Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-07
ECLI:NL:RBNNE:2026:1670
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
16,213 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1670 text/xml public 2026-05-21T09:11:35 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-07 AWB_LEE_24-2121 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1670 text/html public 2026-05-21T09:10:51 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1670 Rechtbank Noord-Nederland , 07-05-2026 / AWB_LEE_24-2121 MK/Eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing/ aanslagen zijn in overeenstemming met de in de Verordening genoemde tarieven berekend/ samenloop van de waterzorgheffing met de rioolheffing/niet in strijd met een algemeen rechtsbeginsel/ gelijkheidsbeginsel niet geschonden/geen ISV/beroep ongegrond RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/2121 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden, de heffingsambtenaar, (gemachtigde: [naam 1] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 maart 2024. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2024 een eigenarenaanslag waterzorgheffing en een gebruikersaanslag waterzorgheffing opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiser zijn echtgenote [naam 2] en namens de heffingsambtenaar [naam 3] en [naam 4] . De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling het onderzoek gesloten. 1.6. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verwezen naar een meervoudige kamer. 1.7. Partijen hebben nadere stukken overgelegd. De meervoudige kamer heeft vervolgens met toestemming van partijen het onderzoek op 13 februari 2026 zonder nadere zitting gesloten. Feiten 2. Eiser is eigenaar en gebruiker van de woning aan [adres] (het perceel). Het perceel is niet direct of indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering. De WOZ-waarde van de woning is voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 445.000. 2.1. Tot het jaar 2023 werd door de gemeente Leeuwarden geen waterzorgheffing geheven, maar enkel rioolheffing. In de gemeente Leeuwarden werd bovendien alleen rioolheffing geheven in het geval het perceel direct of indirect was aangesloten op de gemeentelijke riolering. Omdat het perceel van eiser niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering, werden aan eiser ook geen aanslagen rioolheffing opgelegd. 2.2. Op 21 december 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden het Programma Water en Riolering 2023-2027 (PWR) vastgesteld. In het PWR is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: 6.2 Inkomsten Op 1 september 2021 heeft de VNG de Modelverordening Rioolheffing vervangen door de Modelverordening Rioolheffing en Waterzorgheffing om recht te doen aan de bredere invulling van de gemeentelijke watertaken. Wateroverlast en verdroging vragen immers steeds meer maatregelen in de publieke ruimte. Maatregelen waar iedereen profijt bij heeft. Daarom wordt in de nieuwe regeling zoveel mogelijk percelen in de heffing betrokken. Met de nieuwe modelverordening wordt het voor gemeenten gemakkelijker om aan te tonen dat iedereen mee mag/moet betalen. De naamgeving maakt immers als snel duidelijk dat het om méér dan riolering alleen gaat. Als gemeente vinden we dat de kosten voor de klimaatopgave door iedereen moet worden gedragen. We willen daarom de rioolheffing omvormen naar een bredere riool- en waterzorgheffing. De uitwerking hiervan volgt in 2023. Dit betekent ook dat we willen onderzoeken of percelen in het buitengebied kunnen worden belast met een deel van de rioolheffing, ook als ze geen rioolaansluiting hebben. Concreet zijn dit circa 1000 percelen. Hierbij kan gedacht worden aan een andere opbouw van de tarieven met een tarief voor het hebben en onderhouden van een rioolaansluiting en een apart tarief voor onze klimaatopgave. Bewoners zonder aansluiting op het openbare riool worden dan alleen voor het laatst genoemde onderdeel aangeslagen. Op dit punt worden een aantal scenario’s aan de raad voorgelegd, waarbij ook het niet belasten van deze percelen één van de uitgewerkte scenario’s is. Kanttekening hierbij is wel dat het heffen van het buitengebied het eerste jaar om meer communicatie vraagt en meer inzet aan personeel bij onze vakcollega’s van belastingen. Deze extra kosten zijn meegenomen in de kostendekkingsberekening. ” 2.3. Met datum 30 mei 2023 is namens het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden een informerende brief over de riool- en waterzorgheffing gestuurd aan de gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden (de informerende brief). In de informerende brief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “Huidige heffing Met de opbrengsten uit de rioolheffing worden niet alleen de kosten voor het onderhoud en beheer van de riolering bekostigd, maar ook de kosten voor de steeds bredere waterzorgtaken die wij als gemeente hebben. Naast de instandhouding en vervanging van riolering (zorgplicht afvalwater) betreft het daarmee ook de afvoer van het hemelwater en de regulering van de grondwaterstand. Tot nu toe worden alleen percelen aangeslagen voor de rioolheffing die een directe of indirecte rioolaansluiting hebben. Klimaatmaatregelen De klimaatverandering zorgt er voor dat er maatregelen moeten worden genomen in de publieke ruimte om schade en overlast te voorkomen. De gemeentelijke ambitie is om in 2035 klimaatadaptief te zijn. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is uitgewerkt hoe we aan deze ambitie invulling willen geven en hoe we werken volgens het landelijke DeltaPlan Ruimtelijke Adaptatie. De uit te voeren maatregelen zijn gericht op de realisatie van waterberging- en afvoer, het voorkomen van hittestress en het voorkomen van droogte. Aanpassing heffing Waar vroeger de rioolheffing enkel werd benut voor aanleg en onderhoud aan het riool, is de rioolheffing nu eveneens bedoeld voor de financiering van maatregelen voor klimaatadaptatie (specifiek gaat het dan om de bekostiging van projecten om wateroverlast te voorkomen), hemelwater en grondwater. De VNG heeft daarom haar modelverordening ook aangepast naar een Verordening riool- en waterzorgheffing. Bij de rioolheffing in de nieuwe opzet is sprake van twee verschillende heffingsdelen: een deel voor de rioolheffing en een deel voor de waterzorgheffing. Rioolheffing: - alle kosten voor het beheer en onderhoud van de riolering; - de uitvoering van de zorgtaken voor hemelwater en grondwater. Waterzorgheffing: - de maatregelen voor klimaataanpassing ten behoeve van de bereikbaarheid van publieke ruimten en om schade te voorkomen. Scenario’s Wij onderscheiden twee scenario’s, waarvan de financiële effecten onderstaand worden toegelicht: Scenario 1: Alleen alle percelen met een rioolaansluiting worden aangeslagen met een riool – én waterzorgtarief. Scenario 2: alleen percelen met een rioolaansluiting worden aangeslagen voor een riooltarief en alle bebouwde percelen met een WOZ-waarde worden aangeslagen voor een waterzorgtarief. Goed om te weten: - Landbouwpercelen worden niet aangeslagen; - Bebouwde percelen met een WOZ-waarde zónder rioolaansluiting worden niet aangeslagen voor het riooltarief. (…) Tarieven Effect tarieven In de onderstaande tabel zijn een aantal rekenvoorbeelden opgenomen van het bestaande tarief (2023), scenario 1 en scenario 2. In beide scenario’s is er sprake van een lichte verschuivingen tussen de verschillende categorieën. Rekenvoorbeeld: eigenaar (bij WOZ-waarde van € 250.000) + gebruiker aanslagen voor zowel riool- als het waterzorgtarief: Als voorbeeld: een eigenaar met een eenpersoonshuishouden betaalt bij het eerste scenario € 6,69 meer dan 2023 en onder het tweede scenario € 4,49 meer.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1670 text/xml public 2026-05-21T09:11:35 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-07 AWB_LEE_24-2121 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1670 text/html public 2026-05-21T09:10:51 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1670 Rechtbank Noord-Nederland , 07-05-2026 / AWB_LEE_24-2121 MK/Eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing/ aanslagen zijn in overeenstemming met de in de Verordening genoemde tarieven berekend/ samenloop van de waterzorgheffing met de rioolheffing/niet in strijd met een algemeen rechtsbeginsel/ gelijkheidsbeginsel niet geschonden/geen ISV/beroep ongegrond RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/2121 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden, de heffingsambtenaar, (gemachtigde: [naam 1] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 maart 2024. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2024 een eigenarenaanslag waterzorgheffing en een gebruikersaanslag waterzorgheffing opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiser zijn echtgenote [naam 2] en namens de heffingsambtenaar [naam 3] en [naam 4] . De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling het onderzoek gesloten. 1.6. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verwezen naar een meervoudige kamer. 1.7. Partijen hebben nadere stukken overgelegd. De meervoudige kamer heeft vervolgens met toestemming van partijen het onderzoek op 13 februari 2026 zonder nadere zitting gesloten. Feiten 2. Eiser is eigenaar en gebruiker van de woning aan [adres] (het perceel). Het perceel is niet direct of indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering. De WOZ-waarde van de woning is voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 445.000. 2.1. Tot het jaar 2023 werd door de gemeente Leeuwarden geen waterzorgheffing geheven, maar enkel rioolheffing. In de gemeente Leeuwarden werd bovendien alleen rioolheffing geheven in het geval het perceel direct of indirect was aangesloten op de gemeentelijke riolering. Omdat het perceel van eiser niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering, werden aan eiser ook geen aanslagen rioolheffing opgelegd. 2.2. Op 21 december 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden het Programma Water en Riolering 2023-2027 (PWR) vastgesteld. In het PWR is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: 6.2 Inkomsten Op 1 september 2021 heeft de VNG de Modelverordening Rioolheffing vervangen door de Modelverordening Rioolheffing en Waterzorgheffing om recht te doen aan de bredere invulling van de gemeentelijke watertaken. Wateroverlast en verdroging vragen immers steeds meer maatregelen in de publieke ruimte. Maatregelen waar iedereen profijt bij heeft. Daarom wordt in de nieuwe regeling zoveel mogelijk percelen in de heffing betrokken. Met de nieuwe modelverordening wordt het voor gemeenten gemakkelijker om aan te tonen dat iedereen mee mag/moet betalen. De naamgeving maakt immers als snel duidelijk dat het om méér dan riolering alleen gaat. Als gemeente vinden we dat de kosten voor de klimaatopgave door iedereen moet worden gedragen. We willen daarom de rioolheffing omvormen naar een bredere riool- en waterzorgheffing. De uitwerking hiervan volgt in 2023. Dit betekent ook dat we willen onderzoeken of percelen in het buitengebied kunnen worden belast met een deel van de rioolheffing, ook als ze geen rioolaansluiting hebben. Concreet zijn dit circa 1000 percelen. Hierbij kan gedacht worden aan een andere opbouw van de tarieven met een tarief voor het hebben en onderhouden van een rioolaansluiting en een apart tarief voor onze klimaatopgave. Bewoners zonder aansluiting op het openbare riool worden dan alleen voor het laatst genoemde onderdeel aangeslagen. Op dit punt worden een aantal scenario’s aan de raad voorgelegd, waarbij ook het niet belasten van deze percelen één van de uitgewerkte scenario’s is. Kanttekening hierbij is wel dat het heffen van het buitengebied het eerste jaar om meer communicatie vraagt en meer inzet aan personeel bij onze vakcollega’s van belastingen. Deze extra kosten zijn meegenomen in de kostendekkingsberekening. ” 2.3. Met datum 30 mei 2023 is namens het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden een informerende brief over de riool- en waterzorgheffing gestuurd aan de gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden (de informerende brief). In de informerende brief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “Huidige heffing Met de opbrengsten uit de rioolheffing worden niet alleen de kosten voor het onderhoud en beheer van de riolering bekostigd, maar ook de kosten voor de steeds bredere waterzorgtaken die wij als gemeente hebben. Naast de instandhouding en vervanging van riolering (zorgplicht afvalwater) betreft het daarmee ook de afvoer van het hemelwater en de regulering van de grondwaterstand. Tot nu toe worden alleen percelen aangeslagen voor de rioolheffing die een directe of indirecte rioolaansluiting hebben. Klimaatmaatregelen De klimaatverandering zorgt er voor dat er maatregelen moeten worden genomen in de publieke ruimte om schade en overlast te voorkomen. De gemeentelijke ambitie is om in 2035 klimaatadaptief te zijn. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is uitgewerkt hoe we aan deze ambitie invulling willen geven en hoe we werken volgens het landelijke DeltaPlan Ruimtelijke Adaptatie. De uit te voeren maatregelen zijn gericht op de realisatie van waterberging- en afvoer, het voorkomen van hittestress en het voorkomen van droogte. Aanpassing heffing Waar vroeger de rioolheffing enkel werd benut voor aanleg en onderhoud aan het riool, is de rioolheffing nu eveneens bedoeld voor de financiering van maatregelen voor klimaatadaptatie (specifiek gaat het dan om de bekostiging van projecten om wateroverlast te voorkomen), hemelwater en grondwater. De VNG heeft daarom haar modelverordening ook aangepast naar een Verordening riool- en waterzorgheffing. Bij de rioolheffing in de nieuwe opzet is sprake van twee verschillende heffingsdelen: een deel voor de rioolheffing en een deel voor de waterzorgheffing. Rioolheffing: - alle kosten voor het beheer en onderhoud van de riolering; - de uitvoering van de zorgtaken voor hemelwater en grondwater. Waterzorgheffing: - de maatregelen voor klimaataanpassing ten behoeve van de bereikbaarheid van publieke ruimten en om schade te voorkomen. Scenario’s Wij onderscheiden twee scenario’s, waarvan de financiële effecten onderstaand worden toegelicht: Scenario 1: Alleen alle percelen met een rioolaansluiting worden aangeslagen met een riool – én waterzorgtarief. Scenario 2: alleen percelen met een rioolaansluiting worden aangeslagen voor een riooltarief en alle bebouwde percelen met een WOZ-waarde worden aangeslagen voor een waterzorgtarief. Goed om te weten: - Landbouwpercelen worden niet aangeslagen; - Bebouwde percelen met een WOZ-waarde zónder rioolaansluiting worden niet aangeslagen voor het riooltarief. (…) Tarieven Effect tarieven In de onderstaande tabel zijn een aantal rekenvoorbeelden opgenomen van het bestaande tarief (2023), scenario 1 en scenario 2. In beide scenario’s is er sprake van een lichte verschuivingen tussen de verschillende categorieën. Rekenvoorbeeld: eigenaar (bij WOZ-waarde van € 250.000) + gebruiker aanslagen voor zowel riool- als het waterzorgtarief: Als voorbeeld: een eigenaar met een eenpersoonshuishouden betaalt bij het eerste scenario € 6,69 meer dan 2023 en onder het tweede scenario € 4,49 meer.
Volledig
Een bedrijf (niet-woning) met een waterverbruik van 2.500 m3 betaalt in het eerste scenario een bedrag van €123,17 minder dan in 2023 en onder het tweede scenario €125,17 minder. Rekenvoorbeeld: eigenaar + gebruiker enkel aangeslagen voor het waterzorgtarief: Voor eigenaren met een perceel zonder rioolaansluiting, zijn alleen de tarieven van de waterzorgheffing van toepassing. Hieronder zijn drie voorbeelden opgenomen, met een verschillende WOZ-waarde: Als voorbeeld: een bedrijf (niet-woning) met een WOZ-waarde van € 250.000 betaalt dus een bedrag van €50,58. Voorkeursscenario Het college is van mening dat de maatregelen als gevolg van de klimaatverandering van algemeen belang zijn en er bij dit onderdeel van de nieuwe rioolheffing geen relatie meer is te leggen met het al dan niet hebben van een aansluiting op het riool. Iedereen heeft profijt van een goed functionerende en klimaatbestendige openbare ruimte. Daarom is het redelijk en in lijn met het gelijkheidsbeginsel om alle percelen met een WOZ-waarde aan te slaan voor het waterzorgtarief. De financiële effecten van deze keuze zijn bovendien beperkt. Scenario 2 is daarmee ons voorkeursscenario. ” 2.4. In het raadsvoorstel met datum 19 september 2023 over de Verordening Riool- en Waterzorgheffing Leeuwarden 2024 (de Verordening), is onder meer het volgende opgenomen: “Financiën Bij de tariefberekening is het uitgangspunt om de tarieven de komende jaren ongeveer gelijk te houden aan de huidige tarieven (met uitzondering van indexering). Dit is mogelijk omdat de stijging in de kosten voor de waterzorg vrijwel geheel worden opgevangen door een daling van de kosten voor de riolering de komende jaren. Door de wijziging in de heffingsmethodiek zijn er kleine verschillen tussen de huidige tarieven en de nieuwe tarieven. Tarieven In de informatieve brief van 30 mei 2023 is inzicht gegeven in de opbouw van de tarieven 2023. Voor de opbouw van deze tarieven van de verschillende scenario’s verwijzen wij u naar de informerende brief. ” 2.5. In de openbare raadsvergadering van 20 december 2023 is de Verordening vastgesteld. Op basis van de Verordening wordt vanaf het jaar 2024 zowel een rioolheffing als een waterzorgheffing geheven. 2.6. Aan eiser is voor het belastingjaar 2024 een eigenarenaanslag waterzorgheffing opgelegd voor een bedrag van € 58,74. Daarnaast is aan eiser een gebruikersaanslag waterzorgheffing opgelegd voor een bedrag van € 12,39. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de eigenaren- en de gebruikersaanslag waterzorgheffing terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar waterzorgheffing mag heffen van een perceel dat eigen voorzieningen heeft voor de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het heffen van de waterzorgheffing van eiser als eigenaar en gebruiker van het perceel in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3.1. Als de beroepsgronden van eiser niet slagen, is tussen partijen niet in geschil dat aan het belastbare feit is voldaan en dat de aanslagen in overeenstemming met het in de Verordening genoemde tarief zijn berekend. 4. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de heffingsambtenaar aan eiser een eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing opleggen. De eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing zijn naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met een algemeen rechtsbeginsel . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Wat zijn de standpunten van partijen? 5. Eiser wijst erop dat hij alle voorzieningen voor de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater grotendeels zelf heeft gerealiseerd op zijn perceel. Het kan volgens eiser daarom niet zo zijn dat hij waterzorgheffing moet betalen, terwijl hij zelf sloten, een vijver, een waterput en een goot heeft gerealiseerd. Hier komt bij dat de gemeente in het buitengebied, waar het perceel gelegen is, geen waterzorgtaken heeft. Volgens eiser kan de gemeente daar dan ook weinig tot geen maatregelen nemen, omdat zij in het buitengebied weinig eigendommen heeft. Daarnaast voert eiser aan dat voor belastingplichtigen waarvan het perceel is aangesloten op de gemeentelijke riolering, de splitsing in een riool- en waterzorgheffing weinig verschil maakt. Zij betalen in totaal nog ongeveer hetzelfde bedrag, en bij een hoge WOZ-waarde neemt het totaalbedrag voor hen zelfs af. Dit terwijl diegenen die niet zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering, nu waterzorgheffing moeten betalen en dus ineens veel meer moeten gaan betalen. Volgens eiser wordt daarom niet iedereen gelijk behandeld en worden mensen met een rioolaansluiting bevoordeeld. 5.1. De heffingsambtenaar heeft naar voren gebracht dat de waterzorgheffing is ingevoerd, omdat alle ingezetenen voordeel of genot hebben van de maatregelen die de gemeente neemt om wateroverlast in de openbare ruimte door overtollig regenwater te voorkomen en het grondwater te beheren. Iedereen draagt hier dan ook vanaf 2024 aan bij door middel van de waterzorgheffing, ongeacht zijn eigen bijdrage aan het hemel- en grondwater. Ook als de maatregelen niet in de nabije omgeving van het perceel (kunnen) worden getroffen, is er altijd een belang bij maatregelen die (elders) in de gemeente worden getroffen. De aanslag is gelet hierop terecht opgelegd. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar naar voren gebracht dat uit het raadsvoorstel tot invoering van de waterzorgheffing volgt dat de voor- en tegenargumenten zijn afgewogen. Ook uit het aantal behandelde amendementen die tijdens de raadsvergadering van 20 december 2023 aan de orde zijn geweest, blijkt dat het een en ander wel zorgvuldig is afgewogen. In rechterlijke uitspraken is het hanteren van de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf algemeen geaccepteerd. Van een schending van het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. 5.2. Eiser heeft (onder meer) gronden aangevoerd tegen de introductie van de waterzorgheffing in 2024. De rechtbank heeft de rechtsgronden van eiser aangevuld en heeft de stellingen van eiser opgevat als een beroep op (schending van) de algemene rechtsbeginselen. Daarom heeft de rechtbank exceptief getoetst of de introductie van de waterzorgheffing en de daaruit voortvloeiende belastingplicht voor eigenaren van een perceel zonder een (in)directe aansluiting op de gemeentelijke riolering in strijd is met het evenredigheids- en/of gelijkheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen. Vooraf 6. Op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de heffingsambtenaar verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter in te zenden. Als de heffingsambtenaar een stuk dat via het internet algemeen toegankelijk is in het geding wil brengen, kan hij in beginsel volstaan met een aanduiding van de website waarop of via welke website dat stuk te vinden is. De aanduiding moet zodanig nauwkeurig zijn dat het stuk aan de hand daarvan zonder noemenswaardige inspanning kan worden gevonden en geraadpleegd. 6.1. De heffingsambtenaar heeft pas na de zitting en na expliciet verzoek van de rechter ter zitting, (onder meer) het raadsvoorstel overgelegd en met een link verwezen naar de vindplaats van het PWR. De heffingsambtenaar heeft de informerende brief (2.3.) niet overgelegd en ook niet door middel van een link de vindplaats aangegeven. Omdat in het raadsvoorstel expliciet wordt gerefereerd aan de informerende brief en dit een stuk is dat via het internet algemeen toegankelijk is, heeft de rechtbank kennis genomen van deze brief en deze betrokken in haar overwegingen. Hierbij weegt mee dat (het bestaan van) de informerende brief ook door de rechter ter zitting is besproken. De rechtbank overweegt wel dat de heffingsambtenaar, met deze manier van handelen, de uiterste grens van artikel 8:42 van de Awb heeft bereikt. Wat is het wettelijk kader? 7. In artikel 228a van de Gemeentewet is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “ 1.
Volledig
Een bedrijf (niet-woning) met een waterverbruik van 2.500 m3 betaalt in het eerste scenario een bedrag van €123,17 minder dan in 2023 en onder het tweede scenario €125,17 minder. Rekenvoorbeeld: eigenaar + gebruiker enkel aangeslagen voor het waterzorgtarief: Voor eigenaren met een perceel zonder rioolaansluiting, zijn alleen de tarieven van de waterzorgheffing van toepassing. Hieronder zijn drie voorbeelden opgenomen, met een verschillende WOZ-waarde: Als voorbeeld: een bedrijf (niet-woning) met een WOZ-waarde van € 250.000 betaalt dus een bedrag van €50,58. Voorkeursscenario Het college is van mening dat de maatregelen als gevolg van de klimaatverandering van algemeen belang zijn en er bij dit onderdeel van de nieuwe rioolheffing geen relatie meer is te leggen met het al dan niet hebben van een aansluiting op het riool. Iedereen heeft profijt van een goed functionerende en klimaatbestendige openbare ruimte. Daarom is het redelijk en in lijn met het gelijkheidsbeginsel om alle percelen met een WOZ-waarde aan te slaan voor het waterzorgtarief. De financiële effecten van deze keuze zijn bovendien beperkt. Scenario 2 is daarmee ons voorkeursscenario. ” 2.4. In het raadsvoorstel met datum 19 september 2023 over de Verordening Riool- en Waterzorgheffing Leeuwarden 2024 (de Verordening), is onder meer het volgende opgenomen: “Financiën Bij de tariefberekening is het uitgangspunt om de tarieven de komende jaren ongeveer gelijk te houden aan de huidige tarieven (met uitzondering van indexering). Dit is mogelijk omdat de stijging in de kosten voor de waterzorg vrijwel geheel worden opgevangen door een daling van de kosten voor de riolering de komende jaren. Door de wijziging in de heffingsmethodiek zijn er kleine verschillen tussen de huidige tarieven en de nieuwe tarieven. Tarieven In de informatieve brief van 30 mei 2023 is inzicht gegeven in de opbouw van de tarieven 2023. Voor de opbouw van deze tarieven van de verschillende scenario’s verwijzen wij u naar de informerende brief. ” 2.5. In de openbare raadsvergadering van 20 december 2023 is de Verordening vastgesteld. Op basis van de Verordening wordt vanaf het jaar 2024 zowel een rioolheffing als een waterzorgheffing geheven. 2.6. Aan eiser is voor het belastingjaar 2024 een eigenarenaanslag waterzorgheffing opgelegd voor een bedrag van € 58,74. Daarnaast is aan eiser een gebruikersaanslag waterzorgheffing opgelegd voor een bedrag van € 12,39. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de eigenaren- en de gebruikersaanslag waterzorgheffing terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar waterzorgheffing mag heffen van een perceel dat eigen voorzieningen heeft voor de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het heffen van de waterzorgheffing van eiser als eigenaar en gebruiker van het perceel in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3.1. Als de beroepsgronden van eiser niet slagen, is tussen partijen niet in geschil dat aan het belastbare feit is voldaan en dat de aanslagen in overeenstemming met het in de Verordening genoemde tarief zijn berekend. 4. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de heffingsambtenaar aan eiser een eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing opleggen. De eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing zijn naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met een algemeen rechtsbeginsel . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Wat zijn de standpunten van partijen? 5. Eiser wijst erop dat hij alle voorzieningen voor de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater grotendeels zelf heeft gerealiseerd op zijn perceel. Het kan volgens eiser daarom niet zo zijn dat hij waterzorgheffing moet betalen, terwijl hij zelf sloten, een vijver, een waterput en een goot heeft gerealiseerd. Hier komt bij dat de gemeente in het buitengebied, waar het perceel gelegen is, geen waterzorgtaken heeft. Volgens eiser kan de gemeente daar dan ook weinig tot geen maatregelen nemen, omdat zij in het buitengebied weinig eigendommen heeft. Daarnaast voert eiser aan dat voor belastingplichtigen waarvan het perceel is aangesloten op de gemeentelijke riolering, de splitsing in een riool- en waterzorgheffing weinig verschil maakt. Zij betalen in totaal nog ongeveer hetzelfde bedrag, en bij een hoge WOZ-waarde neemt het totaalbedrag voor hen zelfs af. Dit terwijl diegenen die niet zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering, nu waterzorgheffing moeten betalen en dus ineens veel meer moeten gaan betalen. Volgens eiser wordt daarom niet iedereen gelijk behandeld en worden mensen met een rioolaansluiting bevoordeeld. 5.1. De heffingsambtenaar heeft naar voren gebracht dat de waterzorgheffing is ingevoerd, omdat alle ingezetenen voordeel of genot hebben van de maatregelen die de gemeente neemt om wateroverlast in de openbare ruimte door overtollig regenwater te voorkomen en het grondwater te beheren. Iedereen draagt hier dan ook vanaf 2024 aan bij door middel van de waterzorgheffing, ongeacht zijn eigen bijdrage aan het hemel- en grondwater. Ook als de maatregelen niet in de nabije omgeving van het perceel (kunnen) worden getroffen, is er altijd een belang bij maatregelen die (elders) in de gemeente worden getroffen. De aanslag is gelet hierop terecht opgelegd. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar naar voren gebracht dat uit het raadsvoorstel tot invoering van de waterzorgheffing volgt dat de voor- en tegenargumenten zijn afgewogen. Ook uit het aantal behandelde amendementen die tijdens de raadsvergadering van 20 december 2023 aan de orde zijn geweest, blijkt dat het een en ander wel zorgvuldig is afgewogen. In rechterlijke uitspraken is het hanteren van de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf algemeen geaccepteerd. Van een schending van het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. 5.2. Eiser heeft (onder meer) gronden aangevoerd tegen de introductie van de waterzorgheffing in 2024. De rechtbank heeft de rechtsgronden van eiser aangevuld en heeft de stellingen van eiser opgevat als een beroep op (schending van) de algemene rechtsbeginselen. Daarom heeft de rechtbank exceptief getoetst of de introductie van de waterzorgheffing en de daaruit voortvloeiende belastingplicht voor eigenaren van een perceel zonder een (in)directe aansluiting op de gemeentelijke riolering in strijd is met het evenredigheids- en/of gelijkheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen. Vooraf 6. Op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de heffingsambtenaar verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter in te zenden. Als de heffingsambtenaar een stuk dat via het internet algemeen toegankelijk is in het geding wil brengen, kan hij in beginsel volstaan met een aanduiding van de website waarop of via welke website dat stuk te vinden is. De aanduiding moet zodanig nauwkeurig zijn dat het stuk aan de hand daarvan zonder noemenswaardige inspanning kan worden gevonden en geraadpleegd. 6.1. De heffingsambtenaar heeft pas na de zitting en na expliciet verzoek van de rechter ter zitting, (onder meer) het raadsvoorstel overgelegd en met een link verwezen naar de vindplaats van het PWR. De heffingsambtenaar heeft de informerende brief (2.3.) niet overgelegd en ook niet door middel van een link de vindplaats aangegeven. Omdat in het raadsvoorstel expliciet wordt gerefereerd aan de informerende brief en dit een stuk is dat via het internet algemeen toegankelijk is, heeft de rechtbank kennis genomen van deze brief en deze betrokken in haar overwegingen. Hierbij weegt mee dat (het bestaan van) de informerende brief ook door de rechter ter zitting is besproken. De rechtbank overweegt wel dat de heffingsambtenaar, met deze manier van handelen, de uiterste grens van artikel 8:42 van de Awb heeft bereikt. Wat is het wettelijk kader? 7. In artikel 228a van de Gemeentewet is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “ 1.
Volledig
Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. 2. Ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen twee afzonderlijke belastingen worden geheven. ” 7.1. In de Verordening is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “ Artikel 2 Aard van de belasting Onder de na(a)m(en) ‘riool- en waterzorgheffing’ wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht (…) 2. De ‘waterzorgheffing’ wordt geheven van degene die: bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat een gebouwd object betreft als bedoeld in de Wet WOZ, niet zijnde een uitgezonderd object als bedoeld in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, verder te noemen eigenarendeel (van de waterzorgheffing), en; gebruik maakt van een perceel dat een gebouwd object betreft als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken, niet zijnde een uitgezonderd object als bedoeld in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, verder te noemen: gebruikersdeel (van de waterzorgheffing).” Mag de heffingsambtenaar aan eiser een eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing opleggen? 8. De rechtbank overweegt dat een gemeente op grond van artikel 228a van de Gemeentewet (zie 7.) een belasting kan heffen voor onder meer de inzameling van afvloeiend hemelwater, de verwerking van het ingezamelde hemelwater en voor het treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken (hemelwaterafvoer en grondwaterbeheer). Uit artikel 2, onderdeel b van de Verordening blijkt dat verweerder de waterzorgheffing met dit doel heft (zie 7.1.). 8.1. De rechtbank overweegt dat artikel 228a van de Gemeentewet geen voorschriften bevat over de belastingplicht, het belastbare feit, de heffingsmaatstaven, de tarieven en wat overigens voor de heffing en de invordering van de waterzorgheffing van belang is. De gemeenteraad is dus vrij om aan deze elementen van de waterzorgheffing in de belastingverordening de invulling te geven die hij wenst. Het bedrag van de gemeentelijke belasting mag alleen niet afhankelijk worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Ook mag de verdere invulling door de gemeenteraad niet leiden tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever in formele zin bij de toekenning van de bevoegdheid om waterzorgheffing te heffen, niet op het oog kan hebben gehad. 8.2. De gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden heeft ervoor gekozen om de waterzorgheffing te heffen van degene die gebruik maakt van een perceel (gebruikers) en van degene die het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (eigenaren) van een perceel dat een gebouwd object betreft als bedoeld in de Wet WOZ (bebouwd perceel). De gemeente betrekt daarmee alle gebruikers en eigenaren van bebouwde percelen in de heffing. De gemeenteraad heeft er dus niet voor gekozen om de kring van belastingplichtigen te beperken tot de gebruikers en eigenaren van percelen ter zake waarvan de gemeente directe werkzaamheden met betrekking tot hemelwaterafvoer en grondwaterbeheer uitvoert. 8.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de gemeenteraad niet verplicht om de belastingplicht voor de waterzorgheffing te beperken tot de groep belastingplichtigen die rechtstreeks, op het perceel dat zij in eigendom hebben of gebruiken, baat heeft bij de opbrengsten van de waterzorgheffing. Met de waterzorgheffing kan de gemeente namelijk ook de kosten verhalen van de collectieve maatregelen wat betreft de beheersing van hemelwater en grondwater. De gemeente mag dus bij elke eigenaar en gebruiker belastinggeld ophalen, als dat geld maar besteed wordt aan watertaken op het grondgebied van de gemeente. Daarbij maakt het niet uit dat bepaalde percelen geen (direct) belang hebben bij de door de gemeente getroffen voorzieningen op het gebied van hemelwater en grondwater. De waterzorgheffing is in dat opzicht een echte belasting waarmee het algemene belang van de inwoners van de gemeente wordt gediend: het principe ‘voor wat, hoort wat’ geldt daar niet voor. 8.4. De rechtbank concludeert dat het aanmerken van de eigenaar en gebruiker van een bebouwd perceel als belastingplichtige voor de waterzorgheffing door de gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden is toegestaan, gelet op het karakter van de waterzorgheffing en de grote vrijheid die artikel 228a van de Gemeentewet de gemeente biedt. Zijn de eigenaren- en de gebruikersaanslag waterzorgheffing in strijd met een algemeen rechtsbeginsel? Is er sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel? 9. De rechtbank stelt het volgende voorop. De gemeente Leeuwarden heft vanaf het jaar 2024 een rioolheffing én een waterzorgheffing (2.5.). Uit artikel 228a, tweede lid van de Gemeentewet (7.) volgt dat dit twee afzonderlijke heffingen zijn. De rechtbank kan bij de vraag of de eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing in strijd zijn met een algemeen rechtsbeginsel, daarom alleen kijken naar de waterzorgheffing zelf. Wat de gevolgen zijn van de samenloop tussen de rioolheffing en de waterzorgheffing, kan de rechtbank niet bij haar beoordeling betrekken. 9.1. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de Verordening een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als wetgeving in formele zin. De rechter kan en mag daarom toetsen of een bepaling uit die verordening in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel, zoals het evenredigheidsbeginsel. Als een beroep wordt gedaan op het evenredigheidsbeginsel, moet de rechter in de eerste plaats onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. 9.2. De rechtbank overweegt dat uit het PWR (2.2.) en de informerende brief (2.3.) volgt dat bij de introductie van de waterzorgheffing, de belangen van gebruikers en eigenaren van percelen die niet zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering (zoals eiser) zijn meegewogen. In het PWR is namelijk expliciet opgenomen dat onderzocht moet worden of ook percelen in het buitengebied kunnen worden belast met een deel van de rioolheffing, ook als ze geen directe of indirect aansluiting hebben op de gemeentelijke riolering hebben. Als mogelijk scenario wordt geschetst dat de rioolheffing een andere opbouw van de tarieven kan krijgen met een apart tarief voor de klimaatopgaven (het waterzorgtarief), waarbij de percelen zonder directe of indirect aansluiting op de gemeentelijke riolering alleen worden aangeslagen voor het nog te creëren aparte tarief voor deze klimaatopgave. Hierbij wordt de kanttekening geplaatst dat het heffen van het buitengebied in het eerste jaar wel om meer communicatie vraagt. In de informerende brief zijn verschillende scenario’s uitgewerkt. In de informerende brief is aandacht besteed aan het scenario dat waterzorgheffing geheven gaat worden van percelen zonder rioolaansluiting en de vraag welke financiële gevolgen dit gaat hebben voor de eigenaren en gebruikers van deze percelen.
Volledig
Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. 2. Ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen twee afzonderlijke belastingen worden geheven. ” 7.1. In de Verordening is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “ Artikel 2 Aard van de belasting Onder de na(a)m(en) ‘riool- en waterzorgheffing’ wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht (…) 2. De ‘waterzorgheffing’ wordt geheven van degene die: bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat een gebouwd object betreft als bedoeld in de Wet WOZ, niet zijnde een uitgezonderd object als bedoeld in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, verder te noemen eigenarendeel (van de waterzorgheffing), en; gebruik maakt van een perceel dat een gebouwd object betreft als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken, niet zijnde een uitgezonderd object als bedoeld in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, verder te noemen: gebruikersdeel (van de waterzorgheffing).” Mag de heffingsambtenaar aan eiser een eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing opleggen? 8. De rechtbank overweegt dat een gemeente op grond van artikel 228a van de Gemeentewet (zie 7.) een belasting kan heffen voor onder meer de inzameling van afvloeiend hemelwater, de verwerking van het ingezamelde hemelwater en voor het treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken (hemelwaterafvoer en grondwaterbeheer). Uit artikel 2, onderdeel b van de Verordening blijkt dat verweerder de waterzorgheffing met dit doel heft (zie 7.1.). 8.1. De rechtbank overweegt dat artikel 228a van de Gemeentewet geen voorschriften bevat over de belastingplicht, het belastbare feit, de heffingsmaatstaven, de tarieven en wat overigens voor de heffing en de invordering van de waterzorgheffing van belang is. De gemeenteraad is dus vrij om aan deze elementen van de waterzorgheffing in de belastingverordening de invulling te geven die hij wenst. Het bedrag van de gemeentelijke belasting mag alleen niet afhankelijk worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Ook mag de verdere invulling door de gemeenteraad niet leiden tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever in formele zin bij de toekenning van de bevoegdheid om waterzorgheffing te heffen, niet op het oog kan hebben gehad. 8.2. De gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden heeft ervoor gekozen om de waterzorgheffing te heffen van degene die gebruik maakt van een perceel (gebruikers) en van degene die het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (eigenaren) van een perceel dat een gebouwd object betreft als bedoeld in de Wet WOZ (bebouwd perceel). De gemeente betrekt daarmee alle gebruikers en eigenaren van bebouwde percelen in de heffing. De gemeenteraad heeft er dus niet voor gekozen om de kring van belastingplichtigen te beperken tot de gebruikers en eigenaren van percelen ter zake waarvan de gemeente directe werkzaamheden met betrekking tot hemelwaterafvoer en grondwaterbeheer uitvoert. 8.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de gemeenteraad niet verplicht om de belastingplicht voor de waterzorgheffing te beperken tot de groep belastingplichtigen die rechtstreeks, op het perceel dat zij in eigendom hebben of gebruiken, baat heeft bij de opbrengsten van de waterzorgheffing. Met de waterzorgheffing kan de gemeente namelijk ook de kosten verhalen van de collectieve maatregelen wat betreft de beheersing van hemelwater en grondwater. De gemeente mag dus bij elke eigenaar en gebruiker belastinggeld ophalen, als dat geld maar besteed wordt aan watertaken op het grondgebied van de gemeente. Daarbij maakt het niet uit dat bepaalde percelen geen (direct) belang hebben bij de door de gemeente getroffen voorzieningen op het gebied van hemelwater en grondwater. De waterzorgheffing is in dat opzicht een echte belasting waarmee het algemene belang van de inwoners van de gemeente wordt gediend: het principe ‘voor wat, hoort wat’ geldt daar niet voor. 8.4. De rechtbank concludeert dat het aanmerken van de eigenaar en gebruiker van een bebouwd perceel als belastingplichtige voor de waterzorgheffing door de gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden is toegestaan, gelet op het karakter van de waterzorgheffing en de grote vrijheid die artikel 228a van de Gemeentewet de gemeente biedt. Zijn de eigenaren- en de gebruikersaanslag waterzorgheffing in strijd met een algemeen rechtsbeginsel? Is er sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel? 9. De rechtbank stelt het volgende voorop. De gemeente Leeuwarden heft vanaf het jaar 2024 een rioolheffing én een waterzorgheffing (2.5.). Uit artikel 228a, tweede lid van de Gemeentewet (7.) volgt dat dit twee afzonderlijke heffingen zijn. De rechtbank kan bij de vraag of de eigenaren- en gebruikersaanslag waterzorgheffing in strijd zijn met een algemeen rechtsbeginsel, daarom alleen kijken naar de waterzorgheffing zelf. Wat de gevolgen zijn van de samenloop tussen de rioolheffing en de waterzorgheffing, kan de rechtbank niet bij haar beoordeling betrekken. 9.1. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de Verordening een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als wetgeving in formele zin. De rechter kan en mag daarom toetsen of een bepaling uit die verordening in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel, zoals het evenredigheidsbeginsel. Als een beroep wordt gedaan op het evenredigheidsbeginsel, moet de rechter in de eerste plaats onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. 9.2. De rechtbank overweegt dat uit het PWR (2.2.) en de informerende brief (2.3.) volgt dat bij de introductie van de waterzorgheffing, de belangen van gebruikers en eigenaren van percelen die niet zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering (zoals eiser) zijn meegewogen. In het PWR is namelijk expliciet opgenomen dat onderzocht moet worden of ook percelen in het buitengebied kunnen worden belast met een deel van de rioolheffing, ook als ze geen directe of indirect aansluiting hebben op de gemeentelijke riolering hebben. Als mogelijk scenario wordt geschetst dat de rioolheffing een andere opbouw van de tarieven kan krijgen met een apart tarief voor de klimaatopgaven (het waterzorgtarief), waarbij de percelen zonder directe of indirect aansluiting op de gemeentelijke riolering alleen worden aangeslagen voor het nog te creëren aparte tarief voor deze klimaatopgave. Hierbij wordt de kanttekening geplaatst dat het heffen van het buitengebied in het eerste jaar wel om meer communicatie vraagt. In de informerende brief zijn verschillende scenario’s uitgewerkt. In de informerende brief is aandacht besteed aan het scenario dat waterzorgheffing geheven gaat worden van percelen zonder rioolaansluiting en de vraag welke financiële gevolgen dit gaat hebben voor de eigenaren en gebruikers van deze percelen.
Volledig
Na de uitwerking van de financiële effecten van de scenario’s (“beperkt”), geeft het college van burgermeester en wethouders aan voorkeur te hebben voor het scenario waarin waterzorgheffing van alle percelen met een WOZ-waarde wordt geheven (2.3.). De informerende brief was onderdeel van het raadsvoorstel op basis waarvan de raad in de vergadering van 20 december 2023 de Verordening heeft vastgesteld (2.5.). Uit het voorgaande volgt dat bij de invoering van de waterzorgheffing de belangen van gebruikers en eigenaren van percelen die niet (in)direct zijn aangesloten op het gemeentelijke riool, zijn meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank is de invoering van de waterzorgheffing zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. 9.3. De rechter moet dan vervolgens toetsen of de lastenverzwaring evenredig is. Hierbij geldt als criterium dat de nadelige gevolgen van een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende lastenverzwaring worden gediend. Daarbij kan de rechter de geschiktheid, de noodzaak en evenwichtigheid van de regel beoordelen. Bij de inhoudelijke toetsing van regelgeving aan het evenredigheidsbeginsel, moet de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt terughoudend worden beoordeeld. 9.4. De rechtbank is van oordeel dat de invoering van de waterzorgheffing en de daaruit volgende lastenverzwaring niet in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank komt als volgt tot deze conclusie. 9.5. Uit het PWR (2.2.) en de informerende brief (2.3.) leidt de rechtbank af dat het doel van de introductie van de waterzorgheffing is om de gevolgen van klimaatverandering over alle bebouwde percelen te verdelen. Zo wordt in het PWR opgemerkt dat wateroverlast en verdroging om steeds meer maatregelen in de publieke ruimte vragen. Dit zijn maatregelen waarvan iedereen profijt heeft en de kosten voor de klimaatopgave moeten daarom door iedereen worden gedragen. Gelet hierop moeten zoveel mogelijk percelen in de heffing worden betrokken (2.2.). Ook in het voorkeursscenario dat is opgenomen in de informerende brief overweegt het college van burgemeester en wethouders dat de maatregelen als gevolg van de klimaatverandering van algemeen belang zijn en dat iedereen profijt heeft van een goede functionerende en klimaatbestendige openbare ruimte. Bij dit onderdeel van de nieuwe rioolheffing is volgens het college dan ook geen relatie meer te leggen met het al dan niet hebben van een (in)directe aansluiting op de gemeentelijk riolering (2.3.). 9.6. De rechtbank overweegt dat de waterzorgheffing geschikt is om het doel van de heffing (9.5.) te bereiken. De introductie van de waterzorgheffing zorgt ervoor dat nu alle eigenaren en gebruikers van bebouwde percelen de kosten dragen die samenhangen met de maatregelen voor klimaataanpassing om publieke ruimten bereikbaar te houden en om schade te voorkomen (zie ook hierna onder 9.8.). 9.7. Daarnaast volgt uit het PWR (2.2.) en de informerende brief (2.3.) dat de introductie van de waterzorgheffing noodzakelijk was om het doel (9.5.) te bereiken. De waterzorgheffing maakt het namelijk mogelijk om alle (bebouwde) percelen in de heffing te betrekken. Bij het belastbare feit van de waterzorgheffing is (anders dan bij de rioolheffing) geen relatie meer met het al dan niet hebben van een aansluiting op de gemeentelijke riolering. 9.8. De rechtbank overweegt dat door de introductie van de waterzorgheffing kosten evenwichtiger worden verdeeld. Met de waterzorgheffing worden kosten gedekt die de gemeente maakt voor collectieve wettelijke taken op het gebied van hemelwaterafvoer en grondwaterbeheer. Daarnaast dekt het kosten die verband houden met maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit zijn taken die, op het niveau van de gemeente als geheel, ten goede komen aan iedereen die in de gemeente woont, werkt of naar school gaat. De rechtbank maakt uit het PWR (2.2.) op dat het hier niet alleen gaat om het oplossen van problemen, maar ook om preventief handelen. Alle inwoners hebben daar baat bij, omdat bijvoorbeeld straten en pleinen door die taken niet blank komen te staan. Hoewel de gemeente misschien niet direct maatregelen neemt in de nabije omgeving van het perceel van eiser (zoals hij stelt), maakt dit niet dat eiser geen belang heeft bij deze maatregelen. Als je een bebouwd perceel gebruikt of hebt in de gemeente, dan heb je er ook belang bij dat de gemeente alles goed voor elkaar heeft. De introductie van de waterzorgheffing zorgt ervoor dat de kosten worden verdeeld over iedereen die hiervan profijt heeft, terwijl tot 2023 alle kosten van de hiervoor genoemde maatregelen alleen werden gedragen door eigenaren en gebruikers van percelen met een rioolaansluiting. Bovendien kan niet op voorhand worden gezegd dat een heffing van € 12,39 voor het gebruikersdeel en € 58,74 voor het eigenarendeel (2.6.) excessief is. 9.9. Voor zover eiser in dit kader naar de samenloop van de waterzorgheffing met de rioolheffing heeft verwezen, maakt dit het oordeel van de rechtbank niet anders. Zoals de rechtbank in 9. heeft overwogen moet de rechtbank de waterzorgheffing op zichzelf toetsen. Hoe een eventuele samenloop met de rioolheffing uitwerkt, kan de rechtbank daarom niet in haar oordeel betrekken. Bovendien is de keuze om of alleen een rioolheffing, of een rioolheffing en een waterzorgheffing, te heffen een politieke keuze die aan de gemeentelijke wetgever wordt overgelaten (7.). Het is niet aan de rechter om in deze (politieke) keuze van de gemeenteraad te treden. 9.10. Met inachtneming van de terughoudende toetsing (9.3.), kan gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden (9.6. tot en met 9.9.) niet worden gezegd dat de nadelige gevolgen van de invoering van de waterzorgheffing voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Is er sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel? 10. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat ongelijke gevallen niet gelijk worden behandeld. Als dit niet het geval is, moet voor de ongelijke behandeling van gelijke gevallen of gelijke behandeling van ongelijke gevallen, een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestaan. De gemeentelijke wetgever heeft op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid. Het oordeel van de gemeentelijke wetgever moet in principe worden gerespecteerd, tenzij daar geen redelijke grond voor is aan te wijzen. 10.1. De rechtbank oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. De introductie van de waterzorgheffing is voor alle belastingplichtigen gelijk. Er is geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld of van ongelijke gevallen die gelijk worden behandeld. Voor zover eiser in dit kader heeft verwezen naar de samenloop met de rioolheffing, verwijst de rechtbank naar dat wat zij in 9. en 9.9. hierover heeft overwogen. Heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding? 11. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 27 februari 2024. Gelet op de uitspraakdatum is de redelijke termijn van twee jaar met afgerond twee maanden overschreden. Eiser heeft niet verzocht om vergoeding van een immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ter zitting heeft de rechtbank aangekondigd binnen zes weken schriftelijk uitspraak te doen. Dit onderzoek is vervolgens op 5 december 2025 heropend en het onderzoek is vervolgens hervat. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om nogmaals hun schriftelijke standpunten nader toe te lichten. Hier heeft eiser gebruik van gemaakt bij brief van 22 december 2025. In dit stuk heeft eiser niet gevraagd om een vergoeding van immateriële schade in verband met de termijnoverschrijding. Ook wordt dit verzoek niet gedaan in het schrijven van 4 februari 2026, waarmee eiser instemt met het sluiten van het onderzoek zonder nadere zitting.
Volledig
Na de uitwerking van de financiële effecten van de scenario’s (“beperkt”), geeft het college van burgermeester en wethouders aan voorkeur te hebben voor het scenario waarin waterzorgheffing van alle percelen met een WOZ-waarde wordt geheven (2.3.). De informerende brief was onderdeel van het raadsvoorstel op basis waarvan de raad in de vergadering van 20 december 2023 de Verordening heeft vastgesteld (2.5.). Uit het voorgaande volgt dat bij de invoering van de waterzorgheffing de belangen van gebruikers en eigenaren van percelen die niet (in)direct zijn aangesloten op het gemeentelijke riool, zijn meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank is de invoering van de waterzorgheffing zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. 9.3. De rechter moet dan vervolgens toetsen of de lastenverzwaring evenredig is. Hierbij geldt als criterium dat de nadelige gevolgen van een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende lastenverzwaring worden gediend. Daarbij kan de rechter de geschiktheid, de noodzaak en evenwichtigheid van de regel beoordelen. Bij de inhoudelijke toetsing van regelgeving aan het evenredigheidsbeginsel, moet de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt terughoudend worden beoordeeld. 9.4. De rechtbank is van oordeel dat de invoering van de waterzorgheffing en de daaruit volgende lastenverzwaring niet in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank komt als volgt tot deze conclusie. 9.5. Uit het PWR (2.2.) en de informerende brief (2.3.) leidt de rechtbank af dat het doel van de introductie van de waterzorgheffing is om de gevolgen van klimaatverandering over alle bebouwde percelen te verdelen. Zo wordt in het PWR opgemerkt dat wateroverlast en verdroging om steeds meer maatregelen in de publieke ruimte vragen. Dit zijn maatregelen waarvan iedereen profijt heeft en de kosten voor de klimaatopgave moeten daarom door iedereen worden gedragen. Gelet hierop moeten zoveel mogelijk percelen in de heffing worden betrokken (2.2.). Ook in het voorkeursscenario dat is opgenomen in de informerende brief overweegt het college van burgemeester en wethouders dat de maatregelen als gevolg van de klimaatverandering van algemeen belang zijn en dat iedereen profijt heeft van een goede functionerende en klimaatbestendige openbare ruimte. Bij dit onderdeel van de nieuwe rioolheffing is volgens het college dan ook geen relatie meer te leggen met het al dan niet hebben van een (in)directe aansluiting op de gemeentelijk riolering (2.3.). 9.6. De rechtbank overweegt dat de waterzorgheffing geschikt is om het doel van de heffing (9.5.) te bereiken. De introductie van de waterzorgheffing zorgt ervoor dat nu alle eigenaren en gebruikers van bebouwde percelen de kosten dragen die samenhangen met de maatregelen voor klimaataanpassing om publieke ruimten bereikbaar te houden en om schade te voorkomen (zie ook hierna onder 9.8.). 9.7. Daarnaast volgt uit het PWR (2.2.) en de informerende brief (2.3.) dat de introductie van de waterzorgheffing noodzakelijk was om het doel (9.5.) te bereiken. De waterzorgheffing maakt het namelijk mogelijk om alle (bebouwde) percelen in de heffing te betrekken. Bij het belastbare feit van de waterzorgheffing is (anders dan bij de rioolheffing) geen relatie meer met het al dan niet hebben van een aansluiting op de gemeentelijke riolering. 9.8. De rechtbank overweegt dat door de introductie van de waterzorgheffing kosten evenwichtiger worden verdeeld. Met de waterzorgheffing worden kosten gedekt die de gemeente maakt voor collectieve wettelijke taken op het gebied van hemelwaterafvoer en grondwaterbeheer. Daarnaast dekt het kosten die verband houden met maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit zijn taken die, op het niveau van de gemeente als geheel, ten goede komen aan iedereen die in de gemeente woont, werkt of naar school gaat. De rechtbank maakt uit het PWR (2.2.) op dat het hier niet alleen gaat om het oplossen van problemen, maar ook om preventief handelen. Alle inwoners hebben daar baat bij, omdat bijvoorbeeld straten en pleinen door die taken niet blank komen te staan. Hoewel de gemeente misschien niet direct maatregelen neemt in de nabije omgeving van het perceel van eiser (zoals hij stelt), maakt dit niet dat eiser geen belang heeft bij deze maatregelen. Als je een bebouwd perceel gebruikt of hebt in de gemeente, dan heb je er ook belang bij dat de gemeente alles goed voor elkaar heeft. De introductie van de waterzorgheffing zorgt ervoor dat de kosten worden verdeeld over iedereen die hiervan profijt heeft, terwijl tot 2023 alle kosten van de hiervoor genoemde maatregelen alleen werden gedragen door eigenaren en gebruikers van percelen met een rioolaansluiting. Bovendien kan niet op voorhand worden gezegd dat een heffing van € 12,39 voor het gebruikersdeel en € 58,74 voor het eigenarendeel (2.6.) excessief is. 9.9. Voor zover eiser in dit kader naar de samenloop van de waterzorgheffing met de rioolheffing heeft verwezen, maakt dit het oordeel van de rechtbank niet anders. Zoals de rechtbank in 9. heeft overwogen moet de rechtbank de waterzorgheffing op zichzelf toetsen. Hoe een eventuele samenloop met de rioolheffing uitwerkt, kan de rechtbank daarom niet in haar oordeel betrekken. Bovendien is de keuze om of alleen een rioolheffing, of een rioolheffing en een waterzorgheffing, te heffen een politieke keuze die aan de gemeentelijke wetgever wordt overgelaten (7.). Het is niet aan de rechter om in deze (politieke) keuze van de gemeenteraad te treden. 9.10. Met inachtneming van de terughoudende toetsing (9.3.), kan gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden (9.6. tot en met 9.9.) niet worden gezegd dat de nadelige gevolgen van de invoering van de waterzorgheffing voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Is er sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel? 10. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat ongelijke gevallen niet gelijk worden behandeld. Als dit niet het geval is, moet voor de ongelijke behandeling van gelijke gevallen of gelijke behandeling van ongelijke gevallen, een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestaan. De gemeentelijke wetgever heeft op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid. Het oordeel van de gemeentelijke wetgever moet in principe worden gerespecteerd, tenzij daar geen redelijke grond voor is aan te wijzen. 10.1. De rechtbank oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. De introductie van de waterzorgheffing is voor alle belastingplichtigen gelijk. Er is geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld of van ongelijke gevallen die gelijk worden behandeld. Voor zover eiser in dit kader heeft verwezen naar de samenloop met de rioolheffing, verwijst de rechtbank naar dat wat zij in 9. en 9.9. hierover heeft overwogen. Heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding? 11. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 27 februari 2024. Gelet op de uitspraakdatum is de redelijke termijn van twee jaar met afgerond twee maanden overschreden. Eiser heeft niet verzocht om vergoeding van een immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ter zitting heeft de rechtbank aangekondigd binnen zes weken schriftelijk uitspraak te doen. Dit onderzoek is vervolgens op 5 december 2025 heropend en het onderzoek is vervolgens hervat. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om nogmaals hun schriftelijke standpunten nader toe te lichten. Hier heeft eiser gebruik van gemaakt bij brief van 22 december 2025. In dit stuk heeft eiser niet gevraagd om een vergoeding van immateriële schade in verband met de termijnoverschrijding. Ook wordt dit verzoek niet gedaan in het schrijven van 4 februari 2026, waarmee eiser instemt met het sluiten van het onderzoek zonder nadere zitting.