Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-24
ECLI:NL:RBNNE:2026:1692
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,852 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1692 text/xml public 2026-05-18T11:18:48 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-24 18-215574-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Groningen Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 77a Wetboek van Strafrecht 77g Wetboek van Strafrecht 77m Wetboek van Strafrecht 77n Wetboek van Strafrecht 77x Wetboek van Strafrecht 77y Wetboek van Strafrecht 77z Wetboek van Strafrecht 77aa Wetboek van Strafrecht 248 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1692 text/html public 2026-05-18T11:18:18 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1692 Rechtbank Noord-Nederland , 24-04-2026 / 18-215574-25 Minderjarige is veroordeeld voor verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren tot 4 maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 150 uren. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18-215574-25 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 5 november 2024 en/of 14 november 2024 te Groningen met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door met zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] binnen te dringen en/of met zijn penis in de mond van die [slachtoffer] binnen te dringen. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde feit gevorderd. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van dwang, dat het slachtoffer steeds vrijwillig heeft afgesproken en dat het leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer dusdanig klein is dat de seksuele handelingen, zo die al hebben plaatsgevonden, niet vallen onder de strafbepaling van artikel 248 Wetboek van Strafrecht. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Oordeel van de rechtbank De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. verklaring van ve ttz: ik word ook wel [nickname verdachte] genoemd. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 januari 2025, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024323803, onderzoek LYCHEE/NNRBC24239, d.d. 9 juli 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] : V: Wanneer heb je voor de tweede keer met hem afgesproken? A: 5 november. V: Waar heb je toen afgesproken? A: Op dezelfde plek. Toen was die vriend er ook bij. V: Wat was de naam van die vriend? A: [nickname verdachte] A: Ik moest toen die vriend van [vriend verdachte] pijpen. A: Eerst zat [vriend verdachte] achter mij en die vriend voor mij. Toen gingen ze wisselen. Hij, die vriend, ging achter mij en deed hetzelfde als [vriend verdachte] deed. Hij deed een condoom om en ging in mijn vagina. Ik moest dan [vriend verdachte] pijpen. Ze hebben vier of vijf keer gewisseld. V: Wanneer heb je opnieuw afgesproken? A: Dit was op 14 november. V: Waar heb je toen afgesproken? A: Bij [adres] A: Toen gebeurde hetzelfde als de tweede keer 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 mei 2025, opgenomen op pagina 171 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer JM19 van onderzoek LYCHEE/NNRBC24239, inhoudende als verklaring van [verklaarder 1] : V: Wie denk je dat er aangifte heeft gedaan? A: Ik denk [slachtoffer] . V: Je zei dat je met een vriend was. A: Hij had het ook met haar gedaan. V: Wat heeft hij gedaan? A: Geneukt V: Wat heb je daarvan gezien? A: Ik heb het gezien. V: Zij pijpte jou en hij neukte haar. Is dat nog anders geweest? A: Zij ging hem ook nog pijpen. V: Nu je weet dat hij is aangehouden, wil je dan zijn naam vertellen? A: [verdachte] . V: [slachtoffer] verklaart dat er nog een derde keer seks is geweest. Ze verklaart dat er een derde afspraak is geweest op 14 november 2025 om 14.00 uur. Ze verklaart dat het dit keer aan [adres] was. Reageer hier eens op. A: Ja. V: [slachtoffer] zegt dat ze is verkracht door [vriend verdachte] en [nickname verdachte] . A: [nickname verdachte] is [verdachte] . 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 mei 2025, opgenomen op pagina 212 e.v. van voornoemd, inhoudende als verklaring van [verklaarder 2] : V: Waar woon je? A: [adres] . V: Zegt de naam [slachtoffer] je iets? A: Met die meid [slachtoffer] gingen [vriend verdachte] en [nickname verdachte] neuken. [nickname verdachte] heeft haar naar mijn kamer gebracht. A: [vriend verdachte] en [nickname verdachte] hebben [slachtoffer] geneukt. Ik heb daar een video van gezien. V: Wat heb je gezien op die video? A: [vriend verdachte] was voor en [nickname verdachte] was achter. [slachtoffer] was [vriend verdachte] aan het pijpen en [nickname verdachte] was haar, van achteren, aan het neuken. Ik hoorde [vriend verdachte] en [nickname verdachte] later zeggen dat ze het ook omgewisseld hebben. Dat [slachtoffer] [nickname verdachte] aan het pijpen was en dat [vriend verdachte] haar van achteren aan het neuken was. V: Zegt de naam [verdachte] je wat? A: Ja, dat is ook [nickname verdachte] . We noemen hem [nickname verdachte] , maar op zijn ID-kaart staat [verdachte] . 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juni 2025, opgenomen op pagina 120 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant: Op woensdag 18 juni 2025 deed ik onderzoek naar de IPhone 15 pro met goednummer: 1831288. Deze IPhone 15 Pro is op woensdag 21 mei 2025 inbeslaggenomen bij verdachte [verdachte] . Uit het getuigenverhoor met het slachtoffer komt naar voren dat het slachtoffer gebruik maakte van het Snapchat account [account] . Op de IPhone 15 pro wordt met betrekking tot [slachtoffer] het volgende aangetroffen: schermafbeeldingen van het Snapchat account [account] . De created datum van afbeelding 1 betreft 27-11-2024. Op de IPhone 15 pro trof ik ook een afbeelding aan waarop ik [slachtoffer] herkende. Op de IPhone 15 Pro trof ik een whatsapp gesprek aan tussen [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net ( [vriend verdachte] ) en [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [verdachte] ) Ik zag dat er op 14 november 2024 een berichten werd verstuurd met een locatie van een Allegro laadpaal. Ik zag dat het een link betrof naar Apple kaarten met een locatie van een Allego laadpaal aan de [adres] . Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2024, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant: Van het slachtoffer werd de telefoon in beslag genomen. Ik zag dat er 260 device notifications binnen waren gekomen over dat subject [nickname verdachte] een snapbericht had gestuurd. Deze notifications zag ik tussen 19-11-2024 en 24-11-2024. Uit de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen volgt dat de verklaringen van verdachte, dat hij [slachtoffer] niet kent en hij dus ook geen seks met haar heeft gehad, ongeloofwaardig zijn. Met betrekking tot hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht overweegt de rechtbank als volgt.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1692 text/xml public 2026-05-18T11:18:48 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-24 18-215574-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Groningen Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 77a Wetboek van Strafrecht 77g Wetboek van Strafrecht 77m Wetboek van Strafrecht 77n Wetboek van Strafrecht 77x Wetboek van Strafrecht 77y Wetboek van Strafrecht 77z Wetboek van Strafrecht 77aa Wetboek van Strafrecht 248 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1692 text/html public 2026-05-18T11:18:18 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1692 Rechtbank Noord-Nederland , 24-04-2026 / 18-215574-25 Minderjarige is veroordeeld voor verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren tot 4 maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 150 uren. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18-215574-25 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 5 november 2024 en/of 14 november 2024 te Groningen met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door met zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] binnen te dringen en/of met zijn penis in de mond van die [slachtoffer] binnen te dringen. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde feit gevorderd. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van dwang, dat het slachtoffer steeds vrijwillig heeft afgesproken en dat het leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer dusdanig klein is dat de seksuele handelingen, zo die al hebben plaatsgevonden, niet vallen onder de strafbepaling van artikel 248 Wetboek van Strafrecht. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Oordeel van de rechtbank De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. verklaring van ve ttz: ik word ook wel [nickname verdachte] genoemd. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 januari 2025, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024323803, onderzoek LYCHEE/NNRBC24239, d.d. 9 juli 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] : V: Wanneer heb je voor de tweede keer met hem afgesproken? A: 5 november. V: Waar heb je toen afgesproken? A: Op dezelfde plek. Toen was die vriend er ook bij. V: Wat was de naam van die vriend? A: [nickname verdachte] A: Ik moest toen die vriend van [vriend verdachte] pijpen. A: Eerst zat [vriend verdachte] achter mij en die vriend voor mij. Toen gingen ze wisselen. Hij, die vriend, ging achter mij en deed hetzelfde als [vriend verdachte] deed. Hij deed een condoom om en ging in mijn vagina. Ik moest dan [vriend verdachte] pijpen. Ze hebben vier of vijf keer gewisseld. V: Wanneer heb je opnieuw afgesproken? A: Dit was op 14 november. V: Waar heb je toen afgesproken? A: Bij [adres] A: Toen gebeurde hetzelfde als de tweede keer 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 mei 2025, opgenomen op pagina 171 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer JM19 van onderzoek LYCHEE/NNRBC24239, inhoudende als verklaring van [verklaarder 1] : V: Wie denk je dat er aangifte heeft gedaan? A: Ik denk [slachtoffer] . V: Je zei dat je met een vriend was. A: Hij had het ook met haar gedaan. V: Wat heeft hij gedaan? A: Geneukt V: Wat heb je daarvan gezien? A: Ik heb het gezien. V: Zij pijpte jou en hij neukte haar. Is dat nog anders geweest? A: Zij ging hem ook nog pijpen. V: Nu je weet dat hij is aangehouden, wil je dan zijn naam vertellen? A: [verdachte] . V: [slachtoffer] verklaart dat er nog een derde keer seks is geweest. Ze verklaart dat er een derde afspraak is geweest op 14 november 2025 om 14.00 uur. Ze verklaart dat het dit keer aan [adres] was. Reageer hier eens op. A: Ja. V: [slachtoffer] zegt dat ze is verkracht door [vriend verdachte] en [nickname verdachte] . A: [nickname verdachte] is [verdachte] . 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 mei 2025, opgenomen op pagina 212 e.v. van voornoemd, inhoudende als verklaring van [verklaarder 2] : V: Waar woon je? A: [adres] . V: Zegt de naam [slachtoffer] je iets? A: Met die meid [slachtoffer] gingen [vriend verdachte] en [nickname verdachte] neuken. [nickname verdachte] heeft haar naar mijn kamer gebracht. A: [vriend verdachte] en [nickname verdachte] hebben [slachtoffer] geneukt. Ik heb daar een video van gezien. V: Wat heb je gezien op die video? A: [vriend verdachte] was voor en [nickname verdachte] was achter. [slachtoffer] was [vriend verdachte] aan het pijpen en [nickname verdachte] was haar, van achteren, aan het neuken. Ik hoorde [vriend verdachte] en [nickname verdachte] later zeggen dat ze het ook omgewisseld hebben. Dat [slachtoffer] [nickname verdachte] aan het pijpen was en dat [vriend verdachte] haar van achteren aan het neuken was. V: Zegt de naam [verdachte] je wat? A: Ja, dat is ook [nickname verdachte] . We noemen hem [nickname verdachte] , maar op zijn ID-kaart staat [verdachte] . 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juni 2025, opgenomen op pagina 120 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant: Op woensdag 18 juni 2025 deed ik onderzoek naar de IPhone 15 pro met goednummer: 1831288. Deze IPhone 15 Pro is op woensdag 21 mei 2025 inbeslaggenomen bij verdachte [verdachte] . Uit het getuigenverhoor met het slachtoffer komt naar voren dat het slachtoffer gebruik maakte van het Snapchat account [account] . Op de IPhone 15 pro wordt met betrekking tot [slachtoffer] het volgende aangetroffen: schermafbeeldingen van het Snapchat account [account] . De created datum van afbeelding 1 betreft 27-11-2024. Op de IPhone 15 pro trof ik ook een afbeelding aan waarop ik [slachtoffer] herkende. Op de IPhone 15 Pro trof ik een whatsapp gesprek aan tussen [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net ( [vriend verdachte] ) en [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [verdachte] ) Ik zag dat er op 14 november 2024 een berichten werd verstuurd met een locatie van een Allegro laadpaal. Ik zag dat het een link betrof naar Apple kaarten met een locatie van een Allego laadpaal aan de [adres] . Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2024, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant: Van het slachtoffer werd de telefoon in beslag genomen. Ik zag dat er 260 device notifications binnen waren gekomen over dat subject [nickname verdachte] een snapbericht had gestuurd. Deze notifications zag ik tussen 19-11-2024 en 24-11-2024. Uit de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen volgt dat de verklaringen van verdachte, dat hij [slachtoffer] niet kent en hij dus ook geen seks met haar heeft gehad, ongeloofwaardig zijn. Met betrekking tot hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht overweegt de rechtbank als volgt.
Volledig
Artikel 248 lid 3 van het Wetboek van Stafrecht (hierna: Sr) sluit strafbaarheid uit wanneer de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen leeftijdsgenoten in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen dader en kind. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie geen sprake is. Verdachte was ten tijde van de seksuele handelingen 17 jaar, bijna 18 jaar oud. [slachtoffer] was toen 13 jaar oud. Om te kunnen spreken van een gering leeftijdsverschil wordt, blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet Seksuele Misdrijven (hierna: WSM) en blijkens jurisprudentie bij artikel 245 (oud) Sr (vergelijkbaar met het nieuwe artikel 248 Sr), als uitgangspunt een leeftijdsverschil van twee jaar gehanteerd. Tussen verdachte en [slachtoffer] was sprake van een leeftijdsverschil van ruim vier jaar. Daarmee is het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] niet gering te noemen. In het dossier zijn geen compenserende factoren die maken dat alsnog van een gering leeftijdsverschil kan worden gesproken. De rechtbank concludeert dat verdachte en [slachtoffer] niet als leeftijdsgenoten kunnen worden gezien. Daar komt bij dat verdachte en [slachtoffer] elkaar nagenoeg niet kenden, laat staan dat sprake was van een affectieve relatie tussen beiden en dat ook een andere jongen op hetzelfde moment seksuele handelingen verrichtte met het slachtoffer Van de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in lid 3 van artikel 248 Sr is onder deze omstandigheden dan ook geen sprake. Bewezenverklaring De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 5 november 2024 en 14 november 2024 te Groningen met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door met zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] binnen te dringen en met zijn penis in de mond van die [slachtoffer] binnen te dringen. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Tevens heeft de officier van justitie een werkstraf van 150 uren gevorderd. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een deels voorwaardelijke werkstraf volstaat, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het rapport van de Raad van 3 april 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich in korte tijd tweemaal schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van een jong meisje. Verdachte kwam via een vriend in contact met [slachtoffer] en heeft samen met zijn vriend vaginale en orale seks gehad met [slachtoffer] . Hij is daarbij volledig voorbij gegaan aan de leeftijd van [slachtoffer] . De gevolgen van seksueel misbruik kunnen een leven lang voelbaar blijven en diepe sporen achterlaten. Door zich te laten leiden door zijn eigen seksuele lust, heeft de verdachte de normale seksuele ontwikkeling van het slachtoffer doorkruist en haar lichamelijke integriteit op ernstige wijze geschonden. Het slachtoffer kampt sinds het misbruik met psychische klachten en haar gedrag is veranderd. De verdachte draagt daar verantwoordelijkheid voor Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. Ook na dit feit is hij het niet opnieuw met de politie in aanraking geweest. De Raad ziet overwegend beschermende factoren, al worden er enige zorgen gezien in het sociale netwerk van verdachte. Verdachte heeft het delict vanaf het begin stellig ontkend. Het herhalingsgevaar kan niet worden ingeschat. De Raad heeft een voorwaardelijke jeugddetentie geadviseerd alsmede een onvoorwaardelijke werkstraf. Als bijzondere voorwaarden dient verdachte onderwijs of dagbesteding te volgen, mee te werken aan diagnostiek en behandeling vanuit [instelling] , inzicht te geven in zijn sociale contacten en zich te houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de jeugdreclassering. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit een ernstig strafbaar feit is. Vanwege die ernst is in beginsel een jeugddetentie passend. De rechtbank heeft ten aanzien van de op te leggen straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, maar merkt hierbij op dat zaken waarin seksueel misbruik speelt nooit een-op-een vergelijkbaar zijn. In de strafoplegging spelen immers zowel de aard en duur van de gepleegde seksuele handelingen als de context van het seksuele misbruik als de persoonlijke omstandigheden van de verdachte een rol. Alles afwegende vindt de rechtbank 4 maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de Raad in haar rapport van 3 april 2026. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen van 150 uren met aftrek subsidiair 75 dagen jeugddetentie. Enerzijds wordt hierdoor de ernst van het bewezenverklaarde benadrukt en anderzijds fungeert de forse voorwaardelijke straf als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen. Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 12.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen, tot een bedrag van 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat deze daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze en dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder nadere concrete onderbouwing. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek.
Volledig
Artikel 248 lid 3 van het Wetboek van Stafrecht (hierna: Sr) sluit strafbaarheid uit wanneer de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen leeftijdsgenoten in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen dader en kind. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie geen sprake is. Verdachte was ten tijde van de seksuele handelingen 17 jaar, bijna 18 jaar oud. [slachtoffer] was toen 13 jaar oud. Om te kunnen spreken van een gering leeftijdsverschil wordt, blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet Seksuele Misdrijven (hierna: WSM) en blijkens jurisprudentie bij artikel 245 (oud) Sr (vergelijkbaar met het nieuwe artikel 248 Sr), als uitgangspunt een leeftijdsverschil van twee jaar gehanteerd. Tussen verdachte en [slachtoffer] was sprake van een leeftijdsverschil van ruim vier jaar. Daarmee is het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] niet gering te noemen. In het dossier zijn geen compenserende factoren die maken dat alsnog van een gering leeftijdsverschil kan worden gesproken. De rechtbank concludeert dat verdachte en [slachtoffer] niet als leeftijdsgenoten kunnen worden gezien. Daar komt bij dat verdachte en [slachtoffer] elkaar nagenoeg niet kenden, laat staan dat sprake was van een affectieve relatie tussen beiden en dat ook een andere jongen op hetzelfde moment seksuele handelingen verrichtte met het slachtoffer Van de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in lid 3 van artikel 248 Sr is onder deze omstandigheden dan ook geen sprake. Bewezenverklaring De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 5 november 2024 en 14 november 2024 te Groningen met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door met zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] binnen te dringen en met zijn penis in de mond van die [slachtoffer] binnen te dringen. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Tevens heeft de officier van justitie een werkstraf van 150 uren gevorderd. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een deels voorwaardelijke werkstraf volstaat, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het rapport van de Raad van 3 april 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich in korte tijd tweemaal schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van een jong meisje. Verdachte kwam via een vriend in contact met [slachtoffer] en heeft samen met zijn vriend vaginale en orale seks gehad met [slachtoffer] . Hij is daarbij volledig voorbij gegaan aan de leeftijd van [slachtoffer] . De gevolgen van seksueel misbruik kunnen een leven lang voelbaar blijven en diepe sporen achterlaten. Door zich te laten leiden door zijn eigen seksuele lust, heeft de verdachte de normale seksuele ontwikkeling van het slachtoffer doorkruist en haar lichamelijke integriteit op ernstige wijze geschonden. Het slachtoffer kampt sinds het misbruik met psychische klachten en haar gedrag is veranderd. De verdachte draagt daar verantwoordelijkheid voor Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. Ook na dit feit is hij het niet opnieuw met de politie in aanraking geweest. De Raad ziet overwegend beschermende factoren, al worden er enige zorgen gezien in het sociale netwerk van verdachte. Verdachte heeft het delict vanaf het begin stellig ontkend. Het herhalingsgevaar kan niet worden ingeschat. De Raad heeft een voorwaardelijke jeugddetentie geadviseerd alsmede een onvoorwaardelijke werkstraf. Als bijzondere voorwaarden dient verdachte onderwijs of dagbesteding te volgen, mee te werken aan diagnostiek en behandeling vanuit [instelling] , inzicht te geven in zijn sociale contacten en zich te houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de jeugdreclassering. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit een ernstig strafbaar feit is. Vanwege die ernst is in beginsel een jeugddetentie passend. De rechtbank heeft ten aanzien van de op te leggen straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, maar merkt hierbij op dat zaken waarin seksueel misbruik speelt nooit een-op-een vergelijkbaar zijn. In de strafoplegging spelen immers zowel de aard en duur van de gepleegde seksuele handelingen als de context van het seksuele misbruik als de persoonlijke omstandigheden van de verdachte een rol. Alles afwegende vindt de rechtbank 4 maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de Raad in haar rapport van 3 april 2026. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen van 150 uren met aftrek subsidiair 75 dagen jeugddetentie. Enerzijds wordt hierdoor de ernst van het bewezenverklaarde benadrukt en anderzijds fungeert de forse voorwaardelijke straf als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen. Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 12.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen, tot een bedrag van 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat deze daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze en dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder nadere concrete onderbouwing. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek.
Volledig
Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Zij heeft zich voor het bedrag gebaseerd op categorie (b) voor slachtoffers van ontucht met binnendringen. De schadevergoeding binnen deze categorie varieert van 6.000,- tot 12.500,-. De rechtbank overweegt bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld verder dat de benadeelde een jong meisje van 13 jaar was ten tijde van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht een schadebedrag van 7.500,- passend. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van 7.500,- en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 248 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden. Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: onderwijs of dagbesteding volgt; meewerkt aan hulpverlening, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; meewerkt aan diagnostiek en/of behandeling vanuit [instelling] of soortgelijke instelling, zolang dit door de jeugdreclassering nodig wordt geacht; inzicht geeft in zijn (online) sociale contacten; zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen te geven door het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Groningen en aan de afspraken die door of namens voornoemde instelling met hem worden gemaakt. Geeft aan Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Groningen opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast. Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling. Benadeelde partij Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen: het bedrag van 7.500,- (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2024 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500,- (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. O.J. Bosker en mr. S.R. Huisman rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026. Mr. S. Zwarts en mr. S.R. Huisman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledig
Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Zij heeft zich voor het bedrag gebaseerd op categorie (b) voor slachtoffers van ontucht met binnendringen. De schadevergoeding binnen deze categorie varieert van 6.000,- tot 12.500,-. De rechtbank overweegt bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld verder dat de benadeelde een jong meisje van 13 jaar was ten tijde van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht een schadebedrag van 7.500,- passend. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van 7.500,- en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 248 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden. Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: onderwijs of dagbesteding volgt; meewerkt aan hulpverlening, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; meewerkt aan diagnostiek en/of behandeling vanuit [instelling] of soortgelijke instelling, zolang dit door de jeugdreclassering nodig wordt geacht; inzicht geeft in zijn (online) sociale contacten; zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen te geven door het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Groningen en aan de afspraken die door of namens voornoemde instelling met hem worden gemaakt. Geeft aan Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Groningen opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast. Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling. Benadeelde partij Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen: het bedrag van 7.500,- (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2024 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500,- (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. O.J. Bosker en mr. S.R. Huisman rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026. Mr. S. Zwarts en mr. S.R. Huisman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.