Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-21
ECLI:NL:RBNNE:2026:1695
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,048 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1695 text/xml public 2026-05-15T14:08:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1694 Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-21 11975214 BU VERZ 25-2414 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Leeuwarden Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1695 text/html public 2026-05-15T11:56:54 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1695 Rechtbank Noord-Nederland , 21-04-2026 / 11975214 BU VERZ 25-2414 Wahv. R550A – ‘een geslotenverklaring die voor beide richtingen geldt negeren (bord C1)’. Ongegrond beroep. Bij het instellen van digitale handhaving en uitbreiding van het gebied daarvan is instemming van de CVOM nodig. Dit geldt niet voor verkleining van het gebied, zoals hier. De algemene beroepsgronden uit het pro forma-beroepschrift slagen niet. Betrokkene is de geslotenverklaring gepasseerd, anders zou de camera geen opname hebben gemaakt. Geen reden voor aanpassing van de boete. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Bestuursrecht beschikkingsnummer: 273082969 zaaknummer: 11975214 BU VERZ 25-2414 uitspraak van de kantonrechter van 21 april 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] , gemachtigde: Verkeersboete.nl. Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: R550A – ‘een geslotenverklaring die voor beide richtingen geldt negeren (bord C1)’, verricht op 3 april 2025, om 14:50 uur, op de Singel in Sneek, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 7 april 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: namens de gemachtigde mr. O. van der Meer en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. R.A. van der Velde. Beoordeling door de kantonrechter 2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en zal hierna uitleggen waarom dat het geval is. De opsporingsambtenaar was bevoegd 3. De gemachtigde voert aan dat de verbalisant niet bevoegd was tot handhaving. De digitale handhaving op de Singel in Sneek is neergelegd in het verkeersbesluit van 5 december 2023. Hiermee heeft de CVOM ingestemd. In oktober 2024 is het verkeersbesluit echter gewijzigd: op de Prins Hendrikkade geldt geen geslotenverklaring meer en zijn de camera’s weggehaald. Met deze nieuwe situatie is niet door de CVOM ingestemd, terwijl dit een noodzakelijke voorwaarde is. De gemachtigde verwijst bij dit standpunt naar jurisprudentie. 3.1. De vertegenwoordigster betwist het standpunt van de gemachtigde. Zij zegt dat uit regelgeving volgt dat instemming nodig is voor digitale handhaving, maar nergens volgt uit dat instemming nodig is als níet langer digitaal gehandhaafd wordt. Uit het interne beoordelingskader van de CVOM volgt ook niet dat instemming nodig is bij inperking van het gebied. Er wordt volgens haar geen nieuwe handhavingssituatie gecreëerd en het stoppen met handhaven is ten gunste van de burger. 3.2. De kantonrechter overweegt als volgt. 3.2.1. Uit het algemeen proces-verbaal in het dossier volgt dat vanaf 5 december 2023 een geslotenverklaring is ingevoerd op grond van het Verkeersbesluit “proef Autoluwe binnenstad Sneek” van 11 juli 2023. Op 8 oktober 2024 is de geslotenverklaring en digitale handhaving op de locatie Prins Hendrikkade opgeheven met een verkeersbesluit. 3.2.2. Niet in geding is dat voor de instelling van de geslotenverklaring en digitale handhaving, toestemming is verleend door de CVOM – zoals is vereist. De vraag die voorligt is of opnieuw toestemming verleend moest worden nadat de zone verkleind is. 3.2.3. Uit het door de gemachtigde aangehaalde arrest en andere jurisprudentie volgt dat nieuwe toestemming nodig is bij uitbreiding van de digitale handhaving. Uit het arrest blijkt niet dat ook in geval van verkleining van het handhavingsgebied, instemming nodig is van de CVOM. De kantonrechter haalt dit ook niet uit de geldende regelgeving. 3.2.4. De CVOM moet instemmen met het instellen en uitbreiden van digitale handhaving. Wanneer handhaving wordt gestopt, werkt dit – zoals de vertegenwoordigster stelt – ten gunste van de burger. Er wordt niet langer bestraffend opgetreden, waarvoor de CVOM de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt. Dat de CVOM daarom niet opnieuw hoeft in te stemmen met digitale handhaving wanneer het gebied wordt verkleind, komt de kantonrechter dan ook niet onlogisch voor. 3.2.5. De kantonrechter concludeert dat de verbalisant bevoegd was om de boete op te leggen. Over de algemene beroepsgronden uit het pro forma-beroepschrift 4. De gemachtigde betwist namens betrokkene de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen. 4.1. De enkele, niet-onderbouwde betwisting van de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen, is naar oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te leiden tot twijfel aan de gegevens in het zaakoverzicht. Betrokkene is de geslotenverklaring gepasseerd 5. De gemachtigde stelt dat op de foto in het dossier niet zichtbaar is dat betrokkene de geslotenverklaring heeft betreden. De foto is te vroeg genomen. Volgens de gemachtigde is de geslotenverklaring pas gepasseerd, als de auto in het geheel voorbij het bord is. Op de foto’s staat de voorkant van betrokkenes auto ter hoogte van de bebording. 5.1. De vertegenwoordigster bestrijdt de beroepsgrond. Zij zegt dat de verkeersovertreding vaststaat op basis van de schouwrapporten, het algemeen proces-verbaal over de digitale handhaving en de foto in het dossier, waarop het voertuig ter hoogte van het bord rijdt. De vertegenwoordigster stelt dat het aan de betrokkene is om aan te tonen dat hij niet verder is gereden en dat zij geen argumenten heeft gehoord waardoor zij twijfelt of de betrokkene nog voor de bebording is omgekeerd. 5.2. De kantonrechter overweegt eerst dat uit de tweede bijlage bij het Beoordelingskader digitale handhaving bij geslotenverklaringen en voetgangersgebieden van het Parket CVOM niet volgt dat het voertuig in zijn geheel de geslotenverklaring moet zijn gepasseerd. Er staat enkel in dat vereist is dat op de foto zichtbaar is dat het voertuig het bord is gepasseerd. Hieruit concludeert de kantonrechter dat elk deel van de auto dat voorbij het bord is, een overtreding oplevert. 5.2.1. Dan is de vraag of op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat betrokkene de geslotenverklaring is gepasseerd. De kantonrechter overweegt daarover dat in het algemeen proces-verbaal over de geslotenverklaring de werking van de geslotenverklaring wordt uitgelegd. Onder het kopje ‘Wijze van vaststelling van overtreding’ is te lezen dat de vaste ANPR-camera zo is gericht dat deze te allen tijde binnen de grens van de zone van de geslotenverklaring is gericht. Zo staat vast dat het voertuig dat op de foto staat, zich binnen de geslotenverklaring bevindt en dat de overtreding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De camera is dus zo geplaatst dat alleen auto’s die zich binnen het gebied bevinden worden gecontroleerd. 5.2.2. Gelet op deze uitleg is het aannemelijk dat betrokkene de geslotenverklaring is gepasseerd. Anders zou de camera immers geen opname hebben gemaakt. Het enkel opwerpen van de stelling dat de camera verkeerd moet zijn afgesteld, doet de kantonrechter niet twijfelen aan de juistheid van de controle. 5.2.3. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de gedraging kan worden vastgesteld. Geen reden voor aanpassing van de boete 6. Er zijn geen beroepsgronden aangevoerd die kunnen leiden tot aanpassing van de boete. Conclusie en gevolgen 7.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1695 text/xml public 2026-05-15T14:08:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1694 Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-21 11975214 BU VERZ 25-2414 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Leeuwarden Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1695 text/html public 2026-05-15T11:56:54 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1695 Rechtbank Noord-Nederland , 21-04-2026 / 11975214 BU VERZ 25-2414 Wahv. R550A – ‘een geslotenverklaring die voor beide richtingen geldt negeren (bord C1)’. Ongegrond beroep. Bij het instellen van digitale handhaving en uitbreiding van het gebied daarvan is instemming van de CVOM nodig. Dit geldt niet voor verkleining van het gebied, zoals hier. De algemene beroepsgronden uit het pro forma-beroepschrift slagen niet. Betrokkene is de geslotenverklaring gepasseerd, anders zou de camera geen opname hebben gemaakt. Geen reden voor aanpassing van de boete. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Bestuursrecht beschikkingsnummer: 273082969 zaaknummer: 11975214 BU VERZ 25-2414 uitspraak van de kantonrechter van 21 april 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] , gemachtigde: Verkeersboete.nl. Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: R550A – ‘een geslotenverklaring die voor beide richtingen geldt negeren (bord C1)’, verricht op 3 april 2025, om 14:50 uur, op de Singel in Sneek, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 7 april 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: namens de gemachtigde mr. O. van der Meer en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. R.A. van der Velde. Beoordeling door de kantonrechter 2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en zal hierna uitleggen waarom dat het geval is. De opsporingsambtenaar was bevoegd 3. De gemachtigde voert aan dat de verbalisant niet bevoegd was tot handhaving. De digitale handhaving op de Singel in Sneek is neergelegd in het verkeersbesluit van 5 december 2023. Hiermee heeft de CVOM ingestemd. In oktober 2024 is het verkeersbesluit echter gewijzigd: op de Prins Hendrikkade geldt geen geslotenverklaring meer en zijn de camera’s weggehaald. Met deze nieuwe situatie is niet door de CVOM ingestemd, terwijl dit een noodzakelijke voorwaarde is. De gemachtigde verwijst bij dit standpunt naar jurisprudentie. 3.1. De vertegenwoordigster betwist het standpunt van de gemachtigde. Zij zegt dat uit regelgeving volgt dat instemming nodig is voor digitale handhaving, maar nergens volgt uit dat instemming nodig is als níet langer digitaal gehandhaafd wordt. Uit het interne beoordelingskader van de CVOM volgt ook niet dat instemming nodig is bij inperking van het gebied. Er wordt volgens haar geen nieuwe handhavingssituatie gecreëerd en het stoppen met handhaven is ten gunste van de burger. 3.2. De kantonrechter overweegt als volgt. 3.2.1. Uit het algemeen proces-verbaal in het dossier volgt dat vanaf 5 december 2023 een geslotenverklaring is ingevoerd op grond van het Verkeersbesluit “proef Autoluwe binnenstad Sneek” van 11 juli 2023. Op 8 oktober 2024 is de geslotenverklaring en digitale handhaving op de locatie Prins Hendrikkade opgeheven met een verkeersbesluit. 3.2.2. Niet in geding is dat voor de instelling van de geslotenverklaring en digitale handhaving, toestemming is verleend door de CVOM – zoals is vereist. De vraag die voorligt is of opnieuw toestemming verleend moest worden nadat de zone verkleind is. 3.2.3. Uit het door de gemachtigde aangehaalde arrest en andere jurisprudentie volgt dat nieuwe toestemming nodig is bij uitbreiding van de digitale handhaving. Uit het arrest blijkt niet dat ook in geval van verkleining van het handhavingsgebied, instemming nodig is van de CVOM. De kantonrechter haalt dit ook niet uit de geldende regelgeving. 3.2.4. De CVOM moet instemmen met het instellen en uitbreiden van digitale handhaving. Wanneer handhaving wordt gestopt, werkt dit – zoals de vertegenwoordigster stelt – ten gunste van de burger. Er wordt niet langer bestraffend opgetreden, waarvoor de CVOM de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt. Dat de CVOM daarom niet opnieuw hoeft in te stemmen met digitale handhaving wanneer het gebied wordt verkleind, komt de kantonrechter dan ook niet onlogisch voor. 3.2.5. De kantonrechter concludeert dat de verbalisant bevoegd was om de boete op te leggen. Over de algemene beroepsgronden uit het pro forma-beroepschrift 4. De gemachtigde betwist namens betrokkene de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen. 4.1. De enkele, niet-onderbouwde betwisting van de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen, is naar oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te leiden tot twijfel aan de gegevens in het zaakoverzicht. Betrokkene is de geslotenverklaring gepasseerd 5. De gemachtigde stelt dat op de foto in het dossier niet zichtbaar is dat betrokkene de geslotenverklaring heeft betreden. De foto is te vroeg genomen. Volgens de gemachtigde is de geslotenverklaring pas gepasseerd, als de auto in het geheel voorbij het bord is. Op de foto’s staat de voorkant van betrokkenes auto ter hoogte van de bebording. 5.1. De vertegenwoordigster bestrijdt de beroepsgrond. Zij zegt dat de verkeersovertreding vaststaat op basis van de schouwrapporten, het algemeen proces-verbaal over de digitale handhaving en de foto in het dossier, waarop het voertuig ter hoogte van het bord rijdt. De vertegenwoordigster stelt dat het aan de betrokkene is om aan te tonen dat hij niet verder is gereden en dat zij geen argumenten heeft gehoord waardoor zij twijfelt of de betrokkene nog voor de bebording is omgekeerd. 5.2. De kantonrechter overweegt eerst dat uit de tweede bijlage bij het Beoordelingskader digitale handhaving bij geslotenverklaringen en voetgangersgebieden van het Parket CVOM niet volgt dat het voertuig in zijn geheel de geslotenverklaring moet zijn gepasseerd. Er staat enkel in dat vereist is dat op de foto zichtbaar is dat het voertuig het bord is gepasseerd. Hieruit concludeert de kantonrechter dat elk deel van de auto dat voorbij het bord is, een overtreding oplevert. 5.2.1. Dan is de vraag of op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat betrokkene de geslotenverklaring is gepasseerd. De kantonrechter overweegt daarover dat in het algemeen proces-verbaal over de geslotenverklaring de werking van de geslotenverklaring wordt uitgelegd. Onder het kopje ‘Wijze van vaststelling van overtreding’ is te lezen dat de vaste ANPR-camera zo is gericht dat deze te allen tijde binnen de grens van de zone van de geslotenverklaring is gericht. Zo staat vast dat het voertuig dat op de foto staat, zich binnen de geslotenverklaring bevindt en dat de overtreding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De camera is dus zo geplaatst dat alleen auto’s die zich binnen het gebied bevinden worden gecontroleerd. 5.2.2. Gelet op deze uitleg is het aannemelijk dat betrokkene de geslotenverklaring is gepasseerd. Anders zou de camera immers geen opname hebben gemaakt. Het enkel opwerpen van de stelling dat de camera verkeerd moet zijn afgesteld, doet de kantonrechter niet twijfelen aan de juistheid van de controle. 5.2.3. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de gedraging kan worden vastgesteld. Geen reden voor aanpassing van de boete 6. Er zijn geen beroepsgronden aangevoerd die kunnen leiden tot aanpassing van de boete. Conclusie en gevolgen 7.