verzoeker voert aan dat in de bestuurlijke rapportage tweeëneenhalve zin staat over de 2.029 gram hennep die is aangetroffen bij de doorzoeking van het pand op 27 januari 2026. Die zinnen gaan over de feitelijke constatering van het aantal grammen. Verzoeker heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 juli 2025 (de overzichtsuitspraak). Hij verbindt daaraan de conclusie dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden, omdat de sluiting van het pand volgens hem niet noodzakelijk is. 7.1. De burgemeester heeft verwezen naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019 , de overzichtsuitspraak een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2026 en een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 april 2026. , Hij heeft naar voren gebracht dat, indien een handelshoeveelheid is aangetroffen, tot uitgangspunt mag worden genomen dat het pand een rol speelt in het drugscircuit en dat sluiting reeds daarom noodzakelijk is. Dat is ook het geval als geen overlast of feitelijke drugshandel wordt geconstateerd, aldus de burgemeester. In dit verband heeft hij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, van ECLI:NL:RBMNE:2026:1191. 7.2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 7.2.1. De ABRvS heeft in de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 het volgende overwogen over de vraag of een sluiting van een woning noodzakelijk is. “- Noodzaak 10. Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. 10.1. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. 10.2. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs.
Volledig
Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer een woning ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van de woning over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op het voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.” 7.2.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het samenstel van omstandigheden in de onderhavige zaak met zich brengt dat sluiting op basis van wat er bekend was ten tijde van het besluit van 16 april 2026 niet-noodzakelijk was. Daarom diende de burgemeester daarvan af te zien. Van drugsgerelateerde criminaliteit is niet gebleken. Niet is gebleken dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werd verhandeld of dat de woning feitelijke bekendheid had als drugspand. Er zijn geen attributen aangetroffen die duiden op handel vanuit de woning. Niet is op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Weliswaar is aannemelijk dat er sprake is van criminaliteit gerelateerd aan (illegale) prostitutie, maar het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid van de Awb, brengt met zich dat de belangenafweging door de burgemeester zich diende te beperken tot die belangen die de Opiumwet beoogt te beschermen. De burgemeester heeft niet-drugsgerelateerde criminaliteit ten grondslag gelegd aan de sluiting van het pand. Naar voorlopig oordeel is dat ten onrechte. 7.3. De verwijzing van de burgemeester naar de uitspraken van de rechtbanken genoemd in rechtsoverweging 7.1. raakt kant noch wal. Aannemelijk is namelijk dat het in die zaken wél ging om drugsgerelateerde criminaliteit. 7.3.1. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2026 is overwogen dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat er een aanzienlijke hoeveelheid drugs en geld in de woning is aangetroffen. Ook heeft de politie verpakkingsmaterialen aangetroffen die duiden op handel of verwerking in de woning. Bovendien woog in die zaak voor die rechtbank zwaar mee dat verzoekers gewapend zijn overvallen in de woning, waaruit lijkt te volgen dat de woning bekend was in het criminele circuit, aldus de rechtbank Amsterdam in die uitspraak. 7.3.2. Ook in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2026 ging het om een situatie waarin sprake was van drugsgerelateerde criminaliteit. In dat geval stond volgens die rechtbank in de bestuurlijke rapportage te lezen dat de burgemeester van Almere bij zijn besluit heeft betrokken dat op 20 november 2025 omstreeks 21.20 uur door bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s) is gezien dat een groep van ongeveer acht personen achter een man aanrenden. De boa’s hebben gezien dat één van hen een voorwerp bij zich had dat leek op een honkbalknuppel. De persoon die achtervolgd werd viel op de grond waarna hij geslagen en geschopt werd. Het slachtoffer verklaarde later dat hij is geschopt, geslagen met een honkbalknuppel en geslagen op zijn hoofd met een vuurwapen, waarbij het vuurwapen zou zijn afgegaan. Op basis van de verkregen informatie is de politie vervolgens naar het pand van verzoeker gegaan. Dat pand lag op minder dan honderd meter van de plaats waar de mishandeling plaatsvond. In dit pand werden drie personen, waaronder verzoeker in die zaak, aangehouden. Zij werden verdacht van openlijke geweldpleging, poging tot doodslag en diefstal met geweld. In het bedrijfspand werden tevens drie anderen personen aangetroffen waarvan de gegevens zijn genoteerd door de politie. De politie stelde vervolgens een onderzoek in, in het pand van verzoeker, omdat er sprake zou zijn geweest van een vuurwapen. De politie trof in de loods drie honkbalknuppels aan. In het kantoor werden één honkbalknuppel, twee messen, twee stroomstootwapens, een balaclava (gezichtsbedekking), 85 voorgedraaide joints en een zak hennep aangetroffen. Bij het insluiten van verzoeker op 20 november 2025 trof de politie € 4.100,– aan contanten aan in de kleding van verzoeker. De politie Almere had over het betrokken pand en de eigenaar in de afgelopen vijf jaar, één keer eerder gerapporteerd. Dit was naar aanleiding van het aantreffen van goederen die geschikt waren voor het wassen van cocaïne of voor de productie van XTC. Bij de woning van het slachtoffer van de mishandeling had eerder een explosie met brand tot gevolg plaatsgevonden. De in het kantoor van verzoeker aangetroffen drugs waren dusdanig verpakt, dat bij het niet openen van de verpakking, het niet-aannemelijk was dat men ervan uit kon gaan dat er drugs aanwezig was in het pand, aldus de rechtbank Midden-Nederland in die uitspraak. 7.3.3. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 februari 2026 is door die rechtbank overwogen dat op 12 december 2025 naar aanleiding van meldingen over drugs in de woning van verzoekster een volgactie is opgezet door de politie. Politiemedewerkers zagen een man de woning van verzoekster betreden en zes minuten later op de fiets vertrekken. De politiemedewerkers zijn de man gevolgd en hebben hem een stopteken gegeven. Hij liet hierna een gripzakje met 1,1 gram hasj en een gripzakje met 2,1 gram hennep zien. Politiemedewerkers zagen hierna de handelaar (de ex-partner van verzoekster in die zaak) de woning verlaten en op een scooter vertrekken richting het Jan Seppenplein. De ex-partner stopte en maakte contact met twee personen. Hij overhandigde iets aan een van de personen en kreeg iets terug overhandigd. De politie heeft deze twee personen aangesproken en zij lieten een gripzakje met 7 gram hasj zien. Na die twee heterdaad deals heeft de politie de woning van verzoekster betreden. Zakelijk weergegeven heeft de politie in die woning cocaïne, hennep, hasj in gripzakjes, verpakkingsmateriaal, een weegschaal en een telefoon aantroffen waarop berichten stonden over de (heterdaad)deal op het Jan Seppenplein op 12 december 2025. Ook werden op de zakelijke telefoon diverse dealberichten aangetroffen. Deze telefoons zijn daarop in beslag genomen. Binnen in de woning waren naast de ex-partner van verzoekster in die zaak nog vier mannen aanwezig. Twee van deze personen hadden een wikkel met harddrugs (cocaïne) bij zich, aldus de rechtbank Gelderland in die uitspraak. 7.4.
Volledig
Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer een woning ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van de woning over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op het voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.” 7.2.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het samenstel van omstandigheden in de onderhavige zaak met zich brengt dat sluiting op basis van wat er bekend was ten tijde van het besluit van 16 april 2026 niet-noodzakelijk was. Daarom diende de burgemeester daarvan af te zien. Van drugsgerelateerde criminaliteit is niet gebleken. Niet is gebleken dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werd verhandeld of dat de woning feitelijke bekendheid had als drugspand. Er zijn geen attributen aangetroffen die duiden op handel vanuit de woning. Niet is op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Weliswaar is aannemelijk dat er sprake is van criminaliteit gerelateerd aan (illegale) prostitutie, maar het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid van de Awb, brengt met zich dat de belangenafweging door de burgemeester zich diende te beperken tot die belangen die de Opiumwet beoogt te beschermen. De burgemeester heeft niet-drugsgerelateerde criminaliteit ten grondslag gelegd aan de sluiting van het pand. Naar voorlopig oordeel is dat ten onrechte. 7.3. De verwijzing van de burgemeester naar de uitspraken van de rechtbanken genoemd in rechtsoverweging 7.1. raakt kant noch wal. Aannemelijk is namelijk dat het in die zaken wél ging om drugsgerelateerde criminaliteit. 7.3.1. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2026 is overwogen dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat er een aanzienlijke hoeveelheid drugs en geld in de woning is aangetroffen. Ook heeft de politie verpakkingsmaterialen aangetroffen die duiden op handel of verwerking in de woning. Bovendien woog in die zaak voor die rechtbank zwaar mee dat verzoekers gewapend zijn overvallen in de woning, waaruit lijkt te volgen dat de woning bekend was in het criminele circuit, aldus de rechtbank Amsterdam in die uitspraak. 7.3.2. Ook in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2026 ging het om een situatie waarin sprake was van drugsgerelateerde criminaliteit. In dat geval stond volgens die rechtbank in de bestuurlijke rapportage te lezen dat de burgemeester van Almere bij zijn besluit heeft betrokken dat op 20 november 2025 omstreeks 21.20 uur door bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s) is gezien dat een groep van ongeveer acht personen achter een man aanrenden. De boa’s hebben gezien dat één van hen een voorwerp bij zich had dat leek op een honkbalknuppel. De persoon die achtervolgd werd viel op de grond waarna hij geslagen en geschopt werd. Het slachtoffer verklaarde later dat hij is geschopt, geslagen met een honkbalknuppel en geslagen op zijn hoofd met een vuurwapen, waarbij het vuurwapen zou zijn afgegaan. Op basis van de verkregen informatie is de politie vervolgens naar het pand van verzoeker gegaan. Dat pand lag op minder dan honderd meter van de plaats waar de mishandeling plaatsvond. In dit pand werden drie personen, waaronder verzoeker in die zaak, aangehouden. Zij werden verdacht van openlijke geweldpleging, poging tot doodslag en diefstal met geweld. In het bedrijfspand werden tevens drie anderen personen aangetroffen waarvan de gegevens zijn genoteerd door de politie. De politie stelde vervolgens een onderzoek in, in het pand van verzoeker, omdat er sprake zou zijn geweest van een vuurwapen. De politie trof in de loods drie honkbalknuppels aan. In het kantoor werden één honkbalknuppel, twee messen, twee stroomstootwapens, een balaclava (gezichtsbedekking), 85 voorgedraaide joints en een zak hennep aangetroffen. Bij het insluiten van verzoeker op 20 november 2025 trof de politie € 4.100,– aan contanten aan in de kleding van verzoeker. De politie Almere had over het betrokken pand en de eigenaar in de afgelopen vijf jaar, één keer eerder gerapporteerd. Dit was naar aanleiding van het aantreffen van goederen die geschikt waren voor het wassen van cocaïne of voor de productie van XTC. Bij de woning van het slachtoffer van de mishandeling had eerder een explosie met brand tot gevolg plaatsgevonden. De in het kantoor van verzoeker aangetroffen drugs waren dusdanig verpakt, dat bij het niet openen van de verpakking, het niet-aannemelijk was dat men ervan uit kon gaan dat er drugs aanwezig was in het pand, aldus de rechtbank Midden-Nederland in die uitspraak. 7.3.3. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 februari 2026 is door die rechtbank overwogen dat op 12 december 2025 naar aanleiding van meldingen over drugs in de woning van verzoekster een volgactie is opgezet door de politie. Politiemedewerkers zagen een man de woning van verzoekster betreden en zes minuten later op de fiets vertrekken. De politiemedewerkers zijn de man gevolgd en hebben hem een stopteken gegeven. Hij liet hierna een gripzakje met 1,1 gram hasj en een gripzakje met 2,1 gram hennep zien. Politiemedewerkers zagen hierna de handelaar (de ex-partner van verzoekster in die zaak) de woning verlaten en op een scooter vertrekken richting het Jan Seppenplein. De ex-partner stopte en maakte contact met twee personen. Hij overhandigde iets aan een van de personen en kreeg iets terug overhandigd. De politie heeft deze twee personen aangesproken en zij lieten een gripzakje met 7 gram hasj zien. Na die twee heterdaad deals heeft de politie de woning van verzoekster betreden. Zakelijk weergegeven heeft de politie in die woning cocaïne, hennep, hasj in gripzakjes, verpakkingsmateriaal, een weegschaal en een telefoon aantroffen waarop berichten stonden over de (heterdaad)deal op het Jan Seppenplein op 12 december 2025. Ook werden op de zakelijke telefoon diverse dealberichten aangetroffen. Deze telefoons zijn daarop in beslag genomen. Binnen in de woning waren naast de ex-partner van verzoekster in die zaak nog vier mannen aanwezig. Twee van deze personen hadden een wikkel met harddrugs (cocaïne) bij zich, aldus de rechtbank Gelderland in die uitspraak. 7.4.