Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-07
ECLI:NL:RBNNE:2026:1703
Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,270 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1703 text/xml public 2026-05-18T10:54:18 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-07 96-238428-23 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Raadkamer NL Assen Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1703 text/html public 2026-05-18T10:53:21 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1703 Rechtbank Noord-Nederland , 07-04-2026 / 96-238428-23 Afwijzen art. 530 Sv, beleidssepot, tegenwerpen indertijd bestaande verdenking en in hoeverre verzoeker de kosten aan zijn eigen gedrag te wijten heeft niet in strijd met onschuldpresumptie. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Assen parketnummer : 96-238428-23 raadkamernummer : 25-024866 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , hierna te noemen: de verzoeker. Advocaat: mr. N.D. Spijker, advocaat te Groningen. Procesverloop Het Openbaar Ministerie heeft op 20 augustus 2025 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat het feit inmiddels te oud was. Op 2 oktober 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van: - de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde strafzaak tot een bedrag van 544,50; - de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting. De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 16 oktober 2025 en de reactie van de advocaat van 11 november 2025. De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en het Openbaar Ministerie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift. Beoordeling De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen. Ten aanzien van dat billijkheidsoordeel stelt de rechtbank voorop dat de oordeelsvrijheid van de rechtbank om een verzoek tot vergoeding van schade (deels) af te wijzen op gronden van billijkheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hoewel zoals de advocaat terecht stelt de onschuldpresumptie te allen tijde (in het geval van een vrijspraak én in het geval van een sepot) van de schadevergoedingsrechter verlangt dat zij zich onthoudt van een zelfstandig oordeel dat erop neerkomt dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, betekent een en ander niet dat de onschuldpresumptie in het geval van een vrijspraak of sepot te allen tijde in de weg staat aan een afwijzing van het schadeverzoek. In hoeverre de onschuldpresumptie de oordeelsvrijheid van de schadevergoedingsrechter beperkt is afhankelijk van de vraag hoe de strafzaak is geëindigd. Bij een vrijspraak is de ruimte om tot een afwijzende beslissing te komen zeer beperkt. In gevallen waarin de strafzaak is geëindigd op een andere wijze dan met een vrijspraak, zoals in het onderhavige geval, heeft de schadevergoedingsrechter echter meer ruimte voor een eigen beoordeling van de feiten en omstandigheden van de zaak. Zo is het in een dergelijk geval niet in strijd met artikel 6, tweede lid, EVRM om de gewezen verdachte de (indertijd bestaande) verdenking tegen te werpen en in het billijkheidsoordeel te betrekken in hoeverre verzoeker de kosten aan zijn eigen gedrag zoals dat blijkt uit het strafdossier heeft te wijten. Zelfs het oordeel dat niet is gebleken van de onschuld van verzoeker (“the voicing of suspicions”) is in een dergelijk geval niet in strijd met de onschuldpresumptie, zolang zoals gezegd de motivering van de schadevergoedingsrechter niet in essentie een vaststelling van schuld behelst. In het onderhavige geval werd verzoeker kort gezegd verdacht van het verstoren van de nachtrust door rumoer of burengerucht. Uit de stukken blijkt dat verbalisanten naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast naar de woning van verzoeker zijn gegaan en hebben geconstateerd dat er inderdaad sprake was van geluidsoverlast. Verbalisanten hebben verzoeker vervolgens een proces-verbaal aangezegd wegens het veroorzaken van geluidhinder. Vervolgens heeft verzoeker volgens de verbalisanten luidkeels in de richting van verbalisanten geroepen: "Kanker!", "NSB!" en "Jullie komen er niet in!". Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er een gefundeerde verdenking van het verstoren van de nachtrust tegen verzoeker bestond. Of die bewoordingen wel of niet daadwerkelijk gekwalificeerd kunnen worden als het verstoren van de nachtrust door rumoer of burengerucht, zoals aangevoerd door de advocaat, is in dit verband van ondergeschikt belang. Immers, niet gezegd kan worden dat het dusdanig evident is dat elk strafwaardig karakter aan de bewoordingen ontbreekt, dat verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Verzoeker heeft het gelet op de door hem geuite bewoordingen aan zichzelf te wijten dat deze verdenking op hem is gevallen en dat hij advocaatkosten heeft moeten maken. In hoeverre het optreden van de politie wel of niet de-escalerend is geweest en dat ook anderen hebben bijgedragen aan de grimmige sfeer maakt dit niet anders. De rechtbank acht het gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden niet passend dat de gemaakte advocaatkosten door de Staat worden gedragen. De nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking dienen voor rekening van verzoeker te worden gelaten. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. J. de Vroome, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1703 text/xml public 2026-05-18T10:54:18 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-07 96-238428-23 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Raadkamer NL Assen Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1703 text/html public 2026-05-18T10:53:21 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1703 Rechtbank Noord-Nederland , 07-04-2026 / 96-238428-23 Afwijzen art. 530 Sv, beleidssepot, tegenwerpen indertijd bestaande verdenking en in hoeverre verzoeker de kosten aan zijn eigen gedrag te wijten heeft niet in strijd met onschuldpresumptie. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Assen parketnummer : 96-238428-23 raadkamernummer : 25-024866 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , hierna te noemen: de verzoeker. Advocaat: mr. N.D. Spijker, advocaat te Groningen. Procesverloop Het Openbaar Ministerie heeft op 20 augustus 2025 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat het feit inmiddels te oud was. Op 2 oktober 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van: - de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde strafzaak tot een bedrag van 544,50; - de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting. De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 16 oktober 2025 en de reactie van de advocaat van 11 november 2025. De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en het Openbaar Ministerie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift. Beoordeling De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen. Ten aanzien van dat billijkheidsoordeel stelt de rechtbank voorop dat de oordeelsvrijheid van de rechtbank om een verzoek tot vergoeding van schade (deels) af te wijzen op gronden van billijkheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hoewel zoals de advocaat terecht stelt de onschuldpresumptie te allen tijde (in het geval van een vrijspraak én in het geval van een sepot) van de schadevergoedingsrechter verlangt dat zij zich onthoudt van een zelfstandig oordeel dat erop neerkomt dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, betekent een en ander niet dat de onschuldpresumptie in het geval van een vrijspraak of sepot te allen tijde in de weg staat aan een afwijzing van het schadeverzoek. In hoeverre de onschuldpresumptie de oordeelsvrijheid van de schadevergoedingsrechter beperkt is afhankelijk van de vraag hoe de strafzaak is geëindigd. Bij een vrijspraak is de ruimte om tot een afwijzende beslissing te komen zeer beperkt. In gevallen waarin de strafzaak is geëindigd op een andere wijze dan met een vrijspraak, zoals in het onderhavige geval, heeft de schadevergoedingsrechter echter meer ruimte voor een eigen beoordeling van de feiten en omstandigheden van de zaak. Zo is het in een dergelijk geval niet in strijd met artikel 6, tweede lid, EVRM om de gewezen verdachte de (indertijd bestaande) verdenking tegen te werpen en in het billijkheidsoordeel te betrekken in hoeverre verzoeker de kosten aan zijn eigen gedrag zoals dat blijkt uit het strafdossier heeft te wijten. Zelfs het oordeel dat niet is gebleken van de onschuld van verzoeker (“the voicing of suspicions”) is in een dergelijk geval niet in strijd met de onschuldpresumptie, zolang zoals gezegd de motivering van de schadevergoedingsrechter niet in essentie een vaststelling van schuld behelst. In het onderhavige geval werd verzoeker kort gezegd verdacht van het verstoren van de nachtrust door rumoer of burengerucht. Uit de stukken blijkt dat verbalisanten naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast naar de woning van verzoeker zijn gegaan en hebben geconstateerd dat er inderdaad sprake was van geluidsoverlast. Verbalisanten hebben verzoeker vervolgens een proces-verbaal aangezegd wegens het veroorzaken van geluidhinder. Vervolgens heeft verzoeker volgens de verbalisanten luidkeels in de richting van verbalisanten geroepen: "Kanker!", "NSB!" en "Jullie komen er niet in!". Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er een gefundeerde verdenking van het verstoren van de nachtrust tegen verzoeker bestond. Of die bewoordingen wel of niet daadwerkelijk gekwalificeerd kunnen worden als het verstoren van de nachtrust door rumoer of burengerucht, zoals aangevoerd door de advocaat, is in dit verband van ondergeschikt belang. Immers, niet gezegd kan worden dat het dusdanig evident is dat elk strafwaardig karakter aan de bewoordingen ontbreekt, dat verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Verzoeker heeft het gelet op de door hem geuite bewoordingen aan zichzelf te wijten dat deze verdenking op hem is gevallen en dat hij advocaatkosten heeft moeten maken. In hoeverre het optreden van de politie wel of niet de-escalerend is geweest en dat ook anderen hebben bijgedragen aan de grimmige sfeer maakt dit niet anders. De rechtbank acht het gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden niet passend dat de gemaakte advocaatkosten door de Staat worden gedragen. De nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking dienen voor rekening van verzoeker te worden gelaten. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. J. de Vroome, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.