Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-06
ECLI:NL:RBNNE:2026:1586
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
20,292 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1586 text/xml public 2026-05-11T07:32:14 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-06 C/17/198844 HA ZA 25-48 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Leeuwarden Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1586 text/html public 2026-05-11T07:31:31 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1586 Rechtbank Noord-Nederland , 06-05-2026 / C/17/198844 HA ZA 25-48 opzegging aannemings-overeenkomst; schade RECHTBANK Noord-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer: C/17/198844 / HA ZA 25-48 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. N. Voogd, tegen [gedaagde] , te [vestigingsplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M. Elderhuis. 1 De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 7 mei 2025 - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties - de aanvullende productie van [gedaagde] - de akte rectificatie van [eiser] - het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 15 januari 2026. 1.2. Bij akte rectificatie van 21 oktober 2025 heeft [eiser] verzocht om rectificatie van de partijaanduiding in de dagvaarding. In de dagvaarding is [gedaagde] aangeduid als [gedaagde] B.V. [eiser] heeft verzocht dit te lezen als [gedaagde] omdat er volgens haar sprake is van een kennelijke vergissing. [gedaagde] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft daarom in het verzoek bewilligd en zal de gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, aanmerken als [gedaagde] . 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] houdt zich bezig met bouw- en interieurdiensten en treedt (uitsluitend) op als hoofdaannemer. Directeur van [eiser] is [directeur] (hierna: [directeur] ). [gedaagde] exploiteert een installatiebedrijf. De onderneming werd ten tijde van het aangaan van de overeenkomst tussen partijen als eenmanszaak door [eigenaar eenmanszaak] gedreven. 2.2. [eiser] heeft de verbouwing van een onroerende zaak in Sneek aangenomen (hierna ook te noemen: het project). In augustus 2022 heeft [eiser] [gedaagde] benaderd om de installatie van bepaalde technische onderdelen te verzorgen. Op 25 augustus 2022 heeft [eiser] tekeningen aan [gedaagde] toegestuurd en daarna heeft een overleg tussen partijen plaatsgevonden. 2.3. Op 5 september 2022 heeft [gedaagde] een offerte aan [eiser] uitgebracht. Op 21 november 2022 heeft [gedaagde] een gewijzigde offerte uitgebracht. Deze offerte had betrekking op de volgende werkzaamheden/onderdelen: binnenriolering, waterinstallaties, elektra-installaties, verwarming/koeling, ventilatie en airco. In de offerte zijn vervolgens per onderdeel zogenoemde ‘uitgangspunten’ - de specifiek te verrichten werkzaamheden - opgesomd en is per onderdeel de prijs exclusief btw vermeld. Bij een aantal onderdelen zijn stelposten opgenomen. Het totaalbedrag van de offerte was € 73.495,00 exclusief btw en stelposten. 2.4. In reactie hierop heeft [eiser] op 10 januari 2023 door middel van een zogenoemde ‘purchase order’ akkoord gegeven op de offerte. 2.5. [gedaagde] is in februari 2023 begonnen met de werkzaamheden. 2.6. Op 19 juni 2023 heeft [gedaagde] een factuur van € 10.348,88 exclusief btw naar [eiser] gestuurd voor meerwerk. 2.7. [eiser] heeft de meerwerkfactuur van 19 juni 2023 in eerste instantie niet betaald. [gedaagde] heeft vervolgens op enig moment (in ieder geval vóór de bouwvak van 2023) om die reden de werkzaamheden opgeschort. 2.8. Partijen hebben op 11 september 2023 overleg gevoerd tijdens een bouwvergadering. Op 12 september 2023 zijn notulen opgesteld met opmerkingen van [gedaagde] en daaronder de reactie van [eiser] . Met betrekking tot een airco- en ventilatiesysteem bevatten deze notulen het volgende: 1. Plaats van de WTW en de Airco, dit is gedaan volgens de offerte van Klimaatvisie. Plaats van de WTW en Airco zijn in overleg gegaan met [directeur] / [naam] [eiser] ; Dit is niet correct. Graag de beschrijving van klima visie dan nog eens goed doornemen. Hier is duidelijk een heel ander systeem beschreven. Deze beschrijving hebben wij op verzoek van [gedaagde] gedeeld omdat ze het zelfde systeem konden leveren en monteren. Wij hebben jullie het vertrouwen gegeven om dit dan ook zo te leveren. Helaas hebben wij in een later stadium, toen er problemen kwamen met de installatie, vastgelegd date er een totaal ander systeem is geleverd. De locatie van het huidige systeem is niet in overleg gegaan met [naam] maar met [directeur] , De positie boven de trap is verre van ideaal omdat het gewenste systeem niet is geleverd. Ook komen wij hier niet weg met de kanalisatie. 2.9. Vanaf 22 september 2023 heeft er - niet voor het eerst - een e-mailwisseling tussen partijen plaatsgevonden over meer- en minderwerk. 2.10. [gedaagde] heeft op 25 september 2023 opnieuw een meerwerkfactuur aan [eiser] gestuurd. Het ging hierbij om een bedrag van € 12.755,42 (exclusief btw). 2.11. In de loop van de maand oktober 2023 zijn diverse e-mails tussen partijen heen en weer gegaan over werkzaamheden, planning en de aanwezigheid van personeel van [gedaagde] . 2.12. [gedaagde] heeft op 26 oktober dan wel 10 november 2023 de werkzaamheden hervat. 2.13. [eiser] heeft de factuur van 19 juni 2023 vervolgens voldaan. De factuur van 25 september 2023 heeft zij niet betaald. 2.14. Op 3 november 2023 heeft [directeur] de volgende e-mail naar [gedaagde] gestuurd: Na raadplegen van onze bedrijfsjurist willen wij het volgende onder uw aandacht brengen en u wijzen op de tussen [eiser] en [gedaagde] overeengekomen verplichting. Wettelijk zit het zo in elkaar dat u verplicht bent om de werkzaamheden, zoals aangenomen in de hoofdopdracht waarmee u akkoord bent gegaan, dienen uit te voeren conform overeengekomen afspraak en tijdsplan. Betreffende de airco en luchtbehandeling: 1. wij hebben akkoord gegeven op de kosten van de airco en luchtbehandeling die in de hoofdopdracht overeen gekomen zijn. Echter, na divers overleg is gebleken dat deze niet voldeden aan onze verwachtingen en overeengekomen afspraken en destijds aan u verstrekte specificaties en uitvoering. 2. na ons laatste gesprek op locatie hebben wij gevraagd de reeds gemaakt kosten hiervan inzichtelijk te maken. 3. hierop hebben wij van u een overzicht ontvangen met de door u gemaakte kosten en is hierop akkoord verleent. 4. hierin zijn wij u, ondanks dat u hierin in gebreke bent gebleven, zie bovenstaand, ruimschoots tegemoet gekomen. Zoals u weet zijn wij met het volledige bedrag, zoals overeengekomen in de hoofdopdracht (dus nu zonder montage), akkoord gegaan. 5. de betalingstermijnen zullen, zoals overeengekomen in de hoofdopdracht worden verrekend. En zijn derhalve, anders dan dat u aangeeft in uw email, geen additionele (extra) kosten en conformeren wij ons in deze aan de hoofdopdracht. Betreffende de planning: 1. Na diverse verzoeken hebben wij tot op heden geen planning van u mogen ontvangen voor de nog openstaande werkzaamheden conform de hoofdopdracht. Wij willen u erop wijzen dat u rechtens verplicht bent om aan deze te voldoen. 2. Graag zien wij per omgaande uw reactie hierop en verwachten deze per omgaande te ontvangen. 3. Wij wijzen u erop, dat wanneer u hierin in gebreke blijft, dit consequenties heeft voor andere partijen die hun werkzaamheden moeten voltooien. De hieruit voortvloeiende kosten (waardoor het werk stil komt te liggen) kunnen en zullen wij, indien u hierin in gebreke blijft, rechtens op u verhalen. Domotica: 1. Na diverse verzoeken hebben wij tot op heden geen voorstel van u mogen ontvangen voor de domotica ingang pand, conform de hoofdopdracht. Wij willen u erop wijzen dat u rechtens verplicht bent om aan deze te voldoen. 2. Graag zien wij per omgaande uw reactie hierop en verwachten deze per omgaande te ontvangen. 3.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1586 text/xml public 2026-05-11T07:32:14 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-06 C/17/198844 HA ZA 25-48 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Leeuwarden Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1586 text/html public 2026-05-11T07:31:31 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1586 Rechtbank Noord-Nederland , 06-05-2026 / C/17/198844 HA ZA 25-48 opzegging aannemings-overeenkomst; schade RECHTBANK Noord-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer: C/17/198844 / HA ZA 25-48 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. N. Voogd, tegen [gedaagde] , te [vestigingsplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M. Elderhuis. 1 De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 7 mei 2025 - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties - de aanvullende productie van [gedaagde] - de akte rectificatie van [eiser] - het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 15 januari 2026. 1.2. Bij akte rectificatie van 21 oktober 2025 heeft [eiser] verzocht om rectificatie van de partijaanduiding in de dagvaarding. In de dagvaarding is [gedaagde] aangeduid als [gedaagde] B.V. [eiser] heeft verzocht dit te lezen als [gedaagde] omdat er volgens haar sprake is van een kennelijke vergissing. [gedaagde] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft daarom in het verzoek bewilligd en zal de gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, aanmerken als [gedaagde] . 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] houdt zich bezig met bouw- en interieurdiensten en treedt (uitsluitend) op als hoofdaannemer. Directeur van [eiser] is [directeur] (hierna: [directeur] ). [gedaagde] exploiteert een installatiebedrijf. De onderneming werd ten tijde van het aangaan van de overeenkomst tussen partijen als eenmanszaak door [eigenaar eenmanszaak] gedreven. 2.2. [eiser] heeft de verbouwing van een onroerende zaak in Sneek aangenomen (hierna ook te noemen: het project). In augustus 2022 heeft [eiser] [gedaagde] benaderd om de installatie van bepaalde technische onderdelen te verzorgen. Op 25 augustus 2022 heeft [eiser] tekeningen aan [gedaagde] toegestuurd en daarna heeft een overleg tussen partijen plaatsgevonden. 2.3. Op 5 september 2022 heeft [gedaagde] een offerte aan [eiser] uitgebracht. Op 21 november 2022 heeft [gedaagde] een gewijzigde offerte uitgebracht. Deze offerte had betrekking op de volgende werkzaamheden/onderdelen: binnenriolering, waterinstallaties, elektra-installaties, verwarming/koeling, ventilatie en airco. In de offerte zijn vervolgens per onderdeel zogenoemde ‘uitgangspunten’ - de specifiek te verrichten werkzaamheden - opgesomd en is per onderdeel de prijs exclusief btw vermeld. Bij een aantal onderdelen zijn stelposten opgenomen. Het totaalbedrag van de offerte was € 73.495,00 exclusief btw en stelposten. 2.4. In reactie hierop heeft [eiser] op 10 januari 2023 door middel van een zogenoemde ‘purchase order’ akkoord gegeven op de offerte. 2.5. [gedaagde] is in februari 2023 begonnen met de werkzaamheden. 2.6. Op 19 juni 2023 heeft [gedaagde] een factuur van € 10.348,88 exclusief btw naar [eiser] gestuurd voor meerwerk. 2.7. [eiser] heeft de meerwerkfactuur van 19 juni 2023 in eerste instantie niet betaald. [gedaagde] heeft vervolgens op enig moment (in ieder geval vóór de bouwvak van 2023) om die reden de werkzaamheden opgeschort. 2.8. Partijen hebben op 11 september 2023 overleg gevoerd tijdens een bouwvergadering. Op 12 september 2023 zijn notulen opgesteld met opmerkingen van [gedaagde] en daaronder de reactie van [eiser] . Met betrekking tot een airco- en ventilatiesysteem bevatten deze notulen het volgende: 1. Plaats van de WTW en de Airco, dit is gedaan volgens de offerte van Klimaatvisie. Plaats van de WTW en Airco zijn in overleg gegaan met [directeur] / [naam] [eiser] ; Dit is niet correct. Graag de beschrijving van klima visie dan nog eens goed doornemen. Hier is duidelijk een heel ander systeem beschreven. Deze beschrijving hebben wij op verzoek van [gedaagde] gedeeld omdat ze het zelfde systeem konden leveren en monteren. Wij hebben jullie het vertrouwen gegeven om dit dan ook zo te leveren. Helaas hebben wij in een later stadium, toen er problemen kwamen met de installatie, vastgelegd date er een totaal ander systeem is geleverd. De locatie van het huidige systeem is niet in overleg gegaan met [naam] maar met [directeur] , De positie boven de trap is verre van ideaal omdat het gewenste systeem niet is geleverd. Ook komen wij hier niet weg met de kanalisatie. 2.9. Vanaf 22 september 2023 heeft er - niet voor het eerst - een e-mailwisseling tussen partijen plaatsgevonden over meer- en minderwerk. 2.10. [gedaagde] heeft op 25 september 2023 opnieuw een meerwerkfactuur aan [eiser] gestuurd. Het ging hierbij om een bedrag van € 12.755,42 (exclusief btw). 2.11. In de loop van de maand oktober 2023 zijn diverse e-mails tussen partijen heen en weer gegaan over werkzaamheden, planning en de aanwezigheid van personeel van [gedaagde] . 2.12. [gedaagde] heeft op 26 oktober dan wel 10 november 2023 de werkzaamheden hervat. 2.13. [eiser] heeft de factuur van 19 juni 2023 vervolgens voldaan. De factuur van 25 september 2023 heeft zij niet betaald. 2.14. Op 3 november 2023 heeft [directeur] de volgende e-mail naar [gedaagde] gestuurd: Na raadplegen van onze bedrijfsjurist willen wij het volgende onder uw aandacht brengen en u wijzen op de tussen [eiser] en [gedaagde] overeengekomen verplichting. Wettelijk zit het zo in elkaar dat u verplicht bent om de werkzaamheden, zoals aangenomen in de hoofdopdracht waarmee u akkoord bent gegaan, dienen uit te voeren conform overeengekomen afspraak en tijdsplan. Betreffende de airco en luchtbehandeling: 1. wij hebben akkoord gegeven op de kosten van de airco en luchtbehandeling die in de hoofdopdracht overeen gekomen zijn. Echter, na divers overleg is gebleken dat deze niet voldeden aan onze verwachtingen en overeengekomen afspraken en destijds aan u verstrekte specificaties en uitvoering. 2. na ons laatste gesprek op locatie hebben wij gevraagd de reeds gemaakt kosten hiervan inzichtelijk te maken. 3. hierop hebben wij van u een overzicht ontvangen met de door u gemaakte kosten en is hierop akkoord verleent. 4. hierin zijn wij u, ondanks dat u hierin in gebreke bent gebleven, zie bovenstaand, ruimschoots tegemoet gekomen. Zoals u weet zijn wij met het volledige bedrag, zoals overeengekomen in de hoofdopdracht (dus nu zonder montage), akkoord gegaan. 5. de betalingstermijnen zullen, zoals overeengekomen in de hoofdopdracht worden verrekend. En zijn derhalve, anders dan dat u aangeeft in uw email, geen additionele (extra) kosten en conformeren wij ons in deze aan de hoofdopdracht. Betreffende de planning: 1. Na diverse verzoeken hebben wij tot op heden geen planning van u mogen ontvangen voor de nog openstaande werkzaamheden conform de hoofdopdracht. Wij willen u erop wijzen dat u rechtens verplicht bent om aan deze te voldoen. 2. Graag zien wij per omgaande uw reactie hierop en verwachten deze per omgaande te ontvangen. 3. Wij wijzen u erop, dat wanneer u hierin in gebreke blijft, dit consequenties heeft voor andere partijen die hun werkzaamheden moeten voltooien. De hieruit voortvloeiende kosten (waardoor het werk stil komt te liggen) kunnen en zullen wij, indien u hierin in gebreke blijft, rechtens op u verhalen. Domotica: 1. Na diverse verzoeken hebben wij tot op heden geen voorstel van u mogen ontvangen voor de domotica ingang pand, conform de hoofdopdracht. Wij willen u erop wijzen dat u rechtens verplicht bent om aan deze te voldoen. 2. Graag zien wij per omgaande uw reactie hierop en verwachten deze per omgaande te ontvangen. 3.
Volledig
Wij wijzen u erop, dat wanneer u hierin in gebreke blijft, dit consequenties heeft voor andere partijen die hun werkzaamheden moeten voltooien. De hieruit voortvloeiende kosten (waardoor het werk stil komt te liggen) kunnen en zullen wij, indien u hierin in gebreke blijft, rechtens op u verhalen. Zoals ook in het gesprek met dhr. [directeur] en dhr. [gedaagde] op locatie en diverse mailverkeer besproken hebben wij de intentie uitgesproken dit project samen op een goede wijze af te ronden. Wij verwachten dan ook van u een optimale inspanning hierin. Wij gaan ervan uit dat de openstaande werkzaamheden nu ook per direct worden uitgevoerd zoals overeengekomen. Communicatie betreffende bovenstaande onderwerpen zullen wij vanaf heden nog enkel via email met u voeren om verdere discussies en onduidelijkheden te voorkomen. 2.15. Op 7 november 2023 heeft [eiser] nog een e-mail naar [gedaagde] gestuurd, waarop [gedaagde] op 8 november 2023 heeft gereageerd [rechtbank: de tekst van [gedaagde] in cursief]. Helaas hebben wij wederom moeten vaststellen dat de afgelopen twee dagen niemand op locatie is geweest. Wij willen jullie nogmaals erop wijzen dat alle facturen van het additionele werk en materiaal goed gekeurd en voldaan zijn. Ook wil ik jullie er nogmaals op wijzen dat alle werkzaamheden (buiten de airco en ventilatie) conform hoofdopdracht uitgevoerd moeten worden. Zoals eerder in diverse mails (zie hieronder ) is aangegeven dat we pas verder gaan als alles betaald is. Dit is door jullie ook toegezegd maar nog niet alles is betaald. In onze algemene voorwaarden staat betaling binnen 30 dagen en dit is ook zo afgesproken . Planning Wederom wil ik jullie verzoeken per omgaande een gedetailleerde planning op te sturen zodat wij weten wanneer wat precies wordt uitgevoerd. Begin volgende week moet alles gereed zijn zodat de werkzaamheden niet stil komen te liggen. Komen de werkzaamheden toch stil te liggen zullen hier kosten uit voorvloeien. Zoals in de voorgaande mail van 03-11-2023 aangegeven wil ik jullie erop wijzen als jullie in gebreke blijven wij helaas diverse kosten bij [gedaagde] moeten verhalen. Doordat jullie geen gehele betaling hebben uitgevoerd, na meerdere malen contact zowel telefonisch als via de mail, kunnen wij daar niet verantwoordelijk voor worden gehouden. Als er aan de afspraak gehouden was waren wij zoals afgesproken doorgegaan en waren we deze week een heel eind geweest met de werkzaamheden. Domotica Zoals eerder door jullie aangegeven zou [eigenaar eenmanszaak] een voorstel hiervoor gereed hebben. Helaas hebben wij nog altijd niets ontvangen waar wij een akkoord op kunnen geven. Dit voorstel ontvang ontvangen wij graag per omgaande. Hier zijn we wel mee bezig, maar gaan daar pas weer mee verder indien de eerdere afspraken rondom de betaling zijn nagekomen. Ook na diverse conflicten zijn wij nog altijd van mening dat beide partijen dit project zo snel mogelijk afgerond willen zien. Dit zien wij ook graag maar dit kan alleen als er afspraken gemaakt worden en daar ook aan gehouden wordt. Ook is de ingebrekestelling is geheel onterecht aangezien er niet aan de algemene voorwaarden wordt voldaan. 2.16. Bij e-mail van 10 november 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten: Wij willen heel graag dit project met een goed resultaat afronden. Daarom gaan wij ondanks dat wij het niet met de betalingen eens zijn aanstaande maandag onze werkzaamheden hervatten. 2.17. Hierna hebben partijen elkaar opnieuw diverse e-mails over verrichte en te verrichten werkzaamheden gestuurd. Vervolgens heeft op 20 december 2023 een bouwvergadering plaatsgevonden. 2.18. Op 11 januari 2024 heeft [eiser] een e-mail naar [gedaagde] gestuurd waarin een planning van werkzaamheden voor de weken 2 tot en met 5 van 2024 is opgenomen. [gedaagde] heeft hier nog dezelfde dag gedetailleerd op gereageerd en daarnaast nog een e-mail teruggestuurd met de mededeling dat hij zich niet geheel in de planning kan vinden om dat deze te krap is. 2.19. [gedaagde] heeft op 16 januari 2024 een bedrag van € 5.800,00 (exclusief btw) bij [eiser] in rekening gebracht voor het plaatsen en leveren van zonnepanelen. [eiser] heeft deze factuur niet betaald. 2.20. Op 17 januari 2024 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. Hierna heeft [eiser] op 18 januari 2024 een nieuwe planning tot en met week 5 naar [gedaagde] gestuurd. 2.21. Bij e-mail van 22 januari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht: Gezien de zeer onprofessionele wijze waarop de elektra- en loodgieters-werken op dit moment (vandaag 22- 01) worden geïnstalleerd en afgemonteerd (scheef / krom) in combinatie met de onacceptabele schade die aan de bouwkundige wanden, schilderwerk en betimmering wordt aangebracht (zie bijgevoegde foto's), hebben wij besloten om de monteurs van [gedaagde] per direct tijdelijk de toegang tot de bouwplaats te ontzeggen tot nader overleg. We komen hier z.s.m. op terug. Na het overleg vorige week woensdag 17-01 waarin we naar elkaar hebben uitgesproken dit project op een juiste en acceptabele wijze samen te gaan afronden, hebben wij gezien bovenstaande, er geen vertrouwen meer in dat dit wordt nagekomen. Derhalve zien wij genoodzaakt deze stap te nemen. Morgenvroeg zal een medewerker van [eiser] bij u de materialen komen ophalen die bij ons in het meerwerk zijn opgenomen. We gaan ervan uit dat u de materialen / onderdelen welke u op afroep heeft besteld zult afbestellen. 2.22. [gedaagde] heeft hierna materialen en gereedschappen van de bouwplaats opgehaald. Partijen hebben vervolgens geen contact meer met elkaar gehad. 2.23. [eiser] heeft op 15 april 2024 [gedaagde] een factuur gestuurd ter hoogte van € 80.850,00 (exclusief btw) voor ‘herstelkosten en extra werkzaamheden door nalatigheid en niet nakomen van gemaakte afspraken en planning’. In de factuur is opgesomd welke schadeposten [eiser] vergoed wil zien. Flynth Adviseurs en Accountants heeft bij brief van 17 april 2024 [gedaagde] namens [eiser] aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van tekortschieten en hem gesommeerd om binnen veertien dagen het hiervoor vermelde bedrag van € 80.850,- (exclusief btw) te betalen. 2.24. Op 29 april 2024 heeft [eiser] ontdekt dat op de begane grond van het gebouw - waar een restaurant is gevestigd - sprake was van lekkage. [eiser] heeft vervolgens Lekdetectiecentrale ingeschakeld die de situatie heeft onderzocht. Flynth Adviseurs en Accountants heeft in een e-mail van 10 mei 2024 [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade. In de e-mail is onder meer vermeld dat het vermoeden bestaat dat de lekkage is veroorzaakt door een aansluiting die zich onder de nieuw aangebrachte vloer bevindt. Bij de e-mail bevond zich een factuur van [eiser] voor [gedaagde] , eveneens gedateerd 29 april 2024, voor een totaalbedrag van € 54.200,00 (exclusief btw). 2.25. Op 28 november 2024 heeft [eiser] [gedaagde] ook aansprakelijk gesteld omdat hij het binnenwerk van de douche- en wastafelkranen volgens [eiser] verkeerd om heeft aangelegd. 3 De vorderingen In conventie 3.1. [eiser] vordert, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om: I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk; II. [gedaagde] te veroordelen om tegen kwijting aan [eiser] een bedrag te betalen van € 80.850,00 exclusief btw, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 17 april 2024, althans 15 juli 2024, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat algehele voldoening plaatsvindt; III. [gedaagde] te veroordelen om tegen kwijting aan [eiser] een bedrag te betalen van € 54.200,00 exclusief btw, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 10 mei 2024, althans 15 juli 2024, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat algehele voldoening plaatsvindt; IV.
Volledig
Wij wijzen u erop, dat wanneer u hierin in gebreke blijft, dit consequenties heeft voor andere partijen die hun werkzaamheden moeten voltooien. De hieruit voortvloeiende kosten (waardoor het werk stil komt te liggen) kunnen en zullen wij, indien u hierin in gebreke blijft, rechtens op u verhalen. Zoals ook in het gesprek met dhr. [directeur] en dhr. [gedaagde] op locatie en diverse mailverkeer besproken hebben wij de intentie uitgesproken dit project samen op een goede wijze af te ronden. Wij verwachten dan ook van u een optimale inspanning hierin. Wij gaan ervan uit dat de openstaande werkzaamheden nu ook per direct worden uitgevoerd zoals overeengekomen. Communicatie betreffende bovenstaande onderwerpen zullen wij vanaf heden nog enkel via email met u voeren om verdere discussies en onduidelijkheden te voorkomen. 2.15. Op 7 november 2023 heeft [eiser] nog een e-mail naar [gedaagde] gestuurd, waarop [gedaagde] op 8 november 2023 heeft gereageerd [rechtbank: de tekst van [gedaagde] in cursief]. Helaas hebben wij wederom moeten vaststellen dat de afgelopen twee dagen niemand op locatie is geweest. Wij willen jullie nogmaals erop wijzen dat alle facturen van het additionele werk en materiaal goed gekeurd en voldaan zijn. Ook wil ik jullie er nogmaals op wijzen dat alle werkzaamheden (buiten de airco en ventilatie) conform hoofdopdracht uitgevoerd moeten worden. Zoals eerder in diverse mails (zie hieronder ) is aangegeven dat we pas verder gaan als alles betaald is. Dit is door jullie ook toegezegd maar nog niet alles is betaald. In onze algemene voorwaarden staat betaling binnen 30 dagen en dit is ook zo afgesproken . Planning Wederom wil ik jullie verzoeken per omgaande een gedetailleerde planning op te sturen zodat wij weten wanneer wat precies wordt uitgevoerd. Begin volgende week moet alles gereed zijn zodat de werkzaamheden niet stil komen te liggen. Komen de werkzaamheden toch stil te liggen zullen hier kosten uit voorvloeien. Zoals in de voorgaande mail van 03-11-2023 aangegeven wil ik jullie erop wijzen als jullie in gebreke blijven wij helaas diverse kosten bij [gedaagde] moeten verhalen. Doordat jullie geen gehele betaling hebben uitgevoerd, na meerdere malen contact zowel telefonisch als via de mail, kunnen wij daar niet verantwoordelijk voor worden gehouden. Als er aan de afspraak gehouden was waren wij zoals afgesproken doorgegaan en waren we deze week een heel eind geweest met de werkzaamheden. Domotica Zoals eerder door jullie aangegeven zou [eigenaar eenmanszaak] een voorstel hiervoor gereed hebben. Helaas hebben wij nog altijd niets ontvangen waar wij een akkoord op kunnen geven. Dit voorstel ontvang ontvangen wij graag per omgaande. Hier zijn we wel mee bezig, maar gaan daar pas weer mee verder indien de eerdere afspraken rondom de betaling zijn nagekomen. Ook na diverse conflicten zijn wij nog altijd van mening dat beide partijen dit project zo snel mogelijk afgerond willen zien. Dit zien wij ook graag maar dit kan alleen als er afspraken gemaakt worden en daar ook aan gehouden wordt. Ook is de ingebrekestelling is geheel onterecht aangezien er niet aan de algemene voorwaarden wordt voldaan. 2.16. Bij e-mail van 10 november 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten: Wij willen heel graag dit project met een goed resultaat afronden. Daarom gaan wij ondanks dat wij het niet met de betalingen eens zijn aanstaande maandag onze werkzaamheden hervatten. 2.17. Hierna hebben partijen elkaar opnieuw diverse e-mails over verrichte en te verrichten werkzaamheden gestuurd. Vervolgens heeft op 20 december 2023 een bouwvergadering plaatsgevonden. 2.18. Op 11 januari 2024 heeft [eiser] een e-mail naar [gedaagde] gestuurd waarin een planning van werkzaamheden voor de weken 2 tot en met 5 van 2024 is opgenomen. [gedaagde] heeft hier nog dezelfde dag gedetailleerd op gereageerd en daarnaast nog een e-mail teruggestuurd met de mededeling dat hij zich niet geheel in de planning kan vinden om dat deze te krap is. 2.19. [gedaagde] heeft op 16 januari 2024 een bedrag van € 5.800,00 (exclusief btw) bij [eiser] in rekening gebracht voor het plaatsen en leveren van zonnepanelen. [eiser] heeft deze factuur niet betaald. 2.20. Op 17 januari 2024 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. Hierna heeft [eiser] op 18 januari 2024 een nieuwe planning tot en met week 5 naar [gedaagde] gestuurd. 2.21. Bij e-mail van 22 januari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht: Gezien de zeer onprofessionele wijze waarop de elektra- en loodgieters-werken op dit moment (vandaag 22- 01) worden geïnstalleerd en afgemonteerd (scheef / krom) in combinatie met de onacceptabele schade die aan de bouwkundige wanden, schilderwerk en betimmering wordt aangebracht (zie bijgevoegde foto's), hebben wij besloten om de monteurs van [gedaagde] per direct tijdelijk de toegang tot de bouwplaats te ontzeggen tot nader overleg. We komen hier z.s.m. op terug. Na het overleg vorige week woensdag 17-01 waarin we naar elkaar hebben uitgesproken dit project op een juiste en acceptabele wijze samen te gaan afronden, hebben wij gezien bovenstaande, er geen vertrouwen meer in dat dit wordt nagekomen. Derhalve zien wij genoodzaakt deze stap te nemen. Morgenvroeg zal een medewerker van [eiser] bij u de materialen komen ophalen die bij ons in het meerwerk zijn opgenomen. We gaan ervan uit dat u de materialen / onderdelen welke u op afroep heeft besteld zult afbestellen. 2.22. [gedaagde] heeft hierna materialen en gereedschappen van de bouwplaats opgehaald. Partijen hebben vervolgens geen contact meer met elkaar gehad. 2.23. [eiser] heeft op 15 april 2024 [gedaagde] een factuur gestuurd ter hoogte van € 80.850,00 (exclusief btw) voor ‘herstelkosten en extra werkzaamheden door nalatigheid en niet nakomen van gemaakte afspraken en planning’. In de factuur is opgesomd welke schadeposten [eiser] vergoed wil zien. Flynth Adviseurs en Accountants heeft bij brief van 17 april 2024 [gedaagde] namens [eiser] aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van tekortschieten en hem gesommeerd om binnen veertien dagen het hiervoor vermelde bedrag van € 80.850,- (exclusief btw) te betalen. 2.24. Op 29 april 2024 heeft [eiser] ontdekt dat op de begane grond van het gebouw - waar een restaurant is gevestigd - sprake was van lekkage. [eiser] heeft vervolgens Lekdetectiecentrale ingeschakeld die de situatie heeft onderzocht. Flynth Adviseurs en Accountants heeft in een e-mail van 10 mei 2024 [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade. In de e-mail is onder meer vermeld dat het vermoeden bestaat dat de lekkage is veroorzaakt door een aansluiting die zich onder de nieuw aangebrachte vloer bevindt. Bij de e-mail bevond zich een factuur van [eiser] voor [gedaagde] , eveneens gedateerd 29 april 2024, voor een totaalbedrag van € 54.200,00 (exclusief btw). 2.25. Op 28 november 2024 heeft [eiser] [gedaagde] ook aansprakelijk gesteld omdat hij het binnenwerk van de douche- en wastafelkranen volgens [eiser] verkeerd om heeft aangelegd. 3 De vorderingen In conventie 3.1. [eiser] vordert, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om: I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk; II. [gedaagde] te veroordelen om tegen kwijting aan [eiser] een bedrag te betalen van € 80.850,00 exclusief btw, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 17 april 2024, althans 15 juli 2024, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat algehele voldoening plaatsvindt; III. [gedaagde] te veroordelen om tegen kwijting aan [eiser] een bedrag te betalen van € 54.200,00 exclusief btw, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 10 mei 2024, althans 15 juli 2024, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat algehele voldoening plaatsvindt; IV.
Volledig
[gedaagde] te veroordelen om tegen kwijting aan [eiser] een bedrag te betalen van € 2.225,50 inclusief btw, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2021, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat algehele voldoening plaatsvindt; V. [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.278,97 deskundigenkosten (productie 32) vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2021, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat algehele voldoening plaatsvindt; VI. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding aan [eiser] van de door [eiser] te lijden schade in verband met het herstel van de gebrekkige installaties van de douches en wastafelkranen, nader op te maken bij staat; VII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding en daarbij op voorhand het nasalaris te begroten op een bedrag van € 278,- zonder betekening en € 370,- met betekening van het ten deze te wijzen vonnis, het totale bedrag aan proceskosten vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen de termijn zijn voldaan. 3.2. Van er Veen voert verweer in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. In reconventie 3.3. [gedaagde] vordert, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van € 18.555,42, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 25 oktober 2023 over het bedrag van € 12.755,42 en vanaf 16 februari 2024 over het bedrag van € 5.800,00, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening; II. [eiser] te veroordelen in buitengerechtelijke incassokosten ad € 960,55; III. [eiser] te veroordelen in de kosten van het geding, daaronder begrepen het salaris van de advocaat en de nakosten, met de bepaling dat daarover wettelijke rente is verschuldigd vanaf het verstrijken van 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening. 3.4. [eiser] voert hiertegen verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling In conventie Het geschil 4.1. [eiser] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde] geen goed en deugdelijk werk heeft geleverd en daarmee tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst met [eiser] . [eiser] heeft door ingenieursbureau W4TECH laten vaststellen dat het werk van [gedaagde] niet voldoet aan ‘NEN-normen en het Bouwbesluit’. [gedaagde] heeft over bijna de gehele uitvoering ondeugdelijk werk geleverd, in samenhang met de aan hem te wijten vertraging, aldus [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagde] zodanig tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst dat de prestatie blijvend onmogelijk is geworden en een ingebrekestelling niet meer vereist was. Voor zover dat niet het geval is, was een ingebrekestelling op grond van artikel 6:82 lid 2 BW, dan wel artikel 6:83 BW niet vereist. Daarnaast heeft [eiser] gesteld dat het verzuim van [gedaagde] is ingetreden na de aansprakelijkstelling van 3 november 2023. [eiser] heeft vanwege ‘gebleken onbekwaamheid en een verstoorde verhouding’ zich genoodzaakt gezien om [gedaagde] vanaf 22 januari 2024 niet meer op het werk toe te laten. Er was namelijk naast wat er verder al speelde ook sprake van vernielingen die [gedaagde] heeft toegebracht. Volgens haar moet de e-mail van 22 januari 2024 worden gezien als een buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 6:265 in samenhang met artikel 6:267 lid 1 BW. [eiser] was ook gerechtigd om de overeenkomst te ontbinden omdat in redelijkheid niet van haar kon worden verlangd dat [gedaagde] het werk afmaakte. Voor het geval de rechtbank daarin niet mee zou gaan heeft zij onder randnummer 91 van de dagvaarding opgemerkt dat zij dan de rechtbank verzoekt om de overeenkomst op grond van artikel 7:756 BW te ontbinden per 22 januari 2024. [eiser] wenst verder haar schade vergoed te zien, waarbij zij heeft verwezen naar de brief en e-mail van Flynth Adviseurs en Accountants van 17 april 2024 respectievelijk 10 mei 2024, de ‘facturen’ van [eiser] van € 80.850,00 en € 54.200,00 en de daarin opgenomen onderbouwing per post. 4.2. [gedaagde] heeft betwist dat hij op welke manier dan ook tekortgeschoten is in de nakoming van de verbintenissen jegens [eiser] . Voor wat betreft de opgetreden vertraging komt zijn standpunt er in de kern op neer dat hij met [eiser] geen datum heeft afgesproken waarop hij het werk (uiterlijk) moest opleveren en los daarvan trad er volgens hem steeds vertraging op door meerwerkopdrachten. Bovendien heeft hij zijn werkzaamheden op goede gronden ongeveer drie maanden opgeschort omdat [eiser] de meerwerkfactuur van 10 juni 2023 niet wilde betalen. Verder heeft hij betwist dat de e-mail van 22 januari 2024 als een ontbinding beschouwd kan worden. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] met de mededeling dat hij en zijn medewerkers niet meer op het werk mogen verschijnen de overeenkomst opgezegd. De overeenkomst is niet ontbonden, maar opgezegd door [eiser] 4.3. De rechtbank volgt [eiser] niet in haar stelling dat de e-mail van 22 januari 2024 een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst betreft. Zij is het met [gedaagde] eens dat deze e-mail beschouwd moet worden als een opzegging van de overeenkomst (waar [gedaagde] overigens geen verdere consequenties aan heeft verbonden). In de e-mail wordt het [gedaagde] vanwege (beweerdelijk aangebrachte) beschadigingen en de kwaliteit van de werkzaamheden die op dat moment worden uitgevoerd immers per direct verboden om tot nader overleg op de bouwplaats te komen. Verder is meegedeeld dat de materialen die nog bij [gedaagde] stonden de volgende dag zouden worden opgehaald voor zover die materialen in het meerwerk waren opgenomen. Tot slot heeft [eiser] meegedeeld dat zij ervan uitgaat dat [gedaagde] de materialen / onderdelen die hij op afroep heeft besteld zou afbestellen. In de e-mail wordt niet gerept over werkzaamheden die eerder niet goed zouden zijn uitgevoerd en/of over (beweerde) vertraging. Uit de bewoordingen kan daarom niet anders worden afgeleid dan dat (enkel) verdere werkzaamheden op de bouwplaats worden verboden. Bovendien heeft het aangekondigde overleg nooit plaatsgevonden; [eiser] heeft een punt gezet achter de samenwerking met [gedaagde] . Dit komt neer op opzegging van de overeenkomst. 4.4. [eiser] heeft niet gevorderd dat de rechtbank de overeenkomst ontbindt. Zij heeft dit weliswaar wel benoemd in de dagvaarding, maar hieraan geen procesrechtelijke consequenties in de vorm van een vordering verbonden. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de stelling dat de overeenkomst is of moet worden ontbonden, zijn zij daarom niet toewijsbaar. [gedaagde] is niet tekortgeschoten in het nakomen van een planning 4.5. Ook in het geval een overeenkomst is opgezegd kan sprake zijn van tekortschieten en op grond daarvan een verplichting ontstaan tot het vergoeden van daardoor ontstane schade. Daarvoor is verzuim vereist. Tussen partijen is in geschil of aan dat vereiste is voldaan. In principe is voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling vereist, waarbij de schuldenaar nog een laatste kans krijgt om een bepaalde verbintenis deugdelijk na te komen. Benut hij die niet, dan is hij na het verstrijken van de termijn in verzuim en in beginsel schadeplichtig. Een ingebrekestelling is niet nodig als nakoming blijvend onmogelijk is. 4.6. Volgens [eiser] is [gedaagde] op twee punten tekortgeschoten: het werk is niet deugdelijk uitgevoerd en er is vertraging opgetreden.
Volledig
[gedaagde] te veroordelen om tegen kwijting aan [eiser] een bedrag te betalen van € 2.225,50 inclusief btw, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2021, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat algehele voldoening plaatsvindt; V. [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.278,97 deskundigenkosten (productie 32) vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2021, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat algehele voldoening plaatsvindt; VI. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding aan [eiser] van de door [eiser] te lijden schade in verband met het herstel van de gebrekkige installaties van de douches en wastafelkranen, nader op te maken bij staat; VII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding en daarbij op voorhand het nasalaris te begroten op een bedrag van € 278,- zonder betekening en € 370,- met betekening van het ten deze te wijzen vonnis, het totale bedrag aan proceskosten vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen de termijn zijn voldaan. 3.2. Van er Veen voert verweer in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. In reconventie 3.3. [gedaagde] vordert, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van € 18.555,42, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 25 oktober 2023 over het bedrag van € 12.755,42 en vanaf 16 februari 2024 over het bedrag van € 5.800,00, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening; II. [eiser] te veroordelen in buitengerechtelijke incassokosten ad € 960,55; III. [eiser] te veroordelen in de kosten van het geding, daaronder begrepen het salaris van de advocaat en de nakosten, met de bepaling dat daarover wettelijke rente is verschuldigd vanaf het verstrijken van 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening. 3.4. [eiser] voert hiertegen verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling In conventie Het geschil 4.1. [eiser] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde] geen goed en deugdelijk werk heeft geleverd en daarmee tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst met [eiser] . [eiser] heeft door ingenieursbureau W4TECH laten vaststellen dat het werk van [gedaagde] niet voldoet aan ‘NEN-normen en het Bouwbesluit’. [gedaagde] heeft over bijna de gehele uitvoering ondeugdelijk werk geleverd, in samenhang met de aan hem te wijten vertraging, aldus [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagde] zodanig tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst dat de prestatie blijvend onmogelijk is geworden en een ingebrekestelling niet meer vereist was. Voor zover dat niet het geval is, was een ingebrekestelling op grond van artikel 6:82 lid 2 BW, dan wel artikel 6:83 BW niet vereist. Daarnaast heeft [eiser] gesteld dat het verzuim van [gedaagde] is ingetreden na de aansprakelijkstelling van 3 november 2023. [eiser] heeft vanwege ‘gebleken onbekwaamheid en een verstoorde verhouding’ zich genoodzaakt gezien om [gedaagde] vanaf 22 januari 2024 niet meer op het werk toe te laten. Er was namelijk naast wat er verder al speelde ook sprake van vernielingen die [gedaagde] heeft toegebracht. Volgens haar moet de e-mail van 22 januari 2024 worden gezien als een buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 6:265 in samenhang met artikel 6:267 lid 1 BW. [eiser] was ook gerechtigd om de overeenkomst te ontbinden omdat in redelijkheid niet van haar kon worden verlangd dat [gedaagde] het werk afmaakte. Voor het geval de rechtbank daarin niet mee zou gaan heeft zij onder randnummer 91 van de dagvaarding opgemerkt dat zij dan de rechtbank verzoekt om de overeenkomst op grond van artikel 7:756 BW te ontbinden per 22 januari 2024. [eiser] wenst verder haar schade vergoed te zien, waarbij zij heeft verwezen naar de brief en e-mail van Flynth Adviseurs en Accountants van 17 april 2024 respectievelijk 10 mei 2024, de ‘facturen’ van [eiser] van € 80.850,00 en € 54.200,00 en de daarin opgenomen onderbouwing per post. 4.2. [gedaagde] heeft betwist dat hij op welke manier dan ook tekortgeschoten is in de nakoming van de verbintenissen jegens [eiser] . Voor wat betreft de opgetreden vertraging komt zijn standpunt er in de kern op neer dat hij met [eiser] geen datum heeft afgesproken waarop hij het werk (uiterlijk) moest opleveren en los daarvan trad er volgens hem steeds vertraging op door meerwerkopdrachten. Bovendien heeft hij zijn werkzaamheden op goede gronden ongeveer drie maanden opgeschort omdat [eiser] de meerwerkfactuur van 10 juni 2023 niet wilde betalen. Verder heeft hij betwist dat de e-mail van 22 januari 2024 als een ontbinding beschouwd kan worden. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] met de mededeling dat hij en zijn medewerkers niet meer op het werk mogen verschijnen de overeenkomst opgezegd. De overeenkomst is niet ontbonden, maar opgezegd door [eiser] 4.3. De rechtbank volgt [eiser] niet in haar stelling dat de e-mail van 22 januari 2024 een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst betreft. Zij is het met [gedaagde] eens dat deze e-mail beschouwd moet worden als een opzegging van de overeenkomst (waar [gedaagde] overigens geen verdere consequenties aan heeft verbonden). In de e-mail wordt het [gedaagde] vanwege (beweerdelijk aangebrachte) beschadigingen en de kwaliteit van de werkzaamheden die op dat moment worden uitgevoerd immers per direct verboden om tot nader overleg op de bouwplaats te komen. Verder is meegedeeld dat de materialen die nog bij [gedaagde] stonden de volgende dag zouden worden opgehaald voor zover die materialen in het meerwerk waren opgenomen. Tot slot heeft [eiser] meegedeeld dat zij ervan uitgaat dat [gedaagde] de materialen / onderdelen die hij op afroep heeft besteld zou afbestellen. In de e-mail wordt niet gerept over werkzaamheden die eerder niet goed zouden zijn uitgevoerd en/of over (beweerde) vertraging. Uit de bewoordingen kan daarom niet anders worden afgeleid dan dat (enkel) verdere werkzaamheden op de bouwplaats worden verboden. Bovendien heeft het aangekondigde overleg nooit plaatsgevonden; [eiser] heeft een punt gezet achter de samenwerking met [gedaagde] . Dit komt neer op opzegging van de overeenkomst. 4.4. [eiser] heeft niet gevorderd dat de rechtbank de overeenkomst ontbindt. Zij heeft dit weliswaar wel benoemd in de dagvaarding, maar hieraan geen procesrechtelijke consequenties in de vorm van een vordering verbonden. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de stelling dat de overeenkomst is of moet worden ontbonden, zijn zij daarom niet toewijsbaar. [gedaagde] is niet tekortgeschoten in het nakomen van een planning 4.5. Ook in het geval een overeenkomst is opgezegd kan sprake zijn van tekortschieten en op grond daarvan een verplichting ontstaan tot het vergoeden van daardoor ontstane schade. Daarvoor is verzuim vereist. Tussen partijen is in geschil of aan dat vereiste is voldaan. In principe is voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling vereist, waarbij de schuldenaar nog een laatste kans krijgt om een bepaalde verbintenis deugdelijk na te komen. Benut hij die niet, dan is hij na het verstrijken van de termijn in verzuim en in beginsel schadeplichtig. Een ingebrekestelling is niet nodig als nakoming blijvend onmogelijk is. 4.6. Volgens [eiser] is [gedaagde] op twee punten tekortgeschoten: het werk is niet deugdelijk uitgevoerd en er is vertraging opgetreden.
Volledig
De rechtbank gaat eerst in op de vertraging. 4.7. In de tussen partijen gesloten schriftelijke aannemingsovereenkomst is geen planning van de werkzaamheden opgenomen. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat vervolgens hierover wel afspraken met [gedaagde] zijn gemaakt (namelijk ‘oplevering vóór de bouwvak’) heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. Er is in de procedure door [eiser] weliswaar een planning voor de onderaannemers overgelegd die volgens haar is verstuurd bij de start van het project, maar die is volstrekt onleesbaar (productie 4 bij dagvaarding). Bovendien heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er eind 2023 een bouwvergadering is geweest waaruit ‘een planning (is) voortgekomen’, zodat er alleen al om die reden niet van uitgegaan kan worden dat die oorspronkelijke planning - wat daar verder ook van zij - voor de beoordeling van het geschil enige betekenis heeft. [eiser] heeft echter niet duidelijk gemaakt wat die planning dan inhield en zo ja, of die planning ook (nader) is overeengekomen met [gedaagde] . Dat volgt niet uit de gestelde feiten. [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen gevraagd om een planning aan te geven, maar [gedaagde] reageerde veelal waarom dat voor hem op dat moment niet mogelijk was, waarbij ook is verwezen naar de vele wijzigingen in het werk, meerwerk en de opschorting van werkzaamheden in verband met niet betaalde facturen. Dit brengt mee dat [gedaagde] , zoals hij terecht heeft aangevoerd, pas aansprakelijk kan zijn voor schade als gevolg van vertraging na een ingebrekestelling. 4.8. [eiser] heeft haar e-mail van 3 november 2023 aangemerkt als een ingebrekestelling. Volgens [gedaagde] is dat onjuist. Dat is de rechtbank met hem eens. In deze e-mail worden een drietal werkzaamheden aangehaald en wordt aangegeven dat van [gedaagde] een planning en een voorstel voor Domotica wordt verwacht, waarbij wordt gewezen op verhaal van mogelijke kosten in verband met vertraging, maar een aanmaning waarbij [gedaagde] nog een laatste termijn wordt gegeven om (tijdig) na te komen is hier niet in te lezen. De slotpassage over het afronden van het project wijst ook niet in die richting. De e-mail bevat verder noch een algehele aanmaning met betrekking tot de door [gedaagde] verrichte of te verrichten werkzaamheden, noch een gespecificeerde aanmaning. Verder geldt dat [eiser] nadien ook geen consequenties aan deze e-mail heeft verbonden. Zij heeft in de periode daarna volgens haar eigen stellingen juist de planning opnieuw aangepast. De rechtbank ziet in de hiervoor geschetste gang van zaken ook geen aanleiding voor het oordeel dat het verzuim voor wat betreft de vertraging zonder ingebrekestelling is ingetreden. Het is duidelijk dat door omstandigheden (zoals veel meerwerk en de opschorting door [gedaagde] omdat [eiser] de meerwerknota’s niet betaalde) het project veel langer heeft geduurd dan [eiser] voor ogen stond, maar juist door die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat zich één van de uitzonderingen op het vereiste van ingebrekestelling voordoet waarop [eiser] een beroep heeft gedaan. 4.9. De conclusie is daarom dat [gedaagde] niet tekortgeschoten is voor zover het om de tijdigheid van de werkzaamheden gaat. De vorderingen worden in zoverre afgewezen. [gedaagde] is niet tekortgeschoten in het deugdelijk uitvoeren van de werkzaamheden 4.10. Voor wat betreft de gestelde ondeugdelijkheid van de werkzaamheden geldt dat [eiser] door de overeenkomst op te zeggen [gedaagde] niet in de gelegenheid heeft gesteld om het werk af te maken. Alleen voor zover op 22 januari 2024 op één of meer onderdelen nakoming al blijvend onmogelijk was kan [gedaagde] voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk zijn. [eiser] heeft in deze procedure dat onderscheid niet gemaakt. Uit de dagvaarding kan echter afgeleid worden dat volgens [eiser] [gedaagde] in strijd met de door haar verstrekte technische specificatie een type airco- en luchtbehandelingsinstallatie heeft geïnstalleerd, waarmee de opdrachtgever niet akkoord is gegaan. Tijdens de mondelinge behandeling is echter door [directeur] verklaard dat dit systeem niet door [gedaagde] is geïnstalleerd. Alleen het leidingenwerk is deels door [gedaagde] aangelegd. Over de locatie daarvan is overleg geweest en op dat moment wist [directeur] al dat [gedaagde] een ander systeem zou aanleggen dan was afgesproken. Voor zover de vordering hierop is gebaseerd is deze daarom niet toewijsbaar, want onder deze omstandigheden is geen sprake van een tekortkoming in de relatie tussen [eiser] en [gedaagde] . 4.11. [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij verder [gedaagde] vóór 22 januari 2024 heeft aangesproken op de kwaliteit van het tot dan toe door [gedaagde] verrichte werk en hem daarvoor (voor zover vereist) in gebreke heeft gesteld. [eiser] heeft weliswaar een groot aantal e-mails in het geding gebracht, maar hieraan geen (duidelijke) stellingen verbonden. Wel heeft zij na de opzegging [gedaagde] aangesproken op schade als gevolg van lekkage (en de gebrekkige installatie van de douche- en wastafelkranen, waarop hierna afzonderlijk wordt ingegaan). [eiser] heeft gesteld dat er op 29 april 2024 ernstige lekkage door haar en W4TECH is ontdekt. Dit was volgens haar kort nadat de hoofdkraan voor het eerst open was gedraaid. Op 2 mei en 6 mei 2024 heeft zij een lekdetectie door Lekdetectiecentrale laten uitvoeren. Zij stelt dat toen is gebleken dat koppelingen in wanden en vloeren niet goed waren aangesloten waardoor de lekkage is opgetreden. De vloeren moesten opengebroken worden en veel leidingen moesten opnieuw worden aangelegd. Ook moest de lekkageschade, onder meer bij de onderburen, worden hersteld. [eiser] vordert vergoeding van de kosten die volgens haar het gevolg zijn van een tekortkoming door [gedaagde] . [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat hij een druktest heeft gedaan nadat de leidingen waren aangelegd. Hij weerspreekt dat de lekkage door zijn werk is veroorzaakt en heeft daarbij aangevoerd dat dit ook door werkzaamheden van anderen kan zijn veroorzaakt. 4.12. Nu de tekortkoming niet vaststaat, moest [eiser] na de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] voldoende onderbouwd stellen dat de lekkage het gevolg is van ondeugdelijke werkzaamheden door [gedaagde] . Dat heeft [eiser] niet gedaan. In de dagvaarding was het verwijt al niet uitgewerkt en dat is daarna ook onvoldoende gebeurd. Weliswaar is tijdens de mondelinge behandeling verwezen naar de e-mail van Flynth van 10 mei 2024, maar daaruit volgt niet dat de schade het gevolg is van een tekortkoming door [gedaagde] . Hierin staat in dit verband alleen: ‘Naar de oorzaak wordt nog gezocht, maar het vermoeden is een aansluiting die zich onder de nieuw aangebrachte vloer bevindt.’ Ook in het rapport van Lekdetectiecentrale is trouwens niet vermeld wat de oorzaak is, zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat er na het aanleggen van de leidingen en vóór het storten van het beton niemand in de betreffende ruimte is geweest zodat de oorzaak wel bij [gedaagde] móet liggen, maar nu [gedaagde] daartegen ingebracht heeft dat de oorzaak mogelijk ook gevonden kan worden in (bijvoorbeeld) het storten van het beton over de leidingen kan deze (kale) stelling van [eiser] niet de doorslag geven. Dat geldt temeer nu [gedaagde] niet betrokken is geweest bij het onderzoek naar de oorzaak. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Geen vordering vanwege gebrekkige installatie van de wastafel- en douchekranen 4.13. Voor wat betreft het verwijt over de gebrekkige installatie van de wastafel- en douchekranen - waar een afzonderlijke vordering op ziet - ten slotte geldt dat [eiser] enkel heeft aangevoerd dat [gedaagde] het binnenwerk hiervan verkeerd om heeft geïnstalleerd. Hierdoor fungeren de kranen ook verkeerd om, aldus [eiser] . Zij laat de gebreken nog verder onderzoeken en de schade is nog niet bekend. [gedaagde] heeft hier tegen ingebracht - zonder dit overigens te onderbouwen - dat hij het werk wel goed heeft uitgevoerd, maar als dat niet zo zou zijn heeft [eiser] volgens hem niet tijdig geklaagd.
Volledig
De rechtbank gaat eerst in op de vertraging. 4.7. In de tussen partijen gesloten schriftelijke aannemingsovereenkomst is geen planning van de werkzaamheden opgenomen. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat vervolgens hierover wel afspraken met [gedaagde] zijn gemaakt (namelijk ‘oplevering vóór de bouwvak’) heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. Er is in de procedure door [eiser] weliswaar een planning voor de onderaannemers overgelegd die volgens haar is verstuurd bij de start van het project, maar die is volstrekt onleesbaar (productie 4 bij dagvaarding). Bovendien heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er eind 2023 een bouwvergadering is geweest waaruit ‘een planning (is) voortgekomen’, zodat er alleen al om die reden niet van uitgegaan kan worden dat die oorspronkelijke planning - wat daar verder ook van zij - voor de beoordeling van het geschil enige betekenis heeft. [eiser] heeft echter niet duidelijk gemaakt wat die planning dan inhield en zo ja, of die planning ook (nader) is overeengekomen met [gedaagde] . Dat volgt niet uit de gestelde feiten. [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen gevraagd om een planning aan te geven, maar [gedaagde] reageerde veelal waarom dat voor hem op dat moment niet mogelijk was, waarbij ook is verwezen naar de vele wijzigingen in het werk, meerwerk en de opschorting van werkzaamheden in verband met niet betaalde facturen. Dit brengt mee dat [gedaagde] , zoals hij terecht heeft aangevoerd, pas aansprakelijk kan zijn voor schade als gevolg van vertraging na een ingebrekestelling. 4.8. [eiser] heeft haar e-mail van 3 november 2023 aangemerkt als een ingebrekestelling. Volgens [gedaagde] is dat onjuist. Dat is de rechtbank met hem eens. In deze e-mail worden een drietal werkzaamheden aangehaald en wordt aangegeven dat van [gedaagde] een planning en een voorstel voor Domotica wordt verwacht, waarbij wordt gewezen op verhaal van mogelijke kosten in verband met vertraging, maar een aanmaning waarbij [gedaagde] nog een laatste termijn wordt gegeven om (tijdig) na te komen is hier niet in te lezen. De slotpassage over het afronden van het project wijst ook niet in die richting. De e-mail bevat verder noch een algehele aanmaning met betrekking tot de door [gedaagde] verrichte of te verrichten werkzaamheden, noch een gespecificeerde aanmaning. Verder geldt dat [eiser] nadien ook geen consequenties aan deze e-mail heeft verbonden. Zij heeft in de periode daarna volgens haar eigen stellingen juist de planning opnieuw aangepast. De rechtbank ziet in de hiervoor geschetste gang van zaken ook geen aanleiding voor het oordeel dat het verzuim voor wat betreft de vertraging zonder ingebrekestelling is ingetreden. Het is duidelijk dat door omstandigheden (zoals veel meerwerk en de opschorting door [gedaagde] omdat [eiser] de meerwerknota’s niet betaalde) het project veel langer heeft geduurd dan [eiser] voor ogen stond, maar juist door die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat zich één van de uitzonderingen op het vereiste van ingebrekestelling voordoet waarop [eiser] een beroep heeft gedaan. 4.9. De conclusie is daarom dat [gedaagde] niet tekortgeschoten is voor zover het om de tijdigheid van de werkzaamheden gaat. De vorderingen worden in zoverre afgewezen. [gedaagde] is niet tekortgeschoten in het deugdelijk uitvoeren van de werkzaamheden 4.10. Voor wat betreft de gestelde ondeugdelijkheid van de werkzaamheden geldt dat [eiser] door de overeenkomst op te zeggen [gedaagde] niet in de gelegenheid heeft gesteld om het werk af te maken. Alleen voor zover op 22 januari 2024 op één of meer onderdelen nakoming al blijvend onmogelijk was kan [gedaagde] voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk zijn. [eiser] heeft in deze procedure dat onderscheid niet gemaakt. Uit de dagvaarding kan echter afgeleid worden dat volgens [eiser] [gedaagde] in strijd met de door haar verstrekte technische specificatie een type airco- en luchtbehandelingsinstallatie heeft geïnstalleerd, waarmee de opdrachtgever niet akkoord is gegaan. Tijdens de mondelinge behandeling is echter door [directeur] verklaard dat dit systeem niet door [gedaagde] is geïnstalleerd. Alleen het leidingenwerk is deels door [gedaagde] aangelegd. Over de locatie daarvan is overleg geweest en op dat moment wist [directeur] al dat [gedaagde] een ander systeem zou aanleggen dan was afgesproken. Voor zover de vordering hierop is gebaseerd is deze daarom niet toewijsbaar, want onder deze omstandigheden is geen sprake van een tekortkoming in de relatie tussen [eiser] en [gedaagde] . 4.11. [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij verder [gedaagde] vóór 22 januari 2024 heeft aangesproken op de kwaliteit van het tot dan toe door [gedaagde] verrichte werk en hem daarvoor (voor zover vereist) in gebreke heeft gesteld. [eiser] heeft weliswaar een groot aantal e-mails in het geding gebracht, maar hieraan geen (duidelijke) stellingen verbonden. Wel heeft zij na de opzegging [gedaagde] aangesproken op schade als gevolg van lekkage (en de gebrekkige installatie van de douche- en wastafelkranen, waarop hierna afzonderlijk wordt ingegaan). [eiser] heeft gesteld dat er op 29 april 2024 ernstige lekkage door haar en W4TECH is ontdekt. Dit was volgens haar kort nadat de hoofdkraan voor het eerst open was gedraaid. Op 2 mei en 6 mei 2024 heeft zij een lekdetectie door Lekdetectiecentrale laten uitvoeren. Zij stelt dat toen is gebleken dat koppelingen in wanden en vloeren niet goed waren aangesloten waardoor de lekkage is opgetreden. De vloeren moesten opengebroken worden en veel leidingen moesten opnieuw worden aangelegd. Ook moest de lekkageschade, onder meer bij de onderburen, worden hersteld. [eiser] vordert vergoeding van de kosten die volgens haar het gevolg zijn van een tekortkoming door [gedaagde] . [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat hij een druktest heeft gedaan nadat de leidingen waren aangelegd. Hij weerspreekt dat de lekkage door zijn werk is veroorzaakt en heeft daarbij aangevoerd dat dit ook door werkzaamheden van anderen kan zijn veroorzaakt. 4.12. Nu de tekortkoming niet vaststaat, moest [eiser] na de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] voldoende onderbouwd stellen dat de lekkage het gevolg is van ondeugdelijke werkzaamheden door [gedaagde] . Dat heeft [eiser] niet gedaan. In de dagvaarding was het verwijt al niet uitgewerkt en dat is daarna ook onvoldoende gebeurd. Weliswaar is tijdens de mondelinge behandeling verwezen naar de e-mail van Flynth van 10 mei 2024, maar daaruit volgt niet dat de schade het gevolg is van een tekortkoming door [gedaagde] . Hierin staat in dit verband alleen: ‘Naar de oorzaak wordt nog gezocht, maar het vermoeden is een aansluiting die zich onder de nieuw aangebrachte vloer bevindt.’ Ook in het rapport van Lekdetectiecentrale is trouwens niet vermeld wat de oorzaak is, zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat er na het aanleggen van de leidingen en vóór het storten van het beton niemand in de betreffende ruimte is geweest zodat de oorzaak wel bij [gedaagde] móet liggen, maar nu [gedaagde] daartegen ingebracht heeft dat de oorzaak mogelijk ook gevonden kan worden in (bijvoorbeeld) het storten van het beton over de leidingen kan deze (kale) stelling van [eiser] niet de doorslag geven. Dat geldt temeer nu [gedaagde] niet betrokken is geweest bij het onderzoek naar de oorzaak. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Geen vordering vanwege gebrekkige installatie van de wastafel- en douchekranen 4.13. Voor wat betreft het verwijt over de gebrekkige installatie van de wastafel- en douchekranen - waar een afzonderlijke vordering op ziet - ten slotte geldt dat [eiser] enkel heeft aangevoerd dat [gedaagde] het binnenwerk hiervan verkeerd om heeft geïnstalleerd. Hierdoor fungeren de kranen ook verkeerd om, aldus [eiser] . Zij laat de gebreken nog verder onderzoeken en de schade is nog niet bekend. [gedaagde] heeft hier tegen ingebracht - zonder dit overigens te onderbouwen - dat hij het werk wel goed heeft uitgevoerd, maar als dat niet zo zou zijn heeft [eiser] volgens hem niet tijdig geklaagd.
Volledig
Er zijn diverse wijzigingen aan het installatiewerk uitgevoerd en [eiser] had het daarom veel eerder kunnen ontdekken dan pas in het najaar van 2024, aldus [gedaagde] . 4.14. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen hiervoor is overwogen in de eerste twee zinnen van r.o. 4.10. Het is de vraag of hier sprake is van blijvende onmogelijkheid tot nakoming. Los daarvan heeft [eiser] niet onderbouwd dat, als er inderdaad sprake is van een tekortkoming van [gedaagde] , hierdoor schade is ontstaan. De rechtbank begrijpt uit de summiere toelichting dat de kranen als zodanig wel functioneren. Als het zo is dat de kranen verkeerd om zijn gemonteerd (wat in beginsel een tekortkoming is) is daarmee nog niet gezegd dat er dus ook schade is. Dat dit niet op eenvoudige wijze had kunnen worden verholpen is door [eiser] niet gesteld. Het had op de weg van [eiser] gelegen om te onderbouwen wat haar schade dan is. Nu zij dat niet heeft gedaan, ook niet in een later moment in de procedure, zal de vordering worden afgewezen. De slotsom 4.15. De slotsom in conventie is dus dat alle vorderingen van [eiser] in hoofdsom zullen worden afgewezen. De nevenvorderingen delen in dat lot. In reconventie 4.16. Het door [gedaagde] onder I gevorderde bedrag van € 18.555,42 betreft de som van twee door [gedaagde] aan [eiser] gestuurde facturen die niet zijn betaald. Het gaat om een factuur van 25 september 2023 van € 12.755,42 vanwege het aanleggen van leidingwerk voor de airco en een factuur van 16 januari 2024 van € 5.800,00 voor het leveren en plaatsen van zonnepanelen. De factuur van 25 september 2023 (airco) moet betaald worden 4.17 Deze factuur houdt verband met de werkzaamheden die hiervoor onder 4.10 al zijn besproken. Volgens [eiser] hoeft zij deze factuur niet te betalen omdat [gedaagde] in schuldeisersverzuim verkeert. [gedaagde] heeft niet alleen een ander systeem geleverd en gemonteerd dan overeengekomen, maar het systeem ook op een andere plek (niet conform tekening) gemonteerd dan overeengekomen, aldus [eiser] . Zoals in conventie al aan de orde kwam is hier geen sprake van een tekortkoming door [gedaagde] . De rechtbank neemt die motivering hier over. Bovendien heeft [eiser] de overeenkomst niet ontbonden. Ook in het geval wel sprake zou zijn van een tekortkoming (wat dus niet zo is) zou de factuur betaald moeten worden. De vordering is dus toewijsbaar. De factuur van 16 januari 2024 (zonnepanelen) moet grotendeels betaald worden 4.18. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat deze werkzaamheden en de aanschaf van materialen hiervoor onderdeel uitmaakten van de aanneemsom waarvoor geen aparte facturen konden worden verzonden en ook dat zij de aanneemsom al grotendeels heeft voldaan. Verder heeft [gedaagde] maar acht in plaats van twaalf panelen geplaatst en was de plaatsing gebrekkig uitgevoerd. Ze zijn niet correct gemonteerd, namelijk scheef en in verschillende hoogtes, en het systeem was (nog) niet werkend. Zo is er geen omvormer geplaatst. [gedaagde] heeft hiertegenover gesteld dat de zonnepanelen meerwerk betroffen, dat de plaatsing nog niet was voltooid en dat hij daartoe geen gelegenheid meer van [eiser] heeft gekregen. 4.19. Uit de tussen partijen gesloten overeenkomst blijkt dat de zonnepanelen een stelpost betroffen, zodat deze niet in de aanneemsom zaten maar apart door [gedaagde] in rekening konden worden gebracht. Dit staat inmiddels ook vast tussen partijen. [eiser] heeft ter zitting verder erkend dat er is ingestemd met het plaatsen van acht, in plaats van de aanvankelijk beoogde twaalf panelen, en niet zes zoals in de conclusie van antwoord in reconventie is vermeld en waarop haar beroep op een opschortingsrecht was gebaseerd. Tussen partijen is niet in geschil dat de factuur op acht zonnepanelen ziet. Evenmin is in geschil dat het werk nog niet voltooid was. Immers, volgens [eiser] zou de installatie in februari 2024 plaatsvinden (ofwel na de opzegging) en volgens [gedaagde] heeft hij geen gelegenheid gekregen om het werk af te maken. [gedaagde] heeft gesteld dat hij toch de totale prijs in rekening heeft gebracht omdat hij er op het moment van factureren nog van uitging dat hij het werk zou afmaken. 4.20. De factuur dateert van voor de beëindiging door [eiser] . Uitgangspunt bij opzegging is dat de opdrachtgever (lees [eiser] ) de voor het gehele werk geldende prijs moet betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk (zie artikel 7:764 lid 2). [gedaagde] heeft hier zoals eerder al vermeld verder geen consequenties aan verbonden, maar voor wat betreft de zonnepanelen kan hij dus niet zonder meer het volledige bedrag in rekening brengen omdat hij ook de eventuele besparingen hierbij had moeten betrekken. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de besparingen. De rechtbank zal deze kosten om proceseconomische redenen zelf begroten op een bedrag van € 500,00. De vordering ten aanzien van deze factuur zal gezien het voorgaande worden toegewezen tot een bedrag van € 5.300,00 (€ 5.800,00 - € 500,00). Nu de overeenkomst niet is ontbonden (zie ook hiervoor) is [eiser] namelijk wel verplicht om de factuur te betalen, ook in het geval de werkzaamheden mogelijk niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Daar komt bij dat door de opzegging [gedaagde] ook niet meer in de gelegenheid is geweest om herstelwerk uit te voeren en het werk vervolgens op te leveren. 4.21. In hoofdsom zal dus worden toegewezen een bedrag van € 17.055,42. De gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen zoals conform artikel 6:119a BW is gevorderd over € 12.755,42 vanaf 25 oktober 2023 en over € 5.300,00 vanaf 16 februari 2024, tot aan de dag van algehele voldoening. 4.22. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen omdat [gedaagde] daartoe niets heeft gesteld. Verder in conventie en in reconventie De proceskosten 4.23. [eiser] zal zowel in conventie als in reconventie als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden als volgt vastgesteld in conventie: griffierecht € 6.861,00 salaris advocaat € 4.102,00 (twee punten in tarief V) Totaal: € 10.963,00, en in reconventie: - salaris advocaat € 653,00 (twee punten x 0,5 in tarief II) Tevens zullen de nakosten van € 296,00 worden toegewezen zonder betekening in conventie en reconventie, verhoogd met € 98,00 in geval van betekening, op de manier zoals in het dictum wordt vermeld. Tevens zal de wettelijke rente over de proces- en nakosten zoals hierna zal worden vermeld worden toegewezen. 5 De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op een bedrag van € 10.963,00, in reconventie 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 17.055,42, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 12.755,42 vanaf 25 oktober 2023 en over € 5.300,00 vanaf 16 februari 2024, tot aan de dag van algehele voldoening, 5.4. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 653,00, verder in conventie en in reconventie 5.5. veroordeelt [eiser] tot betaling van de nakosten van € 296,00 zonder betekening in conventie en reconventie, 5.6. veroordeelt [eiser] de proces- en nakosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en indien [eiser] niet tijdig voldoet en [gedaagde] overgaat tot betekening van dit vonnis te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van de betekening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces- en nakosten vanaf veertien dagen na aanschrijving tot aan de dag van algehele voldoening, 5.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het om de beslissingen onder 5.2 tot en met 5.6 gaat, verder in reconventie 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. c. 439 Weergegeven onder r.o. 2.14 hiervoor.
Volledig
Er zijn diverse wijzigingen aan het installatiewerk uitgevoerd en [eiser] had het daarom veel eerder kunnen ontdekken dan pas in het najaar van 2024, aldus [gedaagde] . 4.14. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen hiervoor is overwogen in de eerste twee zinnen van r.o. 4.10. Het is de vraag of hier sprake is van blijvende onmogelijkheid tot nakoming. Los daarvan heeft [eiser] niet onderbouwd dat, als er inderdaad sprake is van een tekortkoming van [gedaagde] , hierdoor schade is ontstaan. De rechtbank begrijpt uit de summiere toelichting dat de kranen als zodanig wel functioneren. Als het zo is dat de kranen verkeerd om zijn gemonteerd (wat in beginsel een tekortkoming is) is daarmee nog niet gezegd dat er dus ook schade is. Dat dit niet op eenvoudige wijze had kunnen worden verholpen is door [eiser] niet gesteld. Het had op de weg van [eiser] gelegen om te onderbouwen wat haar schade dan is. Nu zij dat niet heeft gedaan, ook niet in een later moment in de procedure, zal de vordering worden afgewezen. De slotsom 4.15. De slotsom in conventie is dus dat alle vorderingen van [eiser] in hoofdsom zullen worden afgewezen. De nevenvorderingen delen in dat lot. In reconventie 4.16. Het door [gedaagde] onder I gevorderde bedrag van € 18.555,42 betreft de som van twee door [gedaagde] aan [eiser] gestuurde facturen die niet zijn betaald. Het gaat om een factuur van 25 september 2023 van € 12.755,42 vanwege het aanleggen van leidingwerk voor de airco en een factuur van 16 januari 2024 van € 5.800,00 voor het leveren en plaatsen van zonnepanelen. De factuur van 25 september 2023 (airco) moet betaald worden 4.17 Deze factuur houdt verband met de werkzaamheden die hiervoor onder 4.10 al zijn besproken. Volgens [eiser] hoeft zij deze factuur niet te betalen omdat [gedaagde] in schuldeisersverzuim verkeert. [gedaagde] heeft niet alleen een ander systeem geleverd en gemonteerd dan overeengekomen, maar het systeem ook op een andere plek (niet conform tekening) gemonteerd dan overeengekomen, aldus [eiser] . Zoals in conventie al aan de orde kwam is hier geen sprake van een tekortkoming door [gedaagde] . De rechtbank neemt die motivering hier over. Bovendien heeft [eiser] de overeenkomst niet ontbonden. Ook in het geval wel sprake zou zijn van een tekortkoming (wat dus niet zo is) zou de factuur betaald moeten worden. De vordering is dus toewijsbaar. De factuur van 16 januari 2024 (zonnepanelen) moet grotendeels betaald worden 4.18. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat deze werkzaamheden en de aanschaf van materialen hiervoor onderdeel uitmaakten van de aanneemsom waarvoor geen aparte facturen konden worden verzonden en ook dat zij de aanneemsom al grotendeels heeft voldaan. Verder heeft [gedaagde] maar acht in plaats van twaalf panelen geplaatst en was de plaatsing gebrekkig uitgevoerd. Ze zijn niet correct gemonteerd, namelijk scheef en in verschillende hoogtes, en het systeem was (nog) niet werkend. Zo is er geen omvormer geplaatst. [gedaagde] heeft hiertegenover gesteld dat de zonnepanelen meerwerk betroffen, dat de plaatsing nog niet was voltooid en dat hij daartoe geen gelegenheid meer van [eiser] heeft gekregen. 4.19. Uit de tussen partijen gesloten overeenkomst blijkt dat de zonnepanelen een stelpost betroffen, zodat deze niet in de aanneemsom zaten maar apart door [gedaagde] in rekening konden worden gebracht. Dit staat inmiddels ook vast tussen partijen. [eiser] heeft ter zitting verder erkend dat er is ingestemd met het plaatsen van acht, in plaats van de aanvankelijk beoogde twaalf panelen, en niet zes zoals in de conclusie van antwoord in reconventie is vermeld en waarop haar beroep op een opschortingsrecht was gebaseerd. Tussen partijen is niet in geschil dat de factuur op acht zonnepanelen ziet. Evenmin is in geschil dat het werk nog niet voltooid was. Immers, volgens [eiser] zou de installatie in februari 2024 plaatsvinden (ofwel na de opzegging) en volgens [gedaagde] heeft hij geen gelegenheid gekregen om het werk af te maken. [gedaagde] heeft gesteld dat hij toch de totale prijs in rekening heeft gebracht omdat hij er op het moment van factureren nog van uitging dat hij het werk zou afmaken. 4.20. De factuur dateert van voor de beëindiging door [eiser] . Uitgangspunt bij opzegging is dat de opdrachtgever (lees [eiser] ) de voor het gehele werk geldende prijs moet betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk (zie artikel 7:764 lid 2). [gedaagde] heeft hier zoals eerder al vermeld verder geen consequenties aan verbonden, maar voor wat betreft de zonnepanelen kan hij dus niet zonder meer het volledige bedrag in rekening brengen omdat hij ook de eventuele besparingen hierbij had moeten betrekken. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de besparingen. De rechtbank zal deze kosten om proceseconomische redenen zelf begroten op een bedrag van € 500,00. De vordering ten aanzien van deze factuur zal gezien het voorgaande worden toegewezen tot een bedrag van € 5.300,00 (€ 5.800,00 - € 500,00). Nu de overeenkomst niet is ontbonden (zie ook hiervoor) is [eiser] namelijk wel verplicht om de factuur te betalen, ook in het geval de werkzaamheden mogelijk niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Daar komt bij dat door de opzegging [gedaagde] ook niet meer in de gelegenheid is geweest om herstelwerk uit te voeren en het werk vervolgens op te leveren. 4.21. In hoofdsom zal dus worden toegewezen een bedrag van € 17.055,42. De gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen zoals conform artikel 6:119a BW is gevorderd over € 12.755,42 vanaf 25 oktober 2023 en over € 5.300,00 vanaf 16 februari 2024, tot aan de dag van algehele voldoening. 4.22. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen omdat [gedaagde] daartoe niets heeft gesteld. Verder in conventie en in reconventie De proceskosten 4.23. [eiser] zal zowel in conventie als in reconventie als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden als volgt vastgesteld in conventie: griffierecht € 6.861,00 salaris advocaat € 4.102,00 (twee punten in tarief V) Totaal: € 10.963,00, en in reconventie: - salaris advocaat € 653,00 (twee punten x 0,5 in tarief II) Tevens zullen de nakosten van € 296,00 worden toegewezen zonder betekening in conventie en reconventie, verhoogd met € 98,00 in geval van betekening, op de manier zoals in het dictum wordt vermeld. Tevens zal de wettelijke rente over de proces- en nakosten zoals hierna zal worden vermeld worden toegewezen. 5 De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op een bedrag van € 10.963,00, in reconventie 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 17.055,42, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 12.755,42 vanaf 25 oktober 2023 en over € 5.300,00 vanaf 16 februari 2024, tot aan de dag van algehele voldoening, 5.4. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 653,00, verder in conventie en in reconventie 5.5. veroordeelt [eiser] tot betaling van de nakosten van € 296,00 zonder betekening in conventie en reconventie, 5.6. veroordeelt [eiser] de proces- en nakosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en indien [eiser] niet tijdig voldoet en [gedaagde] overgaat tot betekening van dit vonnis te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van de betekening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces- en nakosten vanaf veertien dagen na aanschrijving tot aan de dag van algehele voldoening, 5.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het om de beslissingen onder 5.2 tot en met 5.6 gaat, verder in reconventie 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. c. 439 Weergegeven onder r.o. 2.14 hiervoor.