Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-29
ECLI:NL:RBNNE:2026:1543
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,065 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1543 text/xml public 2026-05-15T10:08:47 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-29 25-030477 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Raadkamer Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Internationaal strafrecht Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie 15 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1543 text/html public 2026-05-15T10:08:34 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1543 Rechtbank Noord-Nederland , 29-04-2026 / 25-030477 De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2026 het verzet ex artikel 15 van de WWETGC ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de in Duitsland opgelegde geldboete en kosten nog niet zijn verjaard. De Minister heeft, toen enige betaling uitbleef, in redelijkheid de beslissing kunnen nemen tot het uitvaardigen van het dwangbevel. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Leeuwarden raadkamernummer : 25-030477 cjib-zaaknummer : 2505254005993265 Beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 29 april 2026 op het verzet ex artikel 15 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door veroordeelde [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] . Procesverloop Veroordeelde heeft zich bij bezwaarschrift verzet tegen het nemen van verhaal door afgifte van een dwangbevel. Het dwangbevel is op 10 oktober 2025 afgegeven voor een totaalbedrag van 197,50. Dit is inclusief de verhogingen wegens het niet betalen en de administratiekosten. Het dwangbevel is op 13 november 2025 door de deurwaarder betekend. Het bezwaarschrift van veroordeelde is op 17 november 2025 door de rechtbank ontvangen. Veroordeelde en het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) namens de Minister van Justitie en Veiligheid hebben vervolgens schriftelijk hun standpunten uiteengezet. De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 april 2026. Veroordeelde is niet verschenen. Mevrouw [medewerker], medewerker bij het CJIB, was namens de Minister van Justitie en Veiligheid als procesvertegenwoordiger aanwezig bij de behandeling. Motivering De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast. Het verzet is ingesteld op grond van artikel 15 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC). Artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is van overeenkomstige toepassing verklaard. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het bezwaarschrift en het verzet is tijdig en juist ingesteld. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een bezwaarschrift op grond van artikel 15 van de WWETGC het volgende geldt: de rechtbank mag bij haar beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie de beslissing tot erkenning had moeten weigeren voor zover dit de verplichte weigeringsgronden betreft. Voorts dient de rechtbank te toetsen of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een facultatieve weigeringsgrond. de rechtbank moet toetsen of de Minister in redelijkheid het dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen. Standpunt veroordeelde Veroordeelde stelt het niet eens te zijn met de aan hem opgelegde geldboete, omdat hij hiervan niet eerder op de hoogte is gesteld door de Duitse autoriteiten. Zonder bewijs van de boeteaanmaning acht hij de geldboete ongegrond. Ook zou deze verjaard zijn, omdat hij na zijn eerste beroep niets meer heeft vernomen. Tevens stelt veroordeelde de rol van het CJIB bij de inning van deze geldboete niet te begrijpen en acht hij het dwangbevel daarom onrechtmatig. Daarnaast heeft veroordeelde verzocht om kwijtschelding in verband met betalingsonmacht. Hij stelt dat hij nauwelijks kan rondkomen en geen enkele betalingscapaciteit heeft. Standpunt Minister van Veiligheid en Justitie Door het CJIB is namens de Minister van Veiligheid en Justitie aangevoerd dat het dwangbevel op goede gronden is uitgevaardigd en dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard moet worden. Het verzet kan nimmer gericht zijn tegen het vonnis of arrest waarbij de geldboete werd opgelegd. Bovendien betreft het een Duitse onherroepelijke beslissing waartegen in Nederland niet nogmaals beroep ingesteld kan worden. In dit stadium van de rechtsgang kan een bezwaar als het onderhavige daarom niet meer aan de orde worden gesteld. Op verzoek van het Bundesamt für Justiz te Bonn is verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde geldboete vermeerderd met de kosten van de procedure. De officier van justitie heeft op 1 april 2025 de beslissing, waarbij de geldboete is opgelegd, erkend. Tegen deze beslissing tot erkenning staat geen rechtsmiddel open. Vervolgens zijn vanaf 9 april 2025 door het CJIB meerdere malen aanschrijvingen verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling. Deze zijn naar het BRP-adres van veroordeelde verzonden en niet onbestelbaar retour gekomen. In de aanschrijvingen is veroordeelde gewezen op verhogingen en het mogelijk inschakelen van een deurwaarder in het geval betaling uitblijft. Uit de correspondentie blijkt dat veroordeelde de geldboete betwist, ook nadat hem de onderliggende stukken hieromtrent waren toegezonden. Er is geen verzoek tot een betalingsregeling ingediend. Daarom is uiteindelijk besloten om een dwangbevel uit te vaardigen. Ter zitting heeft de medewerker van het CJIB aangegeven dat naar aanleiding van het verweer van veroordeelde, dat hij beroep heeft ingesteld tegen de beslissing bij de Duitse autoriteiten maar niets meer heeft vernomen, nadere informatie is opgevraagd bij de Duitse autoriteiten. Uit deze informatie blijkt dat veroordeelde wel hoger beroep heeft ingesteld, maar dat dit beroep te laat is ingesteld en dat hij daarom niet-ontvankelijk is verklaard. Oordeel rechtbank Uit de stukken blijkt dat door de Kreis-Viersen Der Landrat in Bondsrepubliek Duitsland, op 3 mei 2024 aan veroordeelde een geldboete van 100,--, vermeerderd met de kosten van de procedure van 28,50, is opgelegd inzake een overtreding gepleegd op 7 april 2024 in Nettetal-Breyell. De beslissing is onherroepelijk geworden op 18 mei 2024. De Duitse autoriteiten hebben Nederland verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van deze beslissing. De officier van justitie heeft op 1 april 2025 de betreffende beslissing erkend en de tenuitvoerlegging overgenomen. De rechtbank heeft ambtshalve getoetst of de officier van justitie een weigeringsgrond had moeten toepassen, maar daarvan is niet gebleken. Uit het confiscatiecertificaat blijkt dat de geldboete op 18 mei 2027 verjaart en de kosten op 1 januari 2030. Uit de stukken blijkt ook dat het CJIB vanaf 9 april 2025 meerdere malen aanschrijvingen heeft verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling en dat veroordeelde hierop ook heeft gereageerd, maar dat hij niet wil betalen omdat hij de tenuitvoerlegging door het CJIB onrechtmatig acht. De rechtbank stelt vast dat de geldboete en de kosten nog niet zijn verjaard, zoals door veroordeelde is aangevoerd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de tenuitvoerlegging door Nederland is overgenomen en dat het CJIB namens de Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de tenuitvoerlegging van de beslissing. De rechtbank heeft hiervoor bij de uitgangspunten van de beoordeling van een bezwaarschrift overwogen dat de rechtbank bij haar beoordeling niet mag treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. De bezwaren die veroordeelde naar voren heeft gebracht met betrekking tot de Duitse procedure of de in Duitsland gegeven beslissing, kunnen daarmee niet leiden tot een gegrondverklaring van het bezwaarschrift en kunnen daarom onbesproken blijven.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1543 text/xml public 2026-05-15T10:08:47 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-29 25-030477 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Raadkamer Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Internationaal strafrecht Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie 15 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1543 text/html public 2026-05-15T10:08:34 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1543 Rechtbank Noord-Nederland , 29-04-2026 / 25-030477 De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2026 het verzet ex artikel 15 van de WWETGC ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de in Duitsland opgelegde geldboete en kosten nog niet zijn verjaard. De Minister heeft, toen enige betaling uitbleef, in redelijkheid de beslissing kunnen nemen tot het uitvaardigen van het dwangbevel. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Leeuwarden raadkamernummer : 25-030477 cjib-zaaknummer : 2505254005993265 Beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 29 april 2026 op het verzet ex artikel 15 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door veroordeelde [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] . Procesverloop Veroordeelde heeft zich bij bezwaarschrift verzet tegen het nemen van verhaal door afgifte van een dwangbevel. Het dwangbevel is op 10 oktober 2025 afgegeven voor een totaalbedrag van 197,50. Dit is inclusief de verhogingen wegens het niet betalen en de administratiekosten. Het dwangbevel is op 13 november 2025 door de deurwaarder betekend. Het bezwaarschrift van veroordeelde is op 17 november 2025 door de rechtbank ontvangen. Veroordeelde en het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) namens de Minister van Justitie en Veiligheid hebben vervolgens schriftelijk hun standpunten uiteengezet. De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 april 2026. Veroordeelde is niet verschenen. Mevrouw [medewerker], medewerker bij het CJIB, was namens de Minister van Justitie en Veiligheid als procesvertegenwoordiger aanwezig bij de behandeling. Motivering De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast. Het verzet is ingesteld op grond van artikel 15 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC). Artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is van overeenkomstige toepassing verklaard. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het bezwaarschrift en het verzet is tijdig en juist ingesteld. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een bezwaarschrift op grond van artikel 15 van de WWETGC het volgende geldt: de rechtbank mag bij haar beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie de beslissing tot erkenning had moeten weigeren voor zover dit de verplichte weigeringsgronden betreft. Voorts dient de rechtbank te toetsen of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een facultatieve weigeringsgrond. de rechtbank moet toetsen of de Minister in redelijkheid het dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen. Standpunt veroordeelde Veroordeelde stelt het niet eens te zijn met de aan hem opgelegde geldboete, omdat hij hiervan niet eerder op de hoogte is gesteld door de Duitse autoriteiten. Zonder bewijs van de boeteaanmaning acht hij de geldboete ongegrond. Ook zou deze verjaard zijn, omdat hij na zijn eerste beroep niets meer heeft vernomen. Tevens stelt veroordeelde de rol van het CJIB bij de inning van deze geldboete niet te begrijpen en acht hij het dwangbevel daarom onrechtmatig. Daarnaast heeft veroordeelde verzocht om kwijtschelding in verband met betalingsonmacht. Hij stelt dat hij nauwelijks kan rondkomen en geen enkele betalingscapaciteit heeft. Standpunt Minister van Veiligheid en Justitie Door het CJIB is namens de Minister van Veiligheid en Justitie aangevoerd dat het dwangbevel op goede gronden is uitgevaardigd en dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard moet worden. Het verzet kan nimmer gericht zijn tegen het vonnis of arrest waarbij de geldboete werd opgelegd. Bovendien betreft het een Duitse onherroepelijke beslissing waartegen in Nederland niet nogmaals beroep ingesteld kan worden. In dit stadium van de rechtsgang kan een bezwaar als het onderhavige daarom niet meer aan de orde worden gesteld. Op verzoek van het Bundesamt für Justiz te Bonn is verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde geldboete vermeerderd met de kosten van de procedure. De officier van justitie heeft op 1 april 2025 de beslissing, waarbij de geldboete is opgelegd, erkend. Tegen deze beslissing tot erkenning staat geen rechtsmiddel open. Vervolgens zijn vanaf 9 april 2025 door het CJIB meerdere malen aanschrijvingen verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling. Deze zijn naar het BRP-adres van veroordeelde verzonden en niet onbestelbaar retour gekomen. In de aanschrijvingen is veroordeelde gewezen op verhogingen en het mogelijk inschakelen van een deurwaarder in het geval betaling uitblijft. Uit de correspondentie blijkt dat veroordeelde de geldboete betwist, ook nadat hem de onderliggende stukken hieromtrent waren toegezonden. Er is geen verzoek tot een betalingsregeling ingediend. Daarom is uiteindelijk besloten om een dwangbevel uit te vaardigen. Ter zitting heeft de medewerker van het CJIB aangegeven dat naar aanleiding van het verweer van veroordeelde, dat hij beroep heeft ingesteld tegen de beslissing bij de Duitse autoriteiten maar niets meer heeft vernomen, nadere informatie is opgevraagd bij de Duitse autoriteiten. Uit deze informatie blijkt dat veroordeelde wel hoger beroep heeft ingesteld, maar dat dit beroep te laat is ingesteld en dat hij daarom niet-ontvankelijk is verklaard. Oordeel rechtbank Uit de stukken blijkt dat door de Kreis-Viersen Der Landrat in Bondsrepubliek Duitsland, op 3 mei 2024 aan veroordeelde een geldboete van 100,--, vermeerderd met de kosten van de procedure van 28,50, is opgelegd inzake een overtreding gepleegd op 7 april 2024 in Nettetal-Breyell. De beslissing is onherroepelijk geworden op 18 mei 2024. De Duitse autoriteiten hebben Nederland verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van deze beslissing. De officier van justitie heeft op 1 april 2025 de betreffende beslissing erkend en de tenuitvoerlegging overgenomen. De rechtbank heeft ambtshalve getoetst of de officier van justitie een weigeringsgrond had moeten toepassen, maar daarvan is niet gebleken. Uit het confiscatiecertificaat blijkt dat de geldboete op 18 mei 2027 verjaart en de kosten op 1 januari 2030. Uit de stukken blijkt ook dat het CJIB vanaf 9 april 2025 meerdere malen aanschrijvingen heeft verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling en dat veroordeelde hierop ook heeft gereageerd, maar dat hij niet wil betalen omdat hij de tenuitvoerlegging door het CJIB onrechtmatig acht. De rechtbank stelt vast dat de geldboete en de kosten nog niet zijn verjaard, zoals door veroordeelde is aangevoerd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de tenuitvoerlegging door Nederland is overgenomen en dat het CJIB namens de Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de tenuitvoerlegging van de beslissing. De rechtbank heeft hiervoor bij de uitgangspunten van de beoordeling van een bezwaarschrift overwogen dat de rechtbank bij haar beoordeling niet mag treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. De bezwaren die veroordeelde naar voren heeft gebracht met betrekking tot de Duitse procedure of de in Duitsland gegeven beslissing, kunnen daarmee niet leiden tot een gegrondverklaring van het bezwaarschrift en kunnen daarom onbesproken blijven.