Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-08
ECLI:NL:RBNNE:2026:1676
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
4,037 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1676 text/xml public 2026-05-12T09:00:13 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-08 26-794 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1676 text/html public 2026-05-08T14:01:21 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1676 Rechtbank Noord-Nederland , 08-05-2026 / 26-794 beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand want verzoekster is niet belanghebbend ten aanzien van het besluit. Verzoek afgewezen. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 26/794 en LEE 26/795 uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit Eastermar, verzoekster, (gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho), en het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân, het dagelijks bestuur, (gemachtigde: mr. L. Bos). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Zonnepark Skulenboarch BV, uit Leeuwarden, (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. V.A.C. de Gier). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit om het bezwaar van verzoekster kennelijk niet ontvankelijk te verklaren. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter doet in deze zaak uitspraak in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Omdat direct uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 19 december 2023 heeft het dagelijks bestuur een vergunning verleend voor het aanleggen en exploiteren van een drijvend zonnepark, het aanleggen van steigers, een vlonder, een dam met duiker, bruggetjes en het graven/vergraven van oppervlaktewater, op/aan de zandwinplas nabij bedrijventerrein Skulenboarch in Eastermar. Tegen deze vergunning is geen bezwaar gemaakt. In de vergunning is als voorwaarde drie opgenomen dat de vergunning vervalt als niet binnen achttien maanden na dagtekening van de vergunning met de werkzaamheden is gestart, of als de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van twaalf maanden hebben stilgelegen. 2.1. Op 9 december 2025 heeft het dagelijks bestuur deze voorwaarde gewijzigd. Het dagelijks bestuur heeft met terugwerkende kracht aan de vergunning van 19 december 2023 de voorwaarde verbonden dat het zonnepark in zijn geheel voor 19 juli 2027 moet zijn aangelegd. 2.2. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. 2.3. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van verzoekster op 5 maart 2026 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 9 december 2025 volgens het dagelijks bestuur geen besluit is. 2.4. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar gemachtigde; namens het dagelijks bestuur, zijn gemachtigde en L. Hofstede en namens vergunninghouder haar gemachtigde en [belanghebbende] . 2.6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij op het beroep van verzoekster. Beoordeling door de voorzieningenrechter Is de brief van 9 december 2025 een besluit? 3. Verzoekster voert aan dat haar bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens haar is de brief van 9 december 2025 een besluit, was haar bezwaar daartegen ontvankelijk en had zij daarover gehoord moeten worden. Die brief is volgens haar een besluit omdat voorwaarde drie van de oorspronkelijke vergunning van 19 december 2023 is gewijzigd. Aan die wijziging ligt de volgens verzoekster de onjuiste veronderstelling ten grondslag dat de vergunning van 19 december 2023 nog steeds zou gelden. Volgens verzoekster is die vergunning van rechtswege vervallen, omdat niet binnen 18 maanden (dus voor 19 juni 2025) is gestart met de werkzaamheden. 3.1. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat de brief van 9 december 2025 geen besluit is. Daarom is het bezwaar van verzoekster tegen die brief terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het dagelijks bestuur is die brief geen besluit, omdat vergunninghouder, anders dan het dagelijks bestuur aanvankelijk veronderstelde, wel vóór 19 juni 2025 activiteiten heeft uitgevoerd op basis van de vergunning van 19 december 2023. Daarom was de verlenging van de vergunning in de brief van 9 december 2025 niet nodig, heeft die brief geen rechtsgevolg en is daarom geen besluit. 3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 9 december 2025 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Die brief is namelijk gericht op rechtsgevolg. Het rechtsgevolg is dat voorwaarde drie van de vergunning van 19 december 2023 (werkzaamheden moeten binnen 18 maanden starten en mogen niet langer dan 12 maanden stilliggen) niet langer geldt. In plaats daarvan geldt de voorwaarde uit de brief van 9 december 2025. Die houdt in dat het gehele zonnepark voor 19 juli 2027 gerealiseerd moet zijn. Desgevraagd heeft het dagelijks bestuur ter zitting laten weten dat dat voorschrift niet is herroepen of ingetrokken. 3.3. Dat betekent dat het dagelijks bestuur het bezwaarschrift van verzoekster tegen het besluit van 9 december 2025 ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het dagelijks bestuur had dat bezwaarschrift in behandeling moeten nemen. Het bestreden besluit van 5 maart 2026 kan daarom niet in stand blijven. De voorzieningenrechter zal hierna ingaan op de vraag waartoe dit moet leiden. Het belang van verzoekster 4. In het bezwaarschrift heeft verzoekster gesteld dat zij belanghebbende is bij het besluit van 9 december 2025 omdat zij in de directe omgeving van het waterlichaam woont en dit water wordt gebruikt voor recreatie (zwemmen), natuur, visstand en agrarische bedrijfsvoering. Tijdens de zitting is, mede aan de hand van kaartmateriaal, stilgestaan bij het belang van verzoekster bij de vergunning van 19 december 2023 en, in het verlengde daarvan, het besluit van 9 december 2025. 4.1. Verzoekster woont op ca 600 meter van de zandwinplas en het zonnepark waarop de vergunning van 19 december 2023 ziet. Vanaf haar perceel heeft zij daarop geen zicht. Tussen haar perceel en de zandwinplas liggen wegen, bebouwing en bosschages. Zij ondervindt als bewoner/eigenaar niet rechtstreeks feitelijke gevolgen van de activiteit die de vergunning van 19 december 2023 toestaat. Verzoekster heeft gesteld dat het bouwverkeer naar het zonnepark langs haar woning komt. Dat belang onderscheid haar echter niet van anderen die wonen langs de route van het bouwverkeer. Het belang van verzoekster als bewoner/eigenaar is daarom niet rechtstreeks bij het besluit van 19 december 2023 betrokken. 4.2. Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de voorzieningenrechter heeft verzoekster gesteld dat zij ook belang ontleend aan haar hoedanigheid als maat in de maatschap die zij heeft met haar partner. De maatschap is eigenaar van gronden op (hemelsbreed) ongeveer 1,7 kilometer van een gemaal waarmee water uit de zandwinplas wordt gepompt. Dat water stroomt volgens verzoekster langs het perceel waar de schapen van de maatschap grazen. 4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dit verzoekster geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De gevolgen van het feit dat water uit de zandwinplas ca 1,7 kilometer verderop, en vermengd met ander water, langs een perceel van de maatschap stroomt, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter dermate gering dat verzoekster daarvan geen gevolgen van enige betekenis ondervindt.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1676 text/xml public 2026-05-12T09:00:13 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-08 26-794 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1676 text/html public 2026-05-08T14:01:21 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1676 Rechtbank Noord-Nederland , 08-05-2026 / 26-794 beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand want verzoekster is niet belanghebbend ten aanzien van het besluit. Verzoek afgewezen. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 26/794 en LEE 26/795 uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit Eastermar, verzoekster, (gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho), en het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân, het dagelijks bestuur, (gemachtigde: mr. L. Bos). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Zonnepark Skulenboarch BV, uit Leeuwarden, (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. V.A.C. de Gier). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit om het bezwaar van verzoekster kennelijk niet ontvankelijk te verklaren. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter doet in deze zaak uitspraak in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Omdat direct uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 19 december 2023 heeft het dagelijks bestuur een vergunning verleend voor het aanleggen en exploiteren van een drijvend zonnepark, het aanleggen van steigers, een vlonder, een dam met duiker, bruggetjes en het graven/vergraven van oppervlaktewater, op/aan de zandwinplas nabij bedrijventerrein Skulenboarch in Eastermar. Tegen deze vergunning is geen bezwaar gemaakt. In de vergunning is als voorwaarde drie opgenomen dat de vergunning vervalt als niet binnen achttien maanden na dagtekening van de vergunning met de werkzaamheden is gestart, of als de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van twaalf maanden hebben stilgelegen. 2.1. Op 9 december 2025 heeft het dagelijks bestuur deze voorwaarde gewijzigd. Het dagelijks bestuur heeft met terugwerkende kracht aan de vergunning van 19 december 2023 de voorwaarde verbonden dat het zonnepark in zijn geheel voor 19 juli 2027 moet zijn aangelegd. 2.2. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. 2.3. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van verzoekster op 5 maart 2026 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 9 december 2025 volgens het dagelijks bestuur geen besluit is. 2.4. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar gemachtigde; namens het dagelijks bestuur, zijn gemachtigde en L. Hofstede en namens vergunninghouder haar gemachtigde en [belanghebbende] . 2.6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij op het beroep van verzoekster. Beoordeling door de voorzieningenrechter Is de brief van 9 december 2025 een besluit? 3. Verzoekster voert aan dat haar bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens haar is de brief van 9 december 2025 een besluit, was haar bezwaar daartegen ontvankelijk en had zij daarover gehoord moeten worden. Die brief is volgens haar een besluit omdat voorwaarde drie van de oorspronkelijke vergunning van 19 december 2023 is gewijzigd. Aan die wijziging ligt de volgens verzoekster de onjuiste veronderstelling ten grondslag dat de vergunning van 19 december 2023 nog steeds zou gelden. Volgens verzoekster is die vergunning van rechtswege vervallen, omdat niet binnen 18 maanden (dus voor 19 juni 2025) is gestart met de werkzaamheden. 3.1. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat de brief van 9 december 2025 geen besluit is. Daarom is het bezwaar van verzoekster tegen die brief terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het dagelijks bestuur is die brief geen besluit, omdat vergunninghouder, anders dan het dagelijks bestuur aanvankelijk veronderstelde, wel vóór 19 juni 2025 activiteiten heeft uitgevoerd op basis van de vergunning van 19 december 2023. Daarom was de verlenging van de vergunning in de brief van 9 december 2025 niet nodig, heeft die brief geen rechtsgevolg en is daarom geen besluit. 3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 9 december 2025 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Die brief is namelijk gericht op rechtsgevolg. Het rechtsgevolg is dat voorwaarde drie van de vergunning van 19 december 2023 (werkzaamheden moeten binnen 18 maanden starten en mogen niet langer dan 12 maanden stilliggen) niet langer geldt. In plaats daarvan geldt de voorwaarde uit de brief van 9 december 2025. Die houdt in dat het gehele zonnepark voor 19 juli 2027 gerealiseerd moet zijn. Desgevraagd heeft het dagelijks bestuur ter zitting laten weten dat dat voorschrift niet is herroepen of ingetrokken. 3.3. Dat betekent dat het dagelijks bestuur het bezwaarschrift van verzoekster tegen het besluit van 9 december 2025 ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het dagelijks bestuur had dat bezwaarschrift in behandeling moeten nemen. Het bestreden besluit van 5 maart 2026 kan daarom niet in stand blijven. De voorzieningenrechter zal hierna ingaan op de vraag waartoe dit moet leiden. Het belang van verzoekster 4. In het bezwaarschrift heeft verzoekster gesteld dat zij belanghebbende is bij het besluit van 9 december 2025 omdat zij in de directe omgeving van het waterlichaam woont en dit water wordt gebruikt voor recreatie (zwemmen), natuur, visstand en agrarische bedrijfsvoering. Tijdens de zitting is, mede aan de hand van kaartmateriaal, stilgestaan bij het belang van verzoekster bij de vergunning van 19 december 2023 en, in het verlengde daarvan, het besluit van 9 december 2025. 4.1. Verzoekster woont op ca 600 meter van de zandwinplas en het zonnepark waarop de vergunning van 19 december 2023 ziet. Vanaf haar perceel heeft zij daarop geen zicht. Tussen haar perceel en de zandwinplas liggen wegen, bebouwing en bosschages. Zij ondervindt als bewoner/eigenaar niet rechtstreeks feitelijke gevolgen van de activiteit die de vergunning van 19 december 2023 toestaat. Verzoekster heeft gesteld dat het bouwverkeer naar het zonnepark langs haar woning komt. Dat belang onderscheid haar echter niet van anderen die wonen langs de route van het bouwverkeer. Het belang van verzoekster als bewoner/eigenaar is daarom niet rechtstreeks bij het besluit van 19 december 2023 betrokken. 4.2. Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de voorzieningenrechter heeft verzoekster gesteld dat zij ook belang ontleend aan haar hoedanigheid als maat in de maatschap die zij heeft met haar partner. De maatschap is eigenaar van gronden op (hemelsbreed) ongeveer 1,7 kilometer van een gemaal waarmee water uit de zandwinplas wordt gepompt. Dat water stroomt volgens verzoekster langs het perceel waar de schapen van de maatschap grazen. 4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dit verzoekster geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De gevolgen van het feit dat water uit de zandwinplas ca 1,7 kilometer verderop, en vermengd met ander water, langs een perceel van de maatschap stroomt, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter dermate gering dat verzoekster daarvan geen gevolgen van enige betekenis ondervindt.