ECLI:NL:RBNNE:2026:1570
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18-026976-25 beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 4 mei 2026 op een vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke opgelegde maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in de zaak tegen [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , nu gedetineerd te [instelling 1] , hierna te noemen: veroordeelde. Procesverloop Bij onherroepelijk vonnis van 18 september 2025 van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is aan veroordeelde - onder meer - opgelegd de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel), voorwaardelijk met daaraan gekoppeld algemene en bijzondere voorwaarden, waarbij een proeftijd is vastgesteld van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 3 oktober 2025. De officier van justitie heeft bij vordering van 9 april 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel wegens het overtreden van de bijzondere voorwaarden. Op vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris op 9 april 2026 de voorlopige tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel bevolen. De behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 20 april 2026. Daarbij waren aanwezig de officier van justitie mr. D. Roggen, veroordeelde en zijn raadsman mr. P.J. de Bruin, alsmede als deskundigen J. Bosgraaf en S.R. de Smet namens de jeugdreclassering en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Motivering Het advies van de jeugdreclassering In de rapporten van de jeugdreclassering van 13 februari 2026 en 7 april 2026 wordt onder meer het volgende aangegeven, zakelijk weergegeven: Begin december 2025 heeft de jeugdreclassering signalen ontvangen dat veroordeelde zijn afspraken bij [instelling 2] minder goed nakwam en daarop heeft hij op 3 december 2025 een vooraankondiging van een officiële waarschuwing gekregen. Op 15 december 2025 heeft veroordeelde ook daadwerkelijk een officiële waarschuwing gekregen omdat hij niet heeft meegewerkt aan de ambulante behandeling, zich niet heeft gehouden aan de huisregels zoals het op tijd thuis zijn en hij meerdere afspraken met de jeugdreclassering heeft gemist, waaronder de afspraak van de vooraankondiging van de officiële waarschuwing. In een gesprek over het maken van afspraken naar aanleiding van de waarschuwing is het gedrag van veroordeelde geëxplodeerd, zo heeft hij een dienblad van tafel gepakt, een glazen pot kapot gegooid tegen de muur en heeft hij zich letterlijk door een deur geslagen. Hierop is besloten om veroordeelde in het kader van een time-out tijdelijk te plaatsen bij een crisisplek van Elker en vervolgens niet terug te laten gaan naar [instelling 2] maar hem te laten verblijven bij zijn oma. Eenmaal bij zijn oma ingetrokken is het gedrag van veroordeelde kortdurend verbeterd. Hij was vriendelijk, aanspreekbaar en gaf de indruk dat hij zich hield aan de afspraken. Vanwege deze positieve ontwikkelingen in het gedrag is het verblijf bij zijn oma niet direct een halt toegeroepen. Na een huisbezoek dat enkele weken later heeft plaatsgevonden, is de jeugdreclassering er vervolgens via urinecontroles achter gekomen dat veroordeelde dagelijks cannabis gebruikt. Daarnaast is duidelijk geworden dat veroordeelde slechts de helft van de tijd op school aanwezig was en de ambulante behandeling vast liep omdat veroordeelde weinig inzicht gaf. Bij een opvolgend gesprek bij [instelling 3] heeft veroordeelde aangegeven dat hij de behandeling alleen nog een kans wilde geven als dit zou voorkomen dat hij een PIJ-maatregel opgelegd zou krijgen. De behandeling is vanwege het ontbreken van motivatie daarop door [instelling 3] afgesloten. Mede vanwege de eerder opgelegde officiële waarschuwing heeft de jeugdreclassering op 18 februari 2026 de officier van justitie verzocht de maatregel terug te mogen leggen. Dit is niet gebeurd, omdat juist op dat moment veroordeelde een draai in zijn motivatie heeft laten zien en aangaf terug te willen naar [instelling 2] . De jeugdreclassering heeft daarop samen met de officier van justitie afgesproken om het ambulante traject nogmaals een kans te geven. Op 13 maart 2026 is veroordeelde opnieuw bij [instelling 2] geplaatst en heeft er een uitvoerig en positief gesprek plaatsgevonden tussen de jeugdreclassering, veroordeelde en zijn ouders. Ondanks het geschetste positieve beeld, is kort na het gesprek door de mentor van veroordeelde contact opgenomen met de jeugdreclassering omdat veroordeelde een klasgenoot met de dood zou hebben bedreigd. De school heeft veroordeelde geschorst en die schorsing loopt nog steeds omdat veroordeelde meerdere herstelgesprekken niet is nagekomen. Het verloop van de afgelopen periode brengt de jeugdreclassering tot de conclusie dat het ambulante kader onvoldoende steun biedt om de risicos in te perken. Veroordeelde heeft zich herhaaldelijk dreigend en agressief opgesteld, waarbij hij onder meer heeft gedreigd met hetgeen waarvoor hij veroordeeld is: het neersteken van iemand. De jeugdreclassering schat het recidiverisico mede daarom in als zeer hoog. Gezien het hoge risico op herhaling van gewelddadig gedrag en het gebrek aan interventiemogelijkheden verzoekt de jeugdreclassering over te gaan tot tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel. Ter zitting heeft de jeugdreclassering de inhoud van de rapporten van 13 februari 2026 en 7 april 2026 bevestigd en als volgt, zakelijk weergegeven, nader toegelicht: Het klopt dat [instelling 2] geen optie meer is en dat de jeugdreclassering nog steeds achter het advies staat om over te gaan tot tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel. Er heeft twee keer een intake plaatsgevonden bij de kliniek [instelling 4] . De eerste keer heeft de kliniek opname geweigerd omdat een ambulant traject meer aangewezen leek volgens de kliniek en de tweede keer omdat verblijf in de kliniek tot veel weerstand zou leiden waardoor behandeling niet goed van de grond zou komen. Het recidiverisico is torenhoog en de problematiek zal eerst moeten worden behandeld voordat er eventueel vrijheden kunnen worden toegekend. Veroordeelde heeft op dit moment teveel afleidingen en vrijheid om andere keuzes te maken waardoor de behandeling moeizaam van de grond komt en de kans op herhaling niet is gedaald. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming Veroordeelde is een kwetsbare zeventienjarige jongen bij wie sprake is van complexe en onderliggende problematiek waarvoor klinische behandeling geïndiceerd is. De afgelopen periode is, door wachttijden voor een klinische behandeling, de ambulante hulpverlening voortgezet. Behandeling in ambulant kader bij [instelling 3] is gestagneerd en een alternatief voor ambulante behandeling bij het Forensisch Centrum Adolescenten (FCA) is afgewezen. Voor een klinische behandeling binnen [instelling 4] is veroordeelde twee keer afgewezen. De Raad heeft opgemerkt zich zorgen te maken over het risico op recidive op basis van het gedrag van veroordeelde de afgelopen maanden en de risicotaxatie van de jeugdreclassering. Voor veroordeelde is klinische behandeling geïndiceerd in een gestructureerde omgeving. Er zijn geen mogelijkheden om een klinische behandeling te borgen binnen een voorwaardelijke PIJ-maatregel, daarom ziet de Raad op dit moment geen andere optie dan de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel. Ter zitting heeft de Raad de inhoud van het rapport van 17 april 2026 bevestigd en als volgt, zakelijk weergegeven, nader toegelicht: De afgelopen periode is gebleken dat een ambulant traject voor veroordeelde erg lastig is vanwege de onderliggende problematiek. Op verschillende manieren is tevergeefs gepoogd om interventies toe te passen om veroordeelde te behandelen in een geschikt kader. Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft gevorderd de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel ten uitvoer te leggen.