Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-29
ECLI:NL:RBNNE:2026:1542
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,560 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1542 text/xml public 2026-05-15T10:04:17 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-29 25-033301 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Raadkamer Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Internationaal strafrecht Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie 39 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1542 text/html public 2026-05-15T10:03:43 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1542 Rechtbank Noord-Nederland , 29-04-2026 / 25-033301 De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2026 het beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het toepassen van een eventueel dwangmiddel bij de tenuitvoerlegging van een in een andere staat opgelegde straf of maatregel niet onder één van de weigeringsgronden genoemd in artikel 19 Verordering 2018/1805 valt. Daarnaast ziet de rechtbank in de beslissing van het Hof van Justitie van 10 januari 2019 de bevestiging dat het kaderbesluit 2006/783 op juiste wijze in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en dat artikel 22 van de WWETGC rechtsgeldig is. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Leeuwarden raadkamernummer : 25-033301 cjib-zaaknummer : 2072542300000499 beslissing van de meervoudige raadkamer van 29 april 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld namens veroordeelde [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] . Procesverloop Op 24 december 2025 heeft mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Sittard, namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de op 15 september 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning van een op 15 juli 2022 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, Sectie correctioneel, kamer 18a, te België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring) van een bedrag van 150.000,--. De raadsman heeft de gronden van beroep in het beroepschrift aangevoerd en de officier van justitie heeft hierop schriftelijk gereageerd. De raadsman heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de gronden schriftelijk aan te vullen. De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 april 2026. Hierbij waren veroordeelde en zijn raadsman niet aanwezig. Als officier van justitie was mr. A.J. Kemkers aanwezig. Motivering De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC). De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep en het beroep is tijdig en juist ingesteld. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC het volgende geldt: de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen; de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen; de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. Standpunt veroordeelde De erkenning van het confiscatiebevel had door de officier van justitie geweigerd moeten worden op grond van artikel 19 lid 1 onder h Verordening 2018/1805, nu er sprake is van verzwaring van de opgelegde maatregel, omdat in België geen mogelijkheid is tot inzet van lijfsdwang of gijzeling terwijl dit in Nederland wel mogelijk is. Standpunt officier van justitie Het toepassen van een dwangmiddel bij de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat opgelegde straf of maatregel valt niet onder één van de facultatieve weigeringsgronden genoemd in artikel 19 Verordening 2018/1805. Het recht van de tenuitvoerleggingsstaat is van toepassing op de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel en de autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn als enige bevoegd te beslissen over de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen. De vraag of gijzeling (voorheen lijfsdwang) mag worden toegepast in een door het buitenland opgelegde confiscatiebeslissing welke aan Nederland is overgedragen voor tenuitvoerlegging is reeds bevestigend beantwoord in eerdere jurisprudentie van deze rechtbank, zodat het verweer moet worden verworpen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt, zoals ook door de officier van justitie is aangevoerd, dat artikel 19 Verordening 2018/1805 een limitatieve opsomming van enkel facultatieve weigeringsgronden bevat. De officier van justitie is derhalve niet verplicht de erkenning te weigeren indien wordt voldaan aan één van die weigeringsgronden. Bovendien valt het toepassen van een eventueel dwangmiddel bij de tenuitvoerlegging van een in een andere staat opgelegde straf of maatregel niet onder één van de genoemde weigeringsgronden van voornoemde verordening. Ook ligt op dit moment geen vordering tot gijzeling voor. De rechtbank dient enkel te beoordeelden of de officier van justitie redelijkerwijs tot erkenning van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat in het geval de officier van justitie bij de tenuitvoerlegging gebruik wenst te maken van gijzeling hij hiervoor een vordering artikel 22 WWETGC bij deze rechtbank moet indienen. De rechtbank dient in dat geval te beoordelen of gijzeling is toegestaan. Of door toepassing van gijzeling (voorheen lijfsdwang) bij de tenuitvoerlegging sprake is van een verzwaring van de straf of maatregel heeft de rechtbank in de beslissing van ECLI:NL:RBNNE:2019:2502 in vorm van prejustitiële vragen aan het Hof van Justitie voorgelegd. De rechtbank ziet in de beslissing van het Hof van 10 januari 2019 de bevestiging dat het kaderbesluit 2006/783 op juiste wijze in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en dat artikel 22 van de WWETGC rechtsgeldig is. De rechtbank verwerpt de gevoerde verweren en is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen. De rechtbank acht ambtshalve geen weigeringsgronden aanwezig. De rechtbank zal het ingestelde beroep daarom ongegrond verklaren. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze beslissing is gegeven op 29 april 2026 door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T. Zandstra-Alkema, griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1542 text/xml public 2026-05-15T10:04:17 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-29 25-033301 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Raadkamer Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Internationaal strafrecht Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie 39 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1542 text/html public 2026-05-15T10:03:43 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1542 Rechtbank Noord-Nederland , 29-04-2026 / 25-033301 De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2026 het beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het toepassen van een eventueel dwangmiddel bij de tenuitvoerlegging van een in een andere staat opgelegde straf of maatregel niet onder één van de weigeringsgronden genoemd in artikel 19 Verordering 2018/1805 valt. Daarnaast ziet de rechtbank in de beslissing van het Hof van Justitie van 10 januari 2019 de bevestiging dat het kaderbesluit 2006/783 op juiste wijze in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en dat artikel 22 van de WWETGC rechtsgeldig is. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Leeuwarden raadkamernummer : 25-033301 cjib-zaaknummer : 2072542300000499 beslissing van de meervoudige raadkamer van 29 april 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld namens veroordeelde [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] . Procesverloop Op 24 december 2025 heeft mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Sittard, namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de op 15 september 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning van een op 15 juli 2022 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, Sectie correctioneel, kamer 18a, te België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring) van een bedrag van 150.000,--. De raadsman heeft de gronden van beroep in het beroepschrift aangevoerd en de officier van justitie heeft hierop schriftelijk gereageerd. De raadsman heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de gronden schriftelijk aan te vullen. De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 april 2026. Hierbij waren veroordeelde en zijn raadsman niet aanwezig. Als officier van justitie was mr. A.J. Kemkers aanwezig. Motivering De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC). De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep en het beroep is tijdig en juist ingesteld. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC het volgende geldt: de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen; de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen; de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. Standpunt veroordeelde De erkenning van het confiscatiebevel had door de officier van justitie geweigerd moeten worden op grond van artikel 19 lid 1 onder h Verordening 2018/1805, nu er sprake is van verzwaring van de opgelegde maatregel, omdat in België geen mogelijkheid is tot inzet van lijfsdwang of gijzeling terwijl dit in Nederland wel mogelijk is. Standpunt officier van justitie Het toepassen van een dwangmiddel bij de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat opgelegde straf of maatregel valt niet onder één van de facultatieve weigeringsgronden genoemd in artikel 19 Verordening 2018/1805. Het recht van de tenuitvoerleggingsstaat is van toepassing op de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel en de autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn als enige bevoegd te beslissen over de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen. De vraag of gijzeling (voorheen lijfsdwang) mag worden toegepast in een door het buitenland opgelegde confiscatiebeslissing welke aan Nederland is overgedragen voor tenuitvoerlegging is reeds bevestigend beantwoord in eerdere jurisprudentie van deze rechtbank, zodat het verweer moet worden verworpen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt, zoals ook door de officier van justitie is aangevoerd, dat artikel 19 Verordening 2018/1805 een limitatieve opsomming van enkel facultatieve weigeringsgronden bevat. De officier van justitie is derhalve niet verplicht de erkenning te weigeren indien wordt voldaan aan één van die weigeringsgronden. Bovendien valt het toepassen van een eventueel dwangmiddel bij de tenuitvoerlegging van een in een andere staat opgelegde straf of maatregel niet onder één van de genoemde weigeringsgronden van voornoemde verordening. Ook ligt op dit moment geen vordering tot gijzeling voor. De rechtbank dient enkel te beoordeelden of de officier van justitie redelijkerwijs tot erkenning van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat in het geval de officier van justitie bij de tenuitvoerlegging gebruik wenst te maken van gijzeling hij hiervoor een vordering artikel 22 WWETGC bij deze rechtbank moet indienen. De rechtbank dient in dat geval te beoordelen of gijzeling is toegestaan. Of door toepassing van gijzeling (voorheen lijfsdwang) bij de tenuitvoerlegging sprake is van een verzwaring van de straf of maatregel heeft de rechtbank in de beslissing van ECLI:NL:RBNNE:2019:2502 in vorm van prejustitiële vragen aan het Hof van Justitie voorgelegd. De rechtbank ziet in de beslissing van het Hof van 10 januari 2019 de bevestiging dat het kaderbesluit 2006/783 op juiste wijze in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en dat artikel 22 van de WWETGC rechtsgeldig is. De rechtbank verwerpt de gevoerde verweren en is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen. De rechtbank acht ambtshalve geen weigeringsgronden aanwezig. De rechtbank zal het ingestelde beroep daarom ongegrond verklaren. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze beslissing is gegeven op 29 april 2026 door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T. Zandstra-Alkema, griffier.